Wordt echtscheiding gepropageerd?
Ingezonden
Een reactie op het artikel van ds. A. van Brummelen, in de Waarheidsvriend 4 mei 1978: 'Ambtelijke zorg voor het gezin'(2).
Geachte ds. van Brummelen.
Met aandacht heb ik uw artikel gelezen in de Waarheidsvriend over het gezin en de ambtelijke zorg, die daaraan dient te worden besteed. Dat daarmede een ongelooflijk breed terrein van problemen wordt betreden, beseft uzelf zeer goed; en dat er veel meer te zeggen zou zijn dan u deed in uw artikel, spreekt voor zichzelf: het was ook niet uw bedoeling van alles overhoop te halen, - maar het probleemveld te beperken tot de vraag naar de bedreiging en bewaring van het gezin. Toch had ik ondanks deze begrijpelijke beperking - meer verwacht; dit tweede artikel was door u als slot bedoeld, en het speet me geen vervolg te krijgen; met name speet mij dat ook voor de gezinnen in de gemeenten waar u voor schrijft. Omdat de kwesties, die u aansnijdt zo in het centrum van de praktisch-theologische discussie staan, lijkt 't me niet verantwoord het bij deze twee artikelen te laten. Hopelijk zal dit schrijven voor u een aanleiding vormen, om opnieuw in de pen te klimmen, en de aangestipte problemen verder uit te werken. In uw artikel beperkt u de bedreiging van het gezin tot de vragen rond de echtscheiding; in onze 'geref. bond's gezinnen' - als ik dat zo even mag aanduiden - komt gelukkig (nog) weinig echtscheiding voor; of daarmee evenredig veel huwelijksgeluk correspondeert, is overigens een vraag, die zich niet direkt laat beantwoorden. Uitgaande echter van het gering aantal echtscheidingen in onze kring, bevreemdt het me dat u de vragen rond huwelijk en gezin laat samenkomen in het probleem van de echtscheiding. Waarschijnlijk staan onze gezinnen door andere moeilijkheden onder (hoog)spanning; te denken valt aan het generatieconflict, dat zich in de jaren '50 en '60 heeft aangediend en dat, eerst buiten de kerk, nu ook in eigen kring voelbaar is geworden. Ik denk nu echter niet zozeer aan het autoriteitsconflict als zodanig, maar aan het conflict dat ontstaan is als gevolg van direkte confrontatie van onze jeugdigen met gedachten en vragen uit een godsdienstig klimaat, dat hen van huis uit vreemd is. Onze jeugd is daardoor aan het veranderen, - men kan dit betreuren, maar dat feit blijft; veel van hun waarheden op godsdienstig terrein lopen niet meer parallel met die van hun ouders en achter veel vastigheden wordt door hen op z'n minst een vraagteken gezet. Door uw eigen contact met jeugdigen zult u zich hier ook wel van bewust zijn. Het conflict wordt nu gevormd dat de ouders met meer of minder overtuigingskracht proberen hun kinderen bij de overgeleverde waarheid te behouden, dat die kinderen zich uiterlijk wel identificeren maar innerlijk toch achterop raken, gezien het feit dat een niet gering aantal van diezelfde kinderen op 17/18 jarige leeftijd het wel voor gezien en gehoord houden, emotioneel vervreemd raken van het ouderlijk huis en dat onbegrepen, mokkend, dan wel met veel bonje verlaten. Dat een dergelijk conflict ook z'n oorsprong kan hebben in een verschillen van leef-gewoonten, dat met het verschillen in godsdienstig beleven samenhangt, laat ik hier verder onuitgewerkt; talloze praktijkgevallen komen u hier waarschijnlijk voor ogen, en uit eigen ervaring zult u wel weten met hoeveel droefenis dergelijke breuken in het gezin gepaard gaan. Gezien het escapade-karkater van deze breuken, valt in overweging te nemen of het godsdienstig- en leefklimaat voor veel jongeren niet te benauwend is, en te weinig ruimte laat voor persoonlijke groei, ontdekking en ontwikkeling.
Het lijkt me wenselijk dat u op dit probleem terugkomt, en in een volgend artikel zo een discussie in onze gemeenten en gezinnen tot stand brengt voordat die discussie niet meer hoeft; u zoudt er vele gezinnen een grote dienst mee bewijzen.
Nu over naar het eigenlijke onderwerp; u schrijft dat de geest van het moderne denken zonder meer de echtscheiding propageert. Dit denken, door u als nuttigheidsdenken aangemerkt, zou ook ten grondslag liggen aan de vernieuwde wet op de echtscheiding (sinds 1970). Met u ben ik van mening, dat het principe van persoonlijk nut en welzijn in veler levens een uitgangspunt is geworden. 'Recht hebben op' kan voor een christen nooit uitgangspunt van leven zijn: integendeel, het maakt mensen juist onbekwaam om met problemen om te gaan, die met het huwelijk als zodanig gegeven zijn. Geheel pijnloos samen mens-zijn is een mythe, die slechts tot schade van persoonlijke rijping in stand wordt gehouden. Tot zover dus accoord.
Ik heb echter moeite met de stelling in zijn algemeenheid, dat het moderne denken de echtscheiding propageert. Ik ken geen enkele wetenschappelijke publikatie, noch op modern-theologisch terrein, noch op psychologisch terrein, dat zonder meer de echtscheiding aanprijst als oplosmiddel van huwelijksen daarmee gepaard gaande levensnood. In de mij bekende literatuur op dit punt wordt steeds gewezen op het trauma, dat echtscheiding toebrengt aan de huwelijkspartners zelf en aan de eventuele kinderen, voor wie het huwelijk van de ouders het 'Psychische fundament is waaropzij staan'. - Kort gevraagd: waar liggen uw bronnen op dit punt? Voor de lezer is dit misschien een randkwestie, maar gezien de draagwijdt van de stelling geen overbodige vraag.
Dat de wetgeving is veranderd t.a.v. de echtscheiding acht u een kwalijke aanpassing aan het nuttigheidsdenken dat sinds 1965 het geestelijk klimaat zou bepalen. Ik zou er op willen wijzen dat reeds ver voor dit jaartal gesproken is over de verruiming van de echtscheidingsgronden. Aanleiding daartoe bestond in het feit, dat het 'overspel-motief' uit de oude wetgeving veelal misbruikt is en als de 'grote leugen' algehele beruchtheid verworven heeft. Daarom is reeds vlak na de oorlog een brede discussie op gang gekomen om deze praktijken op een zijspoor te krijgen. Te denken valt aan de inaugurale rede van W. F. de Gaay Fortman in 1947, die het pleit voerde voor de opneming van 'onheelbare tweespalt tussen de echtgenoten' als vijfde echtscheidingsgrond. Ook het in 1952 verschenen Herderlijk Schrijven van de Generale Synode van de Ned. Herv. Kerk betreffende het huwelijk wijst in deze richting: Als richtlijn wordt aangegeven dat de overheid echtscheiding slechts zal toelaten in die gevallen waarin van een grondige ontwrichting van het huwelijk is gebleken, tengevolge waarvan de instandhouding van dat huwelijk voor een echtgenoot of voor beide partijen ondraaglijk is geworden. Het schrikbarend toenemen van het aantal echtscheidingen - hetgeen u zelf ook signaleert - is overigens niet direkt in verband te brengen met deze vijfde, en thans enige, echtscheidingsgrond; een dergelijk verband aan te tonen zou wetenschappelijk gezien wel eens een onmogelijke opgave kunnen zijn. Zeer waarschijnlijk is hier iets anders in het geding: het huwelijk in de 19e eeuw heeft zich langzaam maar zeker ontwikkeld van een zakelijke overeenkomst tot een meer persoonlijke, existentiële relatie, waardoor in onze eeuw de verwachtingen van veel jonge mensen met betrekking tot het huwelijk aanzienlijk hoger zijn komen te liggen; en waar persoonlijke verwachting hoger is, treedt des te sneller teleurstelling en frustratie op. Een zakelijke overeenkomst, zei ik: dan bedoel ik die huwelijken in het verleden, waar geld met geld, stand met stand, en koeien met koeien trouwden. En dat alles dan ingebed in een vast sociaal-cultureel patroon waar de sociale controle uiterst streng was. Hoeveel huwelijksverdriet hier achter is schuil gegaan (en helaas nog wel gaat), is moeilijk te onderschatten. Een ding is duidelijk: ondanks dat vele verdriet ging men niet uit elkaar, de schande vrezend waarmee familie en kennissen hen zouden overladen; en zo ging men samen door tot het bittere einde, dat inderdaad bitter was door onderling kleineren en wederzijdse treiterpartijen, waar diezelfde familie en kennissen van achter hun horren zich over zaten te verkneuteren. U spreekt over handhaving en verdieping van goede oude waarden; maar ik veronderstel dat ook u niet terug wilt naar dergelijke wantoestanden.
Ik wil met dit laatste geen propaganda maken voor de echtscheding; dat zij verre. Maar ik wil wel voor meer begrip pleiten voor al diegenen in onze gemeenten, die met hun huwelijksnood zitten opgesloten binnen de muren van spijkerhard onbegrip, sociale dressuur en pastorale onduidelijkheid.
Wat die onduidelijkheid betreft, - daarover mijn laatste opmerking en vraag.
U schrijft over echtscheiding, en u wilt als predikant uw steen bijdragen waar het gaat om de bewaring van het gezin voor deze bedreiging. U wilt dat doen door vernieuwde invoering van het Bijbelse denken d.m.v. catechisatie en de catechismuspreek; en door het geven van het persoonlijke voorbeeld, - u noemt dan, met name de meisjes en vrouwen in onze gemeenten. Allemaal accoord - alhoewel het fair is om dan ook de jongens en de mannen op te roepen tot het geven van het goede voorbeeld. Wat u dan bedoelt met vermanlijkte vrouwen en vervrouwlijkte mannen, ontgaat me echter geheel. U moet zoiets niet schrijven, wanneer u niet duidelijk maakt wat u daarmee bedoelt; door dergelijke vaagheid krijgen allerlei vervelende suggesties een kans.
Waar ik u echter veel duidelijker had willen zien, is op het volgende punt; u bekritiseert de toename van echtscheidingen en het daaraan gekoppelde nuttigheidsdenken. Maar het zal ook in uw pastorale praktijk wel voorkomen dat u een echtpaar aantreft wier huwelijk gestrand is; ik bedoel nu een situatie waar twee christen-mensen uit onze kring alles hebben gedaan wat in hun vermogen ligt, om hun huwelijk voor Gods aangezicht gestalte te geven. Ze staan echter voor een volkomen nederlaag in dit opzicht. U zult misschien zeggen - wijzend op het gezin van Naomi, Boaz en Ruth - de verwachting van de Heere Christus geeft hoop en geneest alles. Maar zoals een zieke met zijn ziekte blijft tobben ondanks gebed, zo zal ook in een huwelijk de nood niet altijd overgaan. - Mijn vraag aan u is nu deze: indien door een dergelijk echtpaar uw pastorale hulp wordt ingeroepen, - zoudt u dan bereid zijn met deze twee mensen tot het einde toe de weg te gaan, óók als zou blijken dat die weg leidt tot een echtscheiding? Of zoudt u zich als predikant van uw pastorale taak ontslagen weten, indien heling van de breuk niet intreedt? Anders geformuleerd: verstaat u het als uw pastorale taak in alle gevallen altijd te blijven lijmen tot de scherven weer aan elkaar zitten, of gaat u met deze mensen op weg, niet wetend waar u komen zult? U bent aanwezig wanneer twee (zondige) mensen huwen voor Gods Aangezicht, - bent u er ook bij wanneer diezelfde mensen tot een definitieve breuk komen?
- Gaarne lees ik uw commentaar op deze kwestie, en op andere, die aan de orde kwamen. Uiteraard publiekelijk, dwz in een artikel in de Waarheidsvriend. U zoudt er velen een dienst mee bewijzen, en het zou uw persoonlijke (ambtelijke) zorg voor het gezin nog eens onderstrepen.
Hoevelaken, mei 1978
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's