Eigenlijk niet goed te begrijpen
Vrijzinnigen en de Bijbel
Dezer dagen las ik, dat dr. C. Rijnsdorp in een recensie schreef, dat wie zijn eigen kring - hij bedoelde dit voor de orthodoxie - voor inteelt wil behoeden vooral boeken uit andere kring moet lezen. Velen, zo zei hij, lezen alleen wat hun naaste geestverwanten schrijven. In deze woorden van Rijnsdorp zit een kern van waarheid. Men blijft gespitst en levendig als men kennis neemt van wat ook anderen schrijven. Nu verschijnt er ongelooflijk veel lectuur. Wanneer ik zie hoevele periodieken wekenlijks - gevraagd en ongevraagd - mijn brievenbus in glijden dan is wel duidelijk hoe gevarieerd alleen al ons Nederlandse godsdienstige leven is. Maar op zich is het hoogst boeiend te zien wat er zoal aan gedachten leeft al zijn bij het lezen de vragen, de ergernissen en de weerstanden er ook niet zelden.
Sommige bladen zijn van dien aard, dat ze er een beetje uitspringen. Ze trekken om zo te zeggen bijzonder de aandacht, al zal een persoonlijke voorkeur van de lezer daar wel in meespelen. Eén daarvan is wat mij betreft het principieel-vrijzinnige maandblad Zwingli, het goed geredigeerde maandblad van de links-vrijzinnigen, die ten tijde van de invoering van de Nieuwe Kerkorde niet met de Ver. van Vrijzinnige Hervormden meegingen, omdat de formulering in de kerkorde, dat de kerk weert alles wat haar belijden weerspreekt doelt op een belijden dat bepaald is 'door de orthodoxe calvinistische traditie en de daarmee onlosmakelijk verbonden ketterjagerij.' (citaat van dr. P. D. van Roijen in Zwingli van 6 juni I.I.). De Zwingli groep is een betrekkelijk kleine groep van nog echte principieel vrijzinnigen in onze kerk, vrijzinnigen zoals er in het begin van deze eeuw veel meer waren. Nu poog ik al jaren te begrijpen hoe deze vrijzinnigen denken en wat hun basis is. En iedere keer lukt het me niet. In het hiervolgende wil ik duidelijk maken wat ik bedoel.
Verdraagzaamheid
Kenmerk voor de vrijzinnigen is verdraagzaamheid, zegt dr. P. D. van Roijen in het al genoemde nummer van Zwingli van 6 juni. Voor goed verstaan geef ik het volgende uitvoerige citaat, waarin van Roijen begint met een citaat van de vrijzinnige ds. Ritzema Bos:
‘Het Goddelijke Mysterie is onze diepste Waarheid. Maar het is er niet om door ons te worden vereerd in napluizing en vastlegging in anderen verketterende domata.
Welnu, orthodoxe Protestanten, Roomsen en communisten menen een waarheid te bezitten, die vastgelegd is in 'anderen verketterende dogmata.' Deze dogmata geven een gevoel van zekerheid en van veiligheid. Wij moeten het zonder deze zekerheid en deze veiligheid stellen. In hun ogen is dit onze dodelijke zwak te. Waar zij een uitroepteken plaatsen, zetten wij een vraagteken. Waar zij verketteren, luisteren wij. Waar zij onverdraagzaam zijn, blijven wij verdraagzaam. Openheid voor en eerbied jegens andersdenkenden kenmerken onze vrijzinnige geloofshouding, omdat wij menen, dat niet één weg met uitsluiting van andere wegen ons dichter bij God brengt. Wel geloven wij, dat ieder mens een eigen weg moet zoeken naar het Godsgeheim. Wij komen op voor het recht van iedere mens, ongehinderd deze weg te zoeken. Welke zijn nu de 'grenzen' van onze verdraagzaamheid? Zodra een kerk of een persoon een medemens dwingen wil, langs een bepaalde weg God te vinden, tekenen wij protest aan. Want geloofsdwang is een doorn in ons oog.'
Waarop berust - zo zegt van Roijen verderde kracht van onze vrijzinnige overtuiging, wanneer men het immers stellen moet zonder de zekerheid en de veiligheid van de orthodoxe leer? 'Wij kunnen - zo zegt hij - alleen maar getuigen van de zekerheid die wij al zoekend zelf verworven hebben.' En wat het geloof betreft: 'de eigen ervaring is het waarmerk der echtheid' (hier raken overigens de uitersten elkaar, v. d. G.).
Duidelijk!?
Men zal zeggen, dat dit alles toch duidelijke taal is. En inderdaad op grond van één en ander hebben de principieel-vrijzinnigen immer verworpen de grote dogmata aangaande de heilsfeiten. En telkens weer legt het blad Zwingli er getuigenis van af, dat men in dit vrijzinnige spoor wil gaan. In Zwingli van 6 juni giet dr. van Roijen de riolen van zijn toorn b.v. uit over ds. C. F. Brüsewitz, voorzitter van de vergadering van de Doopsgezinde Broederschap, die gezegd had dat Jezus bij alles wat hij doet 'het gezag onüeent aan de kracht van de opstanding, de kracht van het leven dat sterker is dan de dood'. Van Roijen noemt deze taal - kennelijk vanwege dit geloof in de Opstanding-'godslasterlijk'. Het is diep droevig -zo zegt hij - dat een van huis uit vrijzinnig theoloog met een dergelijk orthodox en Godslasterlijk getuigenis komt aanzetten in een Doopsgezinde Broederschaps vergadering en dat vele vrijzinnigen onder zijn gehoor dit slikken.' Duidelijke taal! Even duidelijk is voor mij, dat het zelfgetuigenis van de Schrift en ook met het zelfgetuigenis van Jezus met deze ontkenning van de heilsfeiten als de Opstanding volledig terzijde worden gelaten. Het is immers niet voor tweeërlei uitleg vatbaar als Jezus zegt: Ik ben de Opstaning en het Leven, die in Mij gelooft zal leven al ware hij ook gestorven? ' (Joh. 11 : 25).
Bijbel en ethiek
Waarom ik het dan toch allemaal niet begrijp?
Wèl, omdat het blad Zwingli bij penne van dezelfde dr. van Roijen niét-aflatend pleidooien voert voor handhaving van de zedelijkheid in ons land en voor het handhaven van ethische normen en omdat hij zich daarbij herhaaldelijk beroept op duidelijke uitspraken van de Heilige Schrift. En dat is dan iets wat maar moeilijk te begrijpen is gezien de even stellige negering van andere uitspraken van de Schrift met name inzake de heilsfeiten.
In Zwingli van 6 juni gaat dr. van Roijen met name kritisch in op een uitspraak van de eveneens vrijzinnige prof. dr. P. Smits in Kerk en Wereld (het orgaan van de al eerder genoemde Ver. van Vrijzinnige Hervormden), waarin deze zegt, dat het huwelijk één van de vele samenlevingsvormen is en eraan toevoegt, dat het traditionele huwelijksmodel te weinig variaties overlaat in 'de paarsgewijze vorm van samenwonen.' Dr van Roijen acht dat prof. Smits in zijn pleidooi voor in feite alternatieve samenlevingsvormen deze materie lichtvaardig behandeld heeft. Hij zegt:
’Anders dan Prof. Smits acht ik het feit, dat vele paren samenleven zonder huwelijksband, een verschijnsel, dat bestrijding verdient - niet met grote woorden, in drift gesproken - maar met redelijke en zedelijke argumenten. Het goede huwelijk en het hechte gezin zijn de grondslagen van een gezonde samenleving. Laat ons tenslotte niet vergeten, dat Jezus ten aanzien van de heiligheid en de onontbindbaarheid van het huwelijk zich overduidelijk heeft uitgesproken (vgl. Matth. 5 : 27-32; 19 : 3-9). Met deze uitspraken heeft Jezus de grondslag gelegd van een christelijke huwelijkswetgeving. Wie andere vormen van (vaak tijdelijk) samenleven op één lijn wil stellen met ons wettige huwelijk, of onze huwelijkswetgeving zó ruim wil maken, dat modieuze samenlevingsvormen zich ook 'huwelijken' kunnen gaan noemen, die helpt mee aan de zedelijke verwording van ons volk. Zoiets gaat in tegen de geest en de leer van Jezus.’
Welk Schriftgebruik?
Ook dit is duidelijke taal. Ten aanzien van de heiligheid en onontbindbaarheid van het huwelijk heeft Jezus zich duidelijk uitgesproken en huidige modieuze samenlevingsvormen gaan in tegen de geest en de leer van Jezus; zo luidt van Roijens conclusie. We hebben er weinig moeite mee te stellen, dat we in deze dr. van Roijen héél bepaald bijvallen. Maar het is ons ten enenmale onduidelijk welke visie op de Schrift hier toch wel achter mag zitten. De leer aangaande de Opstanding wordt verworpen, alsof dat niet de 'leer' van Jezus zelf zou zijn. En het monogame huwelijk wordt hooggehouden als zijnde in overeenstemming met de 'leer' van Jezus. Als van Roijen enerzijds zegt, dat het kenmerk van de vrijzinnigheid verdraagzaamheid is en hij op grond daarvan pleit voor het zoeken van 'eigen wegen' naar het 'Godsgeheim', waarom is er dan wél opeens sprake van een beroep op de duidelijke uitspraken van de Schrift terzake van het huwelijk? Nogmaals, we onderschrijven dat laatste voor honderd procent maar vragen toch in gemoede waaraan principieelvrijzinnigen dan toch het recht willen ontlenen om terzake van de duidelijke bijbelse uitspraken aangaande de heilsfeiten, met name ook van de Opstanding andere wegen te gaan. Dat lijkt immers inconsequent; sterker nog dat is inconsequent. En daarom zette ik boven dit artikel 'eigenlijk niet goed te begrijpen.' Of is het zo dat, datgene wat in de Schrift verstandelijk te doorzien is (zó dus b.v. de institutie van het huwelijk) aanvaard wordt en wat niet te begrijpen is terzijde wordt gelaten, in dit geval dus de Opstanding? Maar welke betekenis mag dan nog het woord geloof hebben? En daarom: begrijpen doe ik deze Schriftvisie niet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's