Boekbespreking
Dr. C. Graafland, De zekerheid van het geloof. Een onderzoek naar de geloofsbeschouwing van enige vertegenwoordigers van reformatie en nadere reformatie. Herdruk Ton Bolland, Amsterdam 1977; 250 blz. ing. ƒ 29, 50.
Met de schrijver zijn wij verblijd dat zijn dissertatie van 1961 zozeer een gezocht boek is, dat een herdruk gerechtvaardigd bleek. Het thema is en blijft het ten volle waard. Uitgangspunt van de studie is het Calvijnse geloofsbegrip waaraan de auteur a.h.w. de leerlingen en hun volgelingen zowel in het scholastieke als in het praktische en het piëtistische kamp met wisselende uitslag toetst. Hij heeft in de sedert 1961 verschenen Calviniana geen reden gevonden om zijn studie of onderdelen daarvan te herzien, al zou hij bij herschrijving van dit thema t.a.v. het gereformeerd piëtisme een verbreding en t.a.v. de gereformeerde verbondstheologie een verdieping toepassen.
Nu schrijft de auteur in zijn inleiding van destijds, dat hij qua methode uit is gegaan van de geloofsbeschouwing van Calvijn en de latere ontwikkeling vooral in onze vaderlandse theologie is nagegaan, slechts het oog richtend op vertegenwoordigers van de Calvijnse traditie in Duitsland, Engeland e.a. landen, wanneer het noodzakelijk was om de achtergronden te laten zien. Juist op dit punt wil ik hem de vraag voorleggen of niet binnen zijn eerste hoofdstuk over Calvijn hij vergelijkend te werk zou moeten gaan en niet Calvijn op zichzelf, normatief maar nogal geïsoleerd beschouwen doch lijnen trekken naar bijv. de sterk pneumatologisch bepaalde geloofsbeschouwing van Martin Bucer, die nu m.i. ineen wat afgetrokken zin nl. in relatie tot Zanchius bij de kwestie van de infusio ter sprake komt.
Een andere vraag betreft Beza. Graafland gaat op het onderscheid tussen kennis en toestemming in Beza's geloofsbegrip in en concludeert dan dat het in het geloof volgens Beza gaat om het aannemen van de belofte op grond van een wilsdaad, terwijl in de door hem aangehaalde omschrijving het vertrouwen niet wordt genoemd. Ik wil daarbij wijzen op Beza's confessio IV/5 waar hij laat uitkomen dat de cognitio (kennen) tot de fiducia (vertrouwen) voert. Immers - zo zegt Beza - de Heilige Geest graveert in de harten der uitverkorenen een zekere kennis, waardoor bewerkt wordt dat ieder van hen, van zijn verkiezing in eigen hart verzekerd, zich de belofte van het heil in Jezus Christus eigen maakt. Graafland noemt zelf deze omschrijving (blz. 67), doch gaat niet in op de (volg)orde die Beza binnen het geloof aanbrengt: van kennis tot toestemming en tot vertrouwen. Hij ziet er veelmeer een bevestiging in, dat de uitverkiezing ernstiger wordt genomen dan de roeping en de grond van de zekerheid van het geloof wordt verlegd uit het Woord en de belofte van God in het geloof en zijn werkingen zelf. Toch zou ik willen pleiten voor begrip voor Beza's deducties waardoor hij het cognitieve van het geloof als een weg tot het vertrouwen hanteert en daarmee de menselijke toeeigening, de fides qua recht doet wedervaren.
Een derde opmerking betreft de Leidse Synopsis. Graafland omschrijft de disputatie over het geloof, roemt de nauwe aansluiting bij Calvijn wat betreft de omschrijving van het wezen van het geloof en laat het daar eigenlijk bij. Me dunkt was hier nu een schone gelegenheid om eens te gaan vergelijken wat de theologen rond Dordt 1618-19 nu eigenlijk op het gebied van het geloof beweerden. Graafland verwijst even naar Gomarus die de zetel van het geloof in het verstand zocht, en benadrukt dan hoe wil en vertrouwen in de Synopsis tot hun recht komen. Maar reeds de titel van de disputatie (over het geloof èn de volharding der heiligen) alsmede de samensteller, Andreas Rivetus, staan er borg voor dat haar inhoud direkt verbonden is met de strijd rond de Dordtse leerregels en met het augustiniaanse standpunt in die strijd waarin Woord, belofte en roeping niet minder ernstig worden genomen dan de predestinatie. Bovendien is het juist bij Rivet toch zo goed als zeker, dat hij o.a. deze disputatie op deze manier heeft ingericht om antwoord te geven aan een praktische en een piëtistische theologie die op hun beurt de vragen van het geloof en zijn zekerheid in relatie tot leven en hebbelijkheden van de mens aan de orde gingen stellen (Goeters, S. 54ff.).
Kortom, wij zijn dankbaar voor de herdruk van Graaflands boek - die het overigens typologisch tegen de editie van Veenman moet afleggen - en vragen niet naar minder maar naar meer, vooral in dogmen-historisch opzicht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1978
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1978
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's