Twee stellingen
Op donderdag 11 mei a.s. hoopt te Utrecht te promoveren drs. S. Gerssen, op een proefschrift getiteld 'Modern Zionisme en christelijke theologie'. Op de inhoud van dit proefschrift zullen we na de promotie zeker terugkomen. Thans willen we op een tweetal stellingen, die bij het proefschrift gevoegd zijn, kort attenderen. Een aantal andere stellingen is hiernaast afgedrukt.
Samen op weg
De eerste stelling, die ik noemen wil, handelt over 'Samen op weg'. Zij luidt:
'Dat in de traditie der Gereformeerde Kerken a) de noodzaak van Kohlbrugge' s prediking, waarin een scherpe klemtoon valt op de heiliging in Christus, nauwelijks werd onderkend, b) de diepste intenties van Hoedemakers visioen omtrent kerk en staat weinig werden gepeild en c) het theologisch probleem van de eigen functie van het joodse volk pas later werd ontdekt, betekent voor het samen op weg zijn van hervormden en gereformeerden een spanningsmoment, dat — mits ter sprake gebracht - zowel voor hervormden als gereformeerden tot verdieping van het gegroeide contact kan leiden'.
Me dunkt, dat dit een belangwekkende stelling is. Binnen de Gereformeerde Kerken is voor de theologie van Kohlbrugge, met z'n sterke nadruk op de gerechtigheid en op de heiliging in Christus, die de doodsteek is aan alle activisme (en daarmee samenhangende organisatieijver), altijd weinig aandacht geweest. En Hoedemaker is met zijn principiële afwijzing van de Afscheiding en de Doleantie zó door Abraham Kuyper bestreden, dat er weinig van diens ideeën binnen de Gereformeerde Kerken levend is gebleven. Hoedemakers bekendheid is immers bijna te danken aan de contoverse met Kuyper! Maar Hoedemaker besefte diep, dat het herstel van de Kerk niet te organiseren was, ook niet met een Afscheiding of een Doleantie. Gemeenschappelijke verootmoediging en bekering stonden bij hem centraal. Bekend in zijn uitspraak: 'Dolerenden en Hervormden, Liberalen en Orthodoxen, Gereformeerden en Ethischen, Antie-Revolutionairen en mannen van de C.H. richting, allen zijn wij afgeweken, tezamen zijn wij onnut geworden'. Ook zegt hij:
'Maar ik behoor zeker niet bij hen, die zich in een eng kringetje opsluiten, die zich om 'de verbreking van Jozef niet bekommeren, die onder de invloed van de beginselen der Doleantie staan... Ik ben eenvoudig een mens, die de belijdenis zal blijven beamen, zolang hij niet overtuigd is dat zij op dit of dat punt afwijkt van het Woord waaraan hij zich gebonden voelt; een christen die zich één weet met allen die uit en naar de waarheid leven, ja voor zover zij dit doen, ook met hen die 'de God der vaderen zoeken, hoewel niet naar de reinigheid des heiligdoms'; een hervormde die in de abnormale toestand waarin de kerk verkeert niet de allergeringste aanleiding vindt om haar te verlaten, veeleer het tegenovergestelde; ... en een predikant die meer dan ooit zijn roeping gevoelt, waarlijk te zijn wat God hem gemaakt heeft'.
In dit alles kwamen Hoedemaker en Kohlbrugge, ook al was hun kerkelijke gang verschillend, elkaar heel nabij. (Ook Kohlbrugge verwierp de Afscheiding en kwam zó bij Hoedemakers stelling: Heel de Kerk en heel het volk.)
Een eerherstel van hun diepe gedachten is echter ook in de Hervormde Kerk geen overbodige luxe, want ook daan is hun erfenis vaak vergeten óf verkwanseld. Want niet alleen het Kuyperiaans activisme, maar ook het politiek activisme van hedendaagse theologische stromingen vindt in Kohlbrugge en Hoedemaker een duidelijke bestrijder.
Hoe Gerssen van Kohlbrugge en Hoedemaker direct kan overstappen op de functie van het Joodse volk is niet direct zo duidelijk. Maar wél dacht ik bij het lezen van deze stelling opnieuw aan de tekst waarin gezegd wordt, dat tien mannen uit de heidenen de slip zulllen grijpen van één Joodse man en zeggen zullen, dat ze mét hem gaan, omdat ze gezien hebben, dat God met hem is. Zullen Kerk én Israël moeten komen tot een radicale bekering rondom de éne Messias, die al gekomen is? Zo vroegen we eerder.
Als Samen-op-weg zou uitkomen bij de rechtvaardiging van de goddeloze, de heiliging in Christus, de gemeenschappelijke verootmoediging en een bekering tot de levende Christus, samen met Israël, dan zou er nog leven kunnen komen in de nü vaak dorre beenderen van het verdeelde kerkelijke leven die verspreid liggen in de vallei.
Twee wegen?
De tweede stelling van drs. Gerssen, waaraan ik aandacht wil geven, luidt:
Wie niet rakelings langs de verzoeking gaat van een twee-wegenleer volgens welke jodendom en christendom ieder hun eigen weg met en tot God gaan, zoals o.a. Franz Rosenzweig het formuleerde (Briefe, S. 73f.), is onbekwaam tot het gesprek tussen de kerk en het joodse volk.'
Ik begrijp wat hiermee wordt bedoeld. Wie ooit bij de Klaagmuur in Jeruzalem stond op vrijdagavond bij de aanvang van de sabbat, als de orthodoxe Joden, in een klederdracht die aan Urk doet denken, daar komen weeklagen, krijgt inderdaad de vraag naar zich toe: Zijn er dan tóch twee wegen? Weeklagen deze Joden immers niet als David van weleer, als de Oudtestamentische profeten in hun hartstochtelijk verlangen naar de Messias? En bidden zij dan niet tot dezelfde God als de christenen? Bij geen enkele andere godsdienst ter wereld treft men toch deze verzoeking wanneer men ermee geconfronteerd wordt?
Maar dan haast ik mij ook om te zeggen, dat niet zodra deze verzoeking boven komt en ook die andere gedachte boven komt: namelijk aan Jezus Christus en Die gekruisigd. De Joden een ergenis en de Grieken een dwaasheid maar voor hen die geloven een kracht Gods tot Zaligheid. En dan komt het woord van Paulus boven uit Rom. 9:11, waarin hij worstelt om Zijn volk, namelijk dat de verharding (voor een deel) over Israël is gekomen. En dan is er dat andere Schriftwoord: wie de Heere Jezus Christus niet lief heeft is een vervloeking. Voorlopig staan de orthodoxe Joden nog als de Schriftgeleerden in Jezus' dagen als vijanden van het Kruis terzijde. Ze zouden Jezus opnieuw gedood hebben. Maar dan komt ook Revius' woord boven: 't en zijn de Joden niet Heer Jesu, die u kruysten.
We zullen het mysterie het mysterie laten. En door de verzoeking heen belijden we: maar nu is de gerechtigheid Gods geopenbaard zonder de wet en de profeten n .1. de gerechtigheid des geloofs, die in Jezus Christus is. Buiten Hem is er geen heil.
En daarom heb ik wel wat moeite met het woord 'rakelings' in de genoemde stelling, want rakelings ergens langs gaan betekent ook gevaar van over de rand vallen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's