Poliovaccinatie, geen dwang, maar hulp
Ingezonden
Uw artikel 'Poliovaccinatie, dwang uit den boze' in de Waarheidsvriend van 1 juni onderschrijf ik.Het lijkt mij met het oog op de bezwaarden wel gewenst een aanvullende opmerking te maken. Misschien zijn sommigen er mee geholpen. ,De bezwaarden om des gewetens wil worden niet wezenlijk geholpen, als dwang uitblijft. En nog minder, als die dwang er zou komen, zoals wel bepleit wordt.Wat is de zaak? De bezwaarden zijn evenals hun ouders opgevoed bij de H. Schrift en de Heidelbergse Catechismus en hebben wellicht vraag en antwoord 27 uit het hoofd geleerd: 'Vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede en alle dingen komen niet bij geval, maar van Zijn vaderlijke hand ons toe'.Toen kwam de verzekering. Tegen dit en tegen dat. Geen risico, geen verlies van alle bezittingen door brand, geen dreigend faillissement na een onvruchtbaar jaar. Zeker is zeker.Deze mensen kenden en kennen vraag en antwoord 27 en dat is een goed ding.Trachten wij misschien door ons tegen alles en nog wat te verzekeren Gods slaande hand te ontlopen? Zetten wij ons vertrouwen niet teveel op de materiële dingen en verliezen wij hierdoor God niet uit het oog? Dit gevaar is levensgroot.
De wetenschap schreed voort
Verschrikkelijke ziekten, zoals pokken teisterden het mensdom en eisten veel slachtoffers. Daar trachtte men wat tegen te doen. De koepok-inenting deed intree.
Eén inenting en men is immuun. Geen gevaar meer om die verschrikkelijke ziekte te krijgen.
De overheid stelde deze inenting tot 1922 verplicht en pokken komen in ons land nagenoeg niet meer voor. God heeft de mens grote gaven gegeven.
‘Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen: Alle dingen hebt Gij aan zijn voeten onderworpen' (Hebr. 2 : 7b, 8a).
Maar mag de mens het onmogelijk maken, deze ziekte te krijgen? Is dit niet God willen uitschakelen. Die deze ziekte niet bij geval in de wereld zond?
Er kwam nog wat bij. De koepokinenting was niet ongevaarlijk. In enkele gevallen kregen de ingeënten encephalitis, hersenziekte. Dikwijls met dodelijke afloop. Mogen ouders hun kinderen blootstellen aan de mogelijkheid een dodelijke ziekte te krijgen, zonder directe noodzaak? Daarover werd omstreeks 1920 druk gedebatteerd.
Eerst kwam de vraag: Is het goed, om zich zoveel mogelijk veilig te stellen tegen de moeilijkheden, die ons mensen om der zonde wil kunnen overkomen door verzekeringen? En daarna toegespitst op de vaccinatie de vraag: Mag ik mijn kind onnodig aan levensgevaar blootstellen, uitsluitend om een door God in de wereld gegeven ziekte te ontlopen? Is het vreemd, dat het antwoord veelal ontkennend was en is?
Toen kwam de poliomyelitis, de gevreesde kinderverlamming. En het Salkvaccin in 1955. Want de wetenschap maakte grote vorderingen. De mens kan veel. God heeft de mens grote gaven gegeven, ook na de zondeval.
Ligt het niet voor de hand, om de koepokinenting en het Salkvaccin gelijk te stellen? Als verzekering tegen materieel verlies bedenkelijk is en inenting tegen pokken ook nog levensgevaarlijk, dan is de conclusie eenvoudig. Géén inenting dus. Want dit is naast het God willen uitschakelen ook nog God willen verzoeken. En dus ook geen vaccinatie tegen kinderverlamming.
De Heilige Schrift
En nu een vraag en een voorbeeld uit de Heilige Schrift.
Hebben de bezwaarden zich wel gerealiseerd, dat het Salkvaccin en het suikerklontje geen levensgevaar opleveren? Dit in onderscheiding van de inenting tegen pokken destijds? Als wij ons dit goed indenken, valt een gewichtige reden tegen inenting weg. Er is geen gevaar bij.
En verder, kunnen wij niet geloven, dat het God is, Die alles leidt en bestuurt? Hij zond de ziekte, jawel, maar in ongehouden goedheid gaf de Heere de van Hem afgevallen mens tevens de gave, deze ziekte te bestrijden en soms zelfs te voorkomen.
Is dit noodzakelijker wijze in strijd met de Heilige Schrift?
Een voorbeeld op wat ander terrein. In Gen. 2 : 15 lezen wij: Zo nam de Heere God de mens, en zette hem in de hof van Eden, om die te bouwen en te bewaren.'
Het is duidelijk, toen was er geen ziekte, ook niet onder het gewas en geen onkruid. Maar nadat de mens gevallen was, zei God tot hem:
Zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten, al de dagen uws levens. Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten. In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert...'(Gen. 3 : 17-19).
Er is geen twijfel aan: slechts met grote inspanning zal de mens aan voldoende voedsel kunnen komen. Ziekte, doornen en distelen zullen de mens het leven zwaar maken. Hij moet hard werken voor zijn dagelijks brood. Na de zondeval wordt werken gekoppeld aan het dagelijks brood. 'Wie niet werkt zal ook niet eten.'
Geldt het tot Adam gesprokene ook nu nog?
Ongetwijfeld. God is geen man, dat Hij liegen zou. En zie nu eens om u heen. De arbeider, die vroeger gebukt ging onder zware vrachten, bestaat praktisch niet meer.
Als een koning staat hij nu op de kraan en draait tonnen aan gewicht neer - in een luttel aantal seconden op de plaats waarbij wil. De mens heerst over de machine en de machine , doet het werk. De productie is verveelvoudigd.
Omstreeks 1800 had een dagloner een uur nodig, om met de sikkel één are koren te maaien. In 1850 deed hij er met de zeis een kwartier over, tegenwoordig doet de boer het met paard en maaimachine in twee minuten en met de tractor in nog korter tijd.
In 1948 waren er 110 arbeiders nodig om een volledige volkswagen af te leveren, tien jaren later konden 18 arbeiders hetzelfde presteren in dezelfde tijd.
Zien wij niet, dat de kindersterfte in 70 jaar tot een fractie van 1900 is teruggelopen? Zien wij niet, dat de gemiddelde leeftijd van de mens enorm verhoogd is, dank zij de menselijke arbeid op dit terrein?
De menselijke ratio, een vonk van het beeld Gods, heerst meer en meer over de schepping en dat ondanks de val van de mens!
Het lijkt wel, of de Schepper van hemel en aarde in de vervulling van bovengenoemd Schriftwoord enigermate de vloek van de aarde, d.w.z. van de mens, heeft willen terugnemen! De mens doet nu met veel minder moeite veel meer. En dat enkel en alleen door Gods rijke zegen op Zijn werken en zelfs ondanks het feit, dat het de mens niet goed gedacht heeft, om God in erkentenis te houden.
Hoe gebruiken we de mogelijkheden?
De grote vraag is maar; wat doen wij met de geweldige mogelijkheden, die God aan de mens geeft. Wat doen wij met de meerdere vrije tijd, die ons deel werd? Als wij om ons heen zien, is er reden tot grote bezorgdheid.
Maar als anderen God niet erkennen in de zegen van meer vrije tijd, wat doen wij ermee?
Wordt die tijd in Zijn dienst gebruikt?
Intussen is er niemand, voorzover mij bekend, die stelt: God wil, dat ik in het zweet mijns aanschijns mijn brood verdien en dus weg met machines en hulpmiddelen. God wil, dat ik het moeilijk doe.
Laten wij de poliovaccinatie nog eens bezien, zonder nu te moeten denken aan het levensgevaar bij de inenting tegen pokken in vroegere jaren.
Is er wel verschil tussen het gebruik van het suikerklontje of het innemen van levertraan? Ja zeggen wij, er is verschil. Want het klontje bedoelt de ziekte te voorkomen, de levertraan maakt weerbaar tegen ziekte.
Maar dit bedoelt het klontje toch ook? Weerbaar maken tegen ziekte.
Ja zeggen we dan weer, maar levertraan maakt het gestel sterker, meer niet. En het klontje bedoelt een bepaalde ziekte, de kinderverlamming te voorkomen.
Zou levertraan nooit gegeven zijn om Engelse ziekte te voorkomen?
Laten wij ons biddend afvragen, of wij deze middelen mogen gebruiken in Gods gunst. En in geval van twijfel onthouding, niet doen. Maar laten wij ons ook biddend afvragen, of wij de door God gegeven gaven ongebruikt mogen laten. Met andere woorden, kunnen wij het tegenover Hem verantwoorden als onze kinderen deze ziekte zouden krijgen, zonder de mogelijkheden benut te hebben, die God ons gegeven heeft.
Laten we het met het antwoord op deze vragen niet te gemakkelijk maken. In Psalm 37 : 5 lezen we: Wentel uw weg op de Heere en vertrouw op Hem, Hij zal het maken.'
Een opdracht én een belofte. Laten wij grote ernst maken met de opdracht, ook in deze zaak. Oók als wij nooit hebben getwijfeld en ons aan alle kanten 'zekerheid' verschaften. De Heere maakt ernst met Zijn belofte. Daar komt het op aan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's