De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Hoop van de kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Hoop van de kerk

15 minuten leestijd

Openings woord op de jaar vergadering van de Gereformeerde Bond op 24 mei 1978 in de Schakel te Nijkerk.

De opdracht, die mij gegeven is in het drietal onderwerpen van deze jaarvergadering, is wel een heel zware, n.l. om te handelen over de hoop en dat wel naar zijn voorwerpelijke zijde, dat namelijk de HEERE de hoop der kerk is. Nu is de voorwerpelijke zijde van de waarheid de belangrijkste, zonder welke de onderwerpelijke zijde van de waarheid niet kan bestaan. Onze vaderen besteedden twee derden aan de voorwerpelijke waarheid en één derde aan de onderwerpelijk waarheid. Het is niet dan tot onze grote schande, als de leerstellige waarheid bij velen onzer in verachting en in verachtering aan het raken is. God heeft mij mijn leven lang voor moeilijke taken gesteld en op moeilijke posten. Laat mij dan op mijn afscheidsdag van het Hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond mij ook ootmoedig tot deze taak stellen.

De hoop beslaat maar één kolom in een concordantie en daarin is dan vrij wel uitsluitend gedacht aan de hoop van de mens: e wijze, waarmee hij hoopt en het gene, wat hij hoopt. Slechts enkele bijbelteksten geven aan dat God het voorwerp van de hoop is en dat de Heere Christus het voorwerp van de hoop is. Romeinen 15 : 13 zegt: De God nu der hoop vervulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht des Heiligen Geestes'. In Colossensen 1 : 27 lezen wij: Aan wie God heeft willen bekend maken, welke zij de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen, welke is Christus onder u, de hoop der heerlijkheid'. In 1 Timotheüs 1 : 1 lezen wij: Paulus, een apostel van Jezus Christus, naar het bevel van God, onzen Zaligmaker, en den Heere Jezus Christus, Die onze hope is'.

Ook in de dogmatiek wordt de hoop niet als een aparte locus behandeld. Wel wordt in de Heilige Schrift ettelijke malen gehandeld over de werkzaamheid der hoop; dat de hoop niet beschaamt, dat de hoop is een helm der zaligheid, dat de hoop zich richt op het eeuwige leven, dat de hoop is een hope der heerlijkheid, dat de hoop een levende hoop moet zijn, dat de hoop moet geoefend worden, en dat de hoop op God moet vast gehouden worden. Deze en dergelijke werkzaamheden der ziel komen wel veel minder vaak voor 'dan het geloof en dan het geloven, maar zij zijn ons niet te min zeer dienbaar. Het is onder Gods kinderen een zeer bekende en beminde, een begeerde zaak hoop te hebben, een gegronde en goede hoop te hebben in de tijd en voor de eeuwigheid. Al moet ik er bij zeggen, dat in de kerk Gods het heengaan in de hope des eeuwigen levens doorgaans kleiners wordt voor kleinere in de genade, voor de bekommerde kerk.

Toch blijkt voor héél de kerk, zowel bevestigde als bekommerde kinderen Gods, rots vast staan, dat de hoop niet beschaamt. Toch blijft rots vast staan, dat de hoop nooit anders kan gaan dan hand in hand met het geloof en de liefde. Deze drie kunnen zonder elk ander niet gaan en zij zullen ook zonder elkander niet zijn. En wij worden, in welke mate wij genade mogen bezitten, naar des Apostels woord, nooit dan in hope zalig.

De God der hoop

Maar nu dan ons punt: God wordt 'de God der hope' genoemd, van Christus wordt gezegd: 'Die onze hope is', en van de Heilige Geest wordt gezegd, dat door Zijn kracht mensen vervuld worden met alle blijdschap en vrede in het geloven en dat mensen door Zijn kracht overvloedig mogen zijn in de hoop. Gods naam is dan dus onder anderen de God der hope, 'en ook Christus is onze hope'. Het is merkwaardig dat van de drie: geloof, hoop en liefde, als een zelfstandig naamwoord, als een naam, alleen de hoop voorkomt in het Goddelijk wezen: 'De God der hoop, Christus is onze hoop'. Uit God als de Schepper vloeide al het leven en het leven was voor de mens bestemd eeuwig te zullen zijn. Ik denk zelfs dat de dood in heel de schepping niet bedoeld was, maar dat die slechts om der zonde wil in de wereld gekomen was. Aan Adam was in de staat der rechtheid dat eeuwige leven in het werkverbond in het uitzicht gesteld. En daar hebt u de verwachting! Adam had dat eeuwige leven nog niet, maar moest het verwerven. Daar kon hij in den weg der gehoorzaamheid, in het bewaren van het beeld Gods, op hopen. Alle drie de stukken van het beeld Gods waren gericht op die verwachting, dus op de hoop. God had dat niet alleen gezegd, maar God stond daar in Zijn wezen als de God der waarheid garant voor. Daarom mocht de mens dit verwachten, mocht hij daarop hopen. De mens mocht op God hopen, volkomenlijk: God was zijn hoop. Dat lag in het kennen van het beeld Gods. Dat lag in de gerechtigheid van het beeld Gods. Dat lag in de heiligheid van het beeld Gods.

God was naar scheppingsordinantie voor Adam 'de God der hope'.

Dat was God, en dat bleef Hij. Dat lag in Zijn eeuwige trouw. Die heeft geblonken in de wondere barmhartigheid, in het welbehagen Gods, dat Hij toen de mens viel. Zelf voorzien heeft in een tweede Adam: het wonder van alle wonderen, dat Hij Zijn eigen Zoon, Zijn enige en eeuwige Zoon gaf, op dat een iegelijk, die in Hem geloven zou, niet verderven van zou, maar het eeuwige leven hebben. Daar deed God op een wonderwijze Zijn woord gestand, aangaande de toekomst, aangaande de verwachting, aangaande dat eeuwige leven, in het werkverbond in uitzicht gesteld. Zonder afstand te doen van Zijn recht, verbond Hij goedertierendheid en recht, barmhartigheid (zondaarsliefde) en recht en dus genade en recht. Opdat Hij zou blijven de God der hope en er dus hoop, verwachting, eeuwige hoop, eeuwige verwachting zou zijn voor de mens, die zondaar heet. God gaf Zijn Zoon, in uitzicht, in de belofte. Direct reeds aan Adam en Eva, die als eerste kinderen der genade in gingen door de poort van de hoop, in het eeuwige leven. En wij zien de hoop, hand in hand met het geloof en de liefde op de belofte Gods zich voortzetten bij allen, die op de goedertierenheid Gods leerden hopen. Zij erkenden het recht Gods en hoopten op de goedheid Gods: Abel, Seth, Enos, Henoch, Noach in de ganse lijn van het heilig geslacht, dat op God zijn hope leerden stellen. Zo was God en bleef God de God der hope. En dat in een van God afgevallen wereld, die zich in ongeloof, liefdeloosheid en dus hopeloosheid al dieper stortte. Zonder God in de wereld, geen hoop hebbende! Maar God bleef de God der hoop. En al sterker gloorde de morgenster der hoop. 'Daar komt een hoop', zo ruiste het door de oude geslachten. Christus werd die hoop. Hij werd verbonden aan dat toegezegde rijk der heerlijkheid en Zijn naam werd: 'de hoop der heerlijkheid'. Alwat God voorgenomen had aan Zijn schepping te geven, aan de mens te geven, dat kwam in Christus te liggen: al heerlijkheid. In Hem werd toegezegd, in Hem werd gelegd het koninkrijk Gods, het koninkijk der hemelen, dat hemel en aarde omspannen zou. Hij zou eens kunnen zeggen: 'Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde'. Al at Adam bezat: het Paradijs, met zijn God - al wat Adam was toegezegd: het eeuwige leen, met zijn God, dat komt in Christus in het erschiet. Dat krijgt straks in Christus gestale, zo dat Hij zeggen zal: 'Het koninkrijk Gods s nabij gekomen, het koninkrijk Gods is binnen in u lieden'. En als Hij gekomen is, dan gaat Hij met een moordenaar in in het Paradijs en dan zegt Hij tot Zijn discipelen: 'Ik verordineer ulieden het koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft’. En daar zegt Paulus het wel in een pastorale brief, die dus voor de kerk der eeuwen, namelijk voor de kudde van de goede Herder bestemd is Zijn naam uit ten volle: 'de Heere Jezus Christus... Die onze hope is’.

Zo draagt God de Vader de eens in het Paradijs gegeven belofte door de geslachten van het Oude Testament heen en Hij blijft de belovende God, altijd maar weer de 'God der hope'. En deze hoop, die God geeft, deze hoop, die God voedt een onderhoudt, ontwikkelt zich in een al maar rijker beloftenstelsel. Het Oude Testament put zich uit om het beloofde heil in de Messias die komen zou, voor te stellen en uit te stallen. De vrouwen uit het Oude Testament hebben van verre Zijn dag gezien, hebben het geslacht, waaruit Hij komen zou, voor zich getekend gezien, hebben Zijn persoon en de ambten, die Hij bekleden zou voor zich gesteld gekregen. Zij hebben Zijn koninklijk rijk, Zijn profetische voorzeggingen en Zijn priesterlijke arbeid als voor hun ogen geschilderd gekregen. Zodat zij niet alleen Hem van verre gezien hebben, maar ook Zijn dag. Zijn heil. En op het spoor, dat de belofte trok door die geslachten der eeuwen heen, hebben zij al dat heil gemaakt. De hoop der belofte bleek ook voor hen geen ijdele, geen ledige hoop te zijn, maar zij hebben met Abraham zich in dat heil verheugd. Zij hebben dat gesmaakt, geproefd, genoten, ten volle, en zij hebben in die belofte vrede gevonden bij die God, Die de God der hope was, en is, en zijn zal. Niet alleen Abraham, maar ook allen, die onder het Oude Verbond een zelfde geloof geoefend hebben die hebben in die hoop geleefd, zij hebben óp die hoop geleefd. De hele bondssluiting op Sinaï met de instelling van de dienst der verzoening in de tabernakel en heel de priesterlijke bediening heeft de hoop, die God gaf, gedragen door de woestijnen al de eeuwen, dat de tabernakel en later de tempel te Silo, bij Obed Edom en te Jeruzalem midden onder Israël gestaan heeft: één machtig teken van de hoop, één rijke bediening der hoop! God droeg Zijn eens gegeven belofte, veelvoudig door Israël geschiedenis. En deze hele dienst der verzoening was één onderstreping van de door God eens gedane belofte, was één onderstreping van al de beloftes, die door profeten telkens gedaan werden en deze hele dienst der verzoening verlevendigde de loop en deed in een stille vrede genieten de vrede Gods en deed ook die oude geslachten in gaan in de hope des eeuwigen levens, waarvan vele psalmen het getuigenis aflegden. En ook het Oude Testament hield door eschatologische profetieën de hoop op een uiteindelijk vrede rijk, waarin de wolf met het lam, de luipaard met de geitebok, het kalf en de jonge leeuw en het mestvee te zamen zouden zijn. De God der hope liet Zijn gemeente ook toen niet onkundig van vrede dragende bergen en ruisend koren en van niemand, die leed deed op de ganse berg van Gods heiligheid.

Alzo God, de Vader, de God der hope!

Middelaar der hoop.

Meldt ons de Schrift in 1 Timotheüs 1 : 1 van de Heere Jezus, Die onze hope is, dan wees heel het Oude Testament van Genesis 3 : 15 af op Hem. Beschouwen wij nu Hem als de Middelaar der hope! De Middelaar der hope is de Heere Christus geweest van zijn kribbe af, al Zijn zijn op de aarde, en onze hope bleef Hij ook op al de trappen van Zijn verhoging. Als Middelaar is Hij in al onze hulpeloosheid en hopeloosheid ingegaan, opdat Hij ons hoop zou geven in alle omstandigheden des levens en ook op de eeuwigheid. Hopeloos was Zijn komst op de aarde: ergens plaats onder de mensen, terstond werd Hij naar het leven gestaan, zo dat Hij zelfs het land moest verlaten om toevlucht te zoeken in het klassieke land van de vijandschap tegen Israël, Egypte. Toen Hij weer keerde in het land der belofte, was Hij als de Hopeloze in Nazareth in een nederig beroep, bij broederen niet erkend, niet geloofd, straks na Zijn eerste preek uitgeworpen uit Zijn dorp of stad. In de tempel, in 's Vaders huis, belaagd op allerlei manier als zonder hoop! Bij de scharen bemind en weer verlaten: Wilt gij lieden ook niet weggaan? ' Rond om Hem enkele schamele vissers, en voorts een klein kuddeke. Eerder het teken van de hopeloosheid dan van de hoop. Dan tenslotte uitgeworpen van het ganse volk, verlaten zelf van Zijn discipelen en van de aarde verstoten en zelfs van de hemel niet aanvaard, van Zijn God verlaten. Nedergedaald ter helle en alzo overgegeven aan de hopeloosheid. Daar is in de hel niet te hopen, alles te vrezen! Alzo heeft de Middelaar in de staat van de uiterste hopeloosheid de schuld en de hopeloosheid en hulploosheid, waar in de mens geraakt was, willen dragen, willen doordragen, om voor de mens hulp, heil, hoop te verwerven. En daar triumfeert de kerk in Hem, 'Die onze Hope is'. Zo heeft Christus van Zijn kribbe tot Zijn kruis een spoor der hope getrokken voor de mens in al de fasen en omstandigheden van zijn leven. Waar maar de mens geloof op Zijn borggerechtigheid mag oefenen, in welke fase van zijn leven ook, in welke omstandigheid van zijn leven ook, daar vloeit uit Christus hoop, hoop op God, hoop op Zijn beloften, hoop op leven, op het eeuwige leven. Hij is de Hoop der kerk. Hij is de Bron van hoop. En dan hoop, die niet alleen maar op de drempel stelt, maar hoop, die in elke fase van het geloofsleven aan beginnelingen en aan gevorderden hoop geeft. En die hoop beschaamt niet, niet in den tijd, niet in de eeuwigheid. Christus gééft niet slechts hoop, Christus is de hoop van Zijn volk. Voor hun lichaam, voor hun ziel, voor hun burgerlijk leven, voor hun kerkelijk leven. Als zij maar in Hem zijn dan kunnen zij overal zijn: Hij is hun hoop'.

En wat de eeuwigheid betreft: God ontmoe­ten, dat kan voor hen, want zij Zijn in Christus met God verzoend, zo dat er geen zonde of schuld meer tussen hen in de weg staat en zij in Christus geleerd hebben Gode te leven, niet alleen Hem leven als een almachtig God, maar ook Hem leven als een liefhebbend en zeer bemind God en Vader. Hij is hun hoop. Wat de eeuwigheid betreft: Christus is hun geworden van een Bruidegom een Man. 'Ziet Uw maker is Uw man!' Om dan dus met Hem te zijn, met Hem verenigd te zijn, om Hem te leven en uit Hem te leven: dat zal de eeuwigheid zijn - 'die onze hope is'. Dat was God de Vader en onze hoop. De hoop der kerk! Dat was God de Zoon en onze hoop. 'Die onze hope is'. Nu nog komt: de Heilige Geest en onze hoop.

De Heilige Geest en onze hoop.

De uitdrukking: ‘De Heilige Geest onze hoop' komt bij mijn weten in de Schrift niet voor. In Romeinen 15:13 wordt de Heilige Geest genoemd als de Bewerker van de hoop. Wij lezen daar aldus: 'De God ? der hoop vervulle u lieden met alle blijdschap en vrede in het geloven, op dat gij overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht des Heiligen Geestes'. Hier dus niet de hoop als zelfstandig naamwoord, als eigennaam, voor de Heilige Geest! De Heilige Geest neemt het uit Christus en verkondigt dat. Hij zal van Zich zelven niet getuigen, niet spreken. Hij verheerlijkt alleen Christus en de Vader. Niemand kan zeggen Jezus de Heere te zijn dan door den Heiligen Geest.' En door de Geest leren wij zeggen: Abba Vader'. Daarom gaat de Heilige Geest als het ware schuil in de Vader en Zijn werk, in den Zoon en Zijn werk. De Heilige Geest, de Bewerker van het woord, gaat als het ware schuil in het Woord en in de prediking. Als de Heilige Geest wordt medegedeeld aan de Apostelen en aan de Gemeente Gods, dan verhult de Heilige Geest Zich in de gemeente Gods. De Geest woont in de kerk, vervult de kerk van God, van Christus, van Zijn woord. In den hemel zullen de zeven Geesten Gods, dat is de volle Geest Gods, vóór de troon zijn. Daar, waar de gemeente Gods is. Zo kan Romeinen 15:13 zeggen, dat door de kracht des Heiligen Geestes de gemeente overvloedig doet zijn in de hoop. En dat geeft de God der hoop door de kracht van de Geest. Vervuld met blijdschap vervuld met vrede. In het geloven. En overvloedig zijn in de hoop. Ziet dan daar de zegen van de driënige God. De Geest doet ze met al Zijn kracht overvloeien van hoop. Dante moge in zijn 'De inferio' ('Over de hel'), geschreven hebben boven de plaats van het eeuwig verderf: Die hier binnen gaat, late alle hoop varen'. Maar de plaats van het eeuwige leven zal de plaats zijn, waar men eeuwig hopen mag. Eeuwig nieuwe verwachting. Eeuwig nieuwe blijken van, Gods en van Christus' liefde en trouw voor Zijn gemeente, voor Zijn volk. Door de kracht van de Heilige Geest zal men eeuwig zingen, zal men eeuwig danken zal men ook eeuwig hopen. En die hoop wordt hier, in de kerk op de aarde, reeds geschonken, overvloedig geschonken en beoefend, naar de mate des geloofs. En dat door de God der hope, door Christus, die onze hope is, en dat door de kracht des Heiligen Geestes!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1978

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De Hoop van de kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1978

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's