Woord en Geest in de verkondiging
De trinitarische zetting van de prediking
4
Nog één punt rest ons te bespreken met be trekking tot de verhouding Woord en Geest in de prediking. Dat is de vraag naar de structuur van de prediking, waarin Woord en Geest onafscheidelijk samengaan. Hoe ziet zo'n prediking er uit?
Drie dingen wil ik daarover zeggen. Drie dingen, die we de hoofdlijnen van de Schrift zouden kunnen noemen en die daarom ook de structuur uitmaken van een prediking, waarin Woord en Geest op een Bijbelse wijze samengaan .
De theologische basis
In de eerste plaats is daar de theologische basis van de prediking. Woord en Geest zijn één in het bedoelen van God en Zijn eer. God als de absoluut souvereine. Die als de Schepper van ons leven een onvervreemdbaar recht op ons heeft. God, Die de wereld zoekt te maken tot een theatrum Dei, een schouwspel Gods. Dat heilig recht van God hebben we te preken, niet als iets lastigs, iets dat slechts verdoemt (dat doet het ook), maar als iets, dat alleen aan ons bestaan zin en bestemming kan geven. Onze prediking moet een prediking zijn met appèl en bevel tot bekering vanwege de liefelijkheid en schone dienst van God.
Wij kunnen de gestrengheid van het heilig recht van God zo preken, dat de mensen voorgoed de lust vergaat om daarin het doel van hun leven te zoeken. Dan maken we er de mensen bang voor. Zij zoeken dat recht van God zich van het lijf te houden door er in krampachtige levensverbetering zoveel mogelijk goede maatjes mee te worden. En zo kunnen wij ook de zonde zo ter sprake brengen in de prediking, dat we slechts de verdoemende kracht van de zonde laten zien en niet het godonterend karakter. Zonde is dan haast een lot, dat over ons gevallen is en waaronder de mens zucht en tobt, waarover hij zichzelf beklaagt inplaats van dat hij door de liefde van God, die in zijn hart is uitgestort, oog en hart heeft voor de dienenswaardigheid van God en zichzelf aanklaagt als een mens, die tegen een heilig en goeddoend God gezondigd heeft. Zou het ook kunnen zijn, dat daardoor sommige mensen levenslang 'bekommerd' blijven? Is hier wel sprake van een rechte bekommernis? Gaat het niet van meetafaan in het werk van Gods Geest in het hart van een zondaar om God? Daartoe wordt dat recht door Woord en Geest in zijn ziel ingegrift. Woord en Geest trekken één lijn in het inscherpen van het recht van God in het hart en leven van de mens.
Het christologische hart
In de tweede plaats trekken zij ook één lijn in de verheerlijking van Christus. Er is de theologische basis van de prediking. Maar er is ook het christologische hart van de prediking. Dat wil zeggen, dat door Woord en Geest in de prediking Christus wordt grootgemaakt als een Christus, Die midden in het recht van God staat. De tweede Adam, in Wie God volkomen aan Zijn eer komt. De grote Plaatsvervanger, met Wie God volkomen genoegen nam en Die voor zondaren genoeg is om voor God te bestaan. 'God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het Woord der verzoening in ons gelegd. Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade: wij bidden van Christuswege: laat U met God verzoenen' (2 Cor. 5 : 19v). Prediking is bediening der verzoening. Dispensatio-uitdeling van het heil. De grote Diakonos gaat rond als Eén, Die bedient uit de volheid van Zijn heil. Daarin verenigen zich Woord en Geest op het allernauwst.
Een pneumatologische zetting
In de derde plaats is er naast de theologische basis van de prediking en het christologische hart van de prediking ook de pneumatologische zetting van de prediking. Dat wil zeggen, dat in een prediking, waarin Woord en Geest samengaan, ook de heilige Geest meekomt als de grote openbare Aanklager en als de grote Advocaat. Wij zullen in onze prediking ook het werk van de heilige Geest uitdragen in het overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. Er is in iedere rechtgeaarde preek een kort geding gaande tussen God en de mens. Het gaat op het geweten van de mens aan. De Geest laat ons niet met rust buiten Christus om. En diezelfde Geest komt ook mee in Zijn troostambt, wanneer Hij komt inwonen in het hart, dat voor Gods Woord beeft, door het gepredikte Evangelie. Zo is de rechtvaardiging van de goddeloze maar niet iets, dat in een punt des tijds plaatsvindt, maar een wondere vrijspraak, die telkens weer vernomen wordt in de levende confrontatie met de levende God onder het gepredikte Woord.
Het daadkarakter van de beloften (Woelderink)
Zo krijgt de prediking ook zijn diepgang. Gods Geest geeft in Zijn wondere vrijmacht het Woord van God gestalte in het hart. Hij doet het Woord ingaan in het leven van de mens, tot in hart en nieren. Hij realiseert de beloften Gods, zij het gedeeltelijk en aanvankelijk. Woelderink heeft daar m.i. al te weinig rekening mee gehouden. Hij wil niet gesproken hebben van een realisering van de beloften van God. Hij is bang voor verzelfstandiging van het geestelijk leven. Dat verstaan we. Maar deze vrees mag er ons niet toe brengen om het heil Gods in de beloften op te sluiten. Dat brengt een scheeftrekken van de verhouding Woord en Geest in de prediking met zich mee. De beloften Gods worden dan ook uitgehold. Ze verliezen hun daadkarakter. Het is juist door de Geest van God, dat de beloften Gods geestelijke realiteiten worden, zoals door de Geest van God was, dat de nog ongevormde schepping werd herschapen tot een welgeordende kosmos. Wij spreken over het herscheppend werk van Gods Geest, dat wil zeggen, dat de Geest des Heeren door de beloften Gods het hart van de mens herschept, het vermurwt, het ontledigt, het vervult met Christus, het opwekt tot levensheiliging. Dat is de wondere en daadwerkelijke gang van de eest met het Woord in de prediking en daardoor in de gemeente. Als wij daar geen oog voor hebben, verschraalt onze prediking tot en eindeloze oproep tot geloof, zonder dat we de gemeente binnenleiden in de schriftuurlijke beleving van het geloof. En zo'n verschraalde prediking maakt op de duur een verschraalde gemeente, waar de Zondagse kerkgang geen gebeuren meer is en waar de gloed van het wonder des geloofs niet meer afstraalt op de buitenwacht.
Waar Woord en Geest samengaan in de verkondiging, daar wordt het woord van Calvijn waar: 'De dienst van God is nergens zo schoon dan daar waar de gemeenschap met God 'geoefend wordt in de gemeenschap met elkander onder de prediking des Woords'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's