De Emmaüsgangers
3
En zij zeiden tot elkander: was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op de weg, en als Hij ons de Schriften opende? Lucas 24 : 32
Als we de geschiedenis van de Emmaüsgangers in zijn geheel nog eens overzien, kunnen we zeggen dat het kenmerkende van het geloof ondermeer ook bestaat uit het losser worden of uiteenvallen van de 'gemeenschap'.
En meteen kunnen we er dan aan toevoegen dat het omgekeerde ook waar is: Het kenmerkende van het geloof is mede ook gelegen in het weer opbloeien en levend worden van de gemeenschap.
Wat onze geschiedenis betreft zien we duidelijk dat door het ongeloof van deze twee mensen de band tussen hen en Christus los is geworden en op het punt staat helemaal te breken.
Zoals gezegd, is het niet te ontkennen dat er in het hart van de Emmaüsgangers toch nog wel liefde tot hun Heere leeft en te bespeuren valt. Maar deze liefde begint toch wel op z'n einde te lopen. Zij wanen Christus immers dood. En waar de dood tussenbeide komt, kan de liefde niet meer blijven leven; die kwijnt weg bij gebrek aan voeding en zal vroeger of later geheel gaan afsterven. Zal liefde leven en gezond zijn dan heeft ze een levend contact nodig, over en weer, tussen de twee die elkander liefhebben. Welnu, deze twee discipelen hebben niet anders meer overgehouden dan een min of meer dankbare nagedachtenis; zij leven uit het verleden en zijn in hun woorden eigenlijk al bezig hun Meester de 'laatste eer' te bewijzen. Hun naar-huis-gaan heeft al iets in zich van een 'streep-zetten' onder alles wat hen zo intens had beziggehouden.
We moeten zeggen dat het kapot-gaan van de gemeenschap al enigermate te bespeuren is als we hen horen vertellen hoe het komt dat ze zo droevig lopen te kijken.
In eerste instantie krijgen de overpriesters en de oversten daar wel de schuld van (vs. 20), maar als we goed toeluisteren krijgt in wezen Christus Zelf de schuld van alles. Hij was immers machtig in werken en woorden voor God en al het volk, maar niettemin heeft Hij dan toch maar niet verhinderd dat alles zo droevig afgelopen is. Hij heeft Israël niet verlost zoals zij hoopten en verwachtten op grond van alles wat Hij gezegd en gedaan had.
Hier zien we nu trekken van het ongeloof. De gemeenschap met God breekt en de mens gaat tenslotte God de schuld van alles geven. We lezen er al van in de geschiedenis van Adams zondeval in het paradijs: De vrouw die Gij mij gegeven hebt, die heeft mij verleid.
Wat hun innerlijke overleggingen betreft hebben de Emmaüsgangers hun Heere al verlaten; zij volgen Hem niet meer op de weg die Hij gaat; zij bevinden zich op een heel ander spoor.
Het ongeloof verbreekt echter niet alleen de band met Christus, doch ook de band met de medemens, de naaste. We wezen er al op dat de twee wandelaars onderweg woorden met elkaar hadden, disputeerden over hetgeen er allemaal gebeurd was.
Als de binding met het Hoofd gaat breken, kan het niet anders of de gemeenschap van de leden onder elkander zal ook los gaan raken. Ook de band met de andere discipelen te Jeruzalem gaat breken; en dat niet zozeer omdat ze de kring der discipelen verlaten en weer naar huis terugkeren. Dat zegt op zichzelf natuurlijk nog niets omtrent hun geloofsleven. Maar het blijkt uit andere dingen.
De mens kan op twee manieren zijn naaste kwijtraken, de band van de gemeenschap onder elkaar verbreken. Hij kan dat doen door óf zijn medemens te verafgoden, óf zijn naaste te vertrappen. Als we niet meer onder God staan dan staan we ook niet meer naast onze medemens; we gaan dan onder of boven onze naaste staan; niet meer naast hem.
In het ongeloof schommelen we zo wat tussen deze twee mogelijkheden heen en weer. In dit verband denken we aan wat Paulus en Barnabas meemaakten in Lystre (Hand. 14). Eerst willen de bewoners van die stad offers aan de apostelen brengen, alsof het goden waren; straks stenigen diezelfde mensen hen en werpen hen uit de stad.
Zij komen niet toe aan wat Paulus bij die gelegenheid tot hen zegt: Wij zijn mensen van gelijke beweging als deze heidense bewoners van Lystre.
En eigenlijk vinden we dezelfde dingen terug bij de Emmaüsgangers.
We vernemen immers dat zij hun geloof reguleren naar de discipelen; in hun geloof laten zij zich leiden door wat de discipelen er van vonden en dachten. Het inzicht van de discipelen is voor hen maatgevend (vs. 24).
Op die manier heeft men zijn medemens tot een afgod gemaakt en de waarachtige gemeenschap onder elkander is dan verdwenen.
Daarnaast horen we de Emmaüsgangers ook nog wat zeggen over het verhaal waar de vrouwen mee aan kwamen. Maar dat wordt kort en goed afgedaan met 'ijdel geklap'; onzin, wartaal dus.
Ze hebben het alleen maar druk over wat de discipelen en wat de vrouwen zeggen; ze praten niet over wat God Zelf zegt in de Schrift of door de mond van de engel. Hier ligt het begin van de 'onenigheid' en hier liggen de wortels van de twisting, de scheuring en de partijschap (1 Cor. 1).
Als nu Christus het wankelend geloof van de twee wandelaars gaat ondersteunen en terechtbrengen, dan zien we dat dit ondermeer ook bestaat in het herstellen van de waarachtige gemeenschap.
Allereerst de gemeenschap met Christus Zelf. Zij vinden hun Heere en Zaligmaker weer terug. Niet op de oude wijze; de situatie van vóór Goede Vrijdag keert niet meer terug. Zij kennen Hem nu niet meer naar het vlees.
Op dat punt werden op de weg hun ogen gesloten gehouden en als zij thuis hun Meester herkennen, is Hij meteen uit hun gezicht verdwenen. Zij vinden hun Heere op een andere wijze terug, hun geloof vindt Hem. En de plaats waar zij Hem vinden is dezelfde als waar ook wij Hem kunnen en mogen en moeten vinden: In het Woord Gods!
Hun harten begonnen in hen te branden toen Hij tot hen sprak op de weg en hun de Schriften opende. Daar en toen vonden zij de opgestane en levende Christus. Daarnaast heeft de Heere Zijn Woord bij hen ook nog bevestigd en verzegeld. Onder de maaltijd worden immers hun ogen geopend en kenden zij Hem (vs. 31).
Maar op hetzelfde ogenblik is Hij ook weer uit hun gezicht verdwenen.
Niet alleen zij, maar ook wij mogen naast het Woord ook nog de tekenen en zegelen hebben om het Woord Gods te bevestigen en te bekrachtigen. Wij hebben immers de sacramenten!
Niet alleen de gemeenschap met Christus is hersteld, maar ook de gemeenschap der heiligen, de gemeenschap onder elkander.
Kenmerkend is het dat de twee zonder aarzelen besluiten om meteen weer terug te gaan naar Jeruzalem. Al is het reeds avond geworden, dat is voor hen geen verhindering om aan de opwelling van hun hart gehoor te geven. Ze denken er niet over om tot de volgende dag te wachten; ze hebben haast, zoals de liefde altijd haast heeft.
Overwegingen van het verstand spelen hier geen doorslaggevende rol; zij volgen de inspraak van hun hart.
En nu blijkt het dat de omgang met de andere discipelen ook anders is geworden dan voor heen. En dat betekent niet dat de rollen alleen maar omdraaien. Zij beginnen nu niet de discipelen, die zij eerst verafgood hadden, te verachten en te vertrappen. Ook gaan zij niet de vrouwen die ze eerst min of meer vertrapt hadden, ineens tot zoiets als halfgoden te verheffen.
Zij hebben hun naasten teruggevonden; ze staan nu weer naast elkander.
Wat een zegen ligt er in zulk een gemeenschap. Uit de woorden van Lucas kunnen we opmaken dat zij bezig geweest zijn het onderling geloof op te scherpen en te versterken. Kennelijk zijn ze elkander tot een hand en een voet geweest als zij met en tot elkander over en weer gesproken hebben over hun opgestane Heere en Zaligmaker.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's