Afhankelijk geloof
Leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn. Psalm 61 : 3b
Toen de grote kerkhervormer Maarten Luther overleden was, liet hij, behalve zijn geschriften een klein stukje papier achter. Daarop stonden 6 woorden: 'Wij zijn bedelaars, dat is waar'. Dat was zijn geloofsbelijdenis, de samenvatting van zijn leven.
Diezelfde erkenning komen we tegen in Psalm 61. Het staat vast, dat David dit gebed heeft uitgesproken, toen er een crisis rondom zijn troon was. De koning maakt zich zorgen over het voortbestaan van de dynastie. Stellig heeft dit te maken met de vlucht voor zijn zoon Absalom. U kent de geschiedenis: de zoon liet zich uitroepen tot Koning over Israël. David moest vluchten naar het gebied over de Jordaan. Hij moest zich terugtrekken in een uithoek van zijn rijk. 'Van het einde des lands' vers 3 - ver van zijn hoofdstad, stort hij zijn hart vóór God uit.
Waar maakt David zich zorgen over? Over zichzelf? Over zijn koninklijke waardigheid? Neen, dat alles niet in de eerste plaats. Hij ziet Gods belofte bedreigd. De belofte, die de Heere eens gedaan heeft aan het huis van David. God had immers beloofd, dat Davids grote Zoon eeuwig op de troon zou zitten. David kan er niet meer bij. Zijn huis is tot aan de rand van de ondergang gekomen. De zoon staat op tegen de vader. Zal deze huiselijke onenigheid niet het einde van zijn dynastie betekenen? Dan zal de Messias niet komen. Dan zullen de duivel en de macht der zonde het winnen.
Verkeert u soms ook in zo'n situatie? Bent u aan het eind? Zit de duivel bij u niet stil? Wat u dan moet doen? Uw moede hart in Gods handen leggen. Dat doet David in onze tekst. Dit gebed klinkt als een noodkreet: 'Leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn'. Deze woorden doen denken aan iemand, die in een moeras is terecht gekomen. Hij is de vaste grond onder zijn voeten kwijt geraakt. Door de zuigende modder wordt hij naar beneden getrokken.Hij worstelt om zijn leven. Hij hijgt naar adem. Maar zijn krachten worden al minder. En ja, nu ziet hij in de verte een rots. Hij zou veilig zijn, als hij op die rots zou staan. Helaas, de rots is te ver en te hoog.
Dat is David, de man naar Gods hart. De modder van het ongeloof zuigt. De rots, die hij op het oog heeft, is een symbool van de onwrikbare God. Van Hem zong hij in Psalm 62:
‘In God is al mijn Heil, mijn Eer, mijn sterke Rots, mijn Tegenweer.'
Op die Rots mocht Hij zijn voeten stellen. Vertrouwen was er op de Heere en Zijn Woord. Op dit moment ziet David deze Rots ook wel. Hij weet het: daar moet ik weer bovenop komen. Ik moet mijn voeten weer gelovig zetten op de Rots. Het moet bij mij weer komen tot het vertrouwen op de Heere, Die instaat voor Zijn eigen Woord. Maar ik kan er uit eigen kracht niet bij.
Een afhankelijk geloof. Daarin staat David heus niet alleen. Ik denk aan Abraham. De geboorte van een zoon uit Sara laat lang op zich wachten. Hij raakt aan het eind van zijn vertrouwen. Ik denk aan de vader van die bezeten jongen, die uitriep: 'Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp'. Zet ze even naast elkaar: Abraham, David, die vader. Och, zet uzelf er ook maar naast.
Heeft de H. Geest u de schuldbrief thuis bezorgd? Ontdekt aan uw onmacht ten goede? Hebt u het geleerd om God in Zijn recht gelijk te geven? Dat deed u niet zomaar. Dat is een hele strijd. Want een mens wil zomaar niet voor een goddeloze versleten worden.
Ja, denkt u, ik mocht met Pinksteren er ook iets van zien, dat in Christus voor mij het behoud ligt. Vergeet dan niét, dat u kind moet blijven. Zo afhankelijk en aanhankelijk. Veel leren. Nog meer afleren. Uw blijdschap kan voorbij zijn. Uw leven kan één moeras zijn. 't Is zo aangevochten en bestreden. De duivel komt er tussen met zijn handen en probeert mij uit Gods handen te halen. En ik vraag me af: Zal ik nog omkomen?
Weet u, waar het ons van nature aan ontbreekt. Aan geloof. Aan handen om het Woord van God aan te pakken, om het aan te nemen. Mijn vlees bedenkt telkens vijandschap tegen God. Mijn hart wil niet geloven. Kom, u ziet toch niet neer op David? Het moet toch ook ons belijden zijn: Het geloof, dat in oqs hart werd geboren, hebben we niet van onszelf, het is een gave Gods. Hij alleen kan het in stand houden. Dat gebed van David is ons uit het hart gegrepen: 'Heere, leid mij op de rotssteen, die voor mij te hoog is'.
De rots is te hoog om zelf te beklimmen. De Heere moet mij bij de hand nemen.
Doet God dat? Zeker. Hij kent het trekken van uw hart. Dat heeft Hij er Zelf in gelegd. In deze psalm komt duidelijk naar voren, dat de Heere David antwoordt op zijn klacht. Het licht breekt door in zijn binnenste. De Heere versterkt hem rnet kracht in zijn ziel. Het verleden komt in zijn herinnering: de Heere was steeds zijn schuilplaats. God bood hem veiligheid tegenover de vijanden. En zo breekt de zekerheid door, dat hij straks de Heere zal mogen loven en prijzen voor de wonderen van Zijn hand. De dag zal aanbreken, dat hij in de tempel te Jeruzalem de Heere dankoffers zal brengen. De kracht van God is neergedaald op de zwakke Dayid. De Heere deed hem staan op de rotssteen.
Dat wil Hij ook bij u doen. Hij wil uw voeten weer vast maken op de rots van Zijn beloften. Hoe moeilijk uw omstandigheden ook zijn, midden in de strijd wil Hij vastheid geven. Hij voltooit, wat Hij bij Zijn kerk is begonnen. U hoeft niet tot God, de Rotssteen, op te klimmen. Door Zijn goede Geest komt Hij tot U. Hij zal Zijn trouw heerlijk maken en nooit toestaan, dat Zijn eer wordt gekrenkt. Dan bidden we met David: 'Leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn'. Heere ik kan er niet bij. Maar Uw werk, houd dat in stand. Of hebt u nooit ondervonden, dat God de Trouwe is? Was er nooit de verwondering: Zoveel trouw van Zijn kant tegenover zoveel ontrouw van mij? Bent u daar nog nooit klein onder geworden?
Als de liefde Gods in uw hart door de H. Geest werd uitgestort, verstaat u het: Alleen door de trouw van de Heere kan ik de drempel van het Vaderhuis halen.
Bedenk het wel: Hij is de Rotssteen. Even onveranderlijk als Zijn trouw, is ook Gods oordeel over het ongeloof. Aan het eind van onze aardse loopbaan zullen we niet kunnen pronken met onze gelovigheid, met onze voortreffelijkheid.
’t Is zoals Luther schreef: 'Wij zijn bedelaars, dat is waar'. Maar ook bedelaars, die dagelijks moeten en mogen kloppen aan de poort van de vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog: 'Leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn'. Wie roemt, roeme in den Heere.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's