De begrafenisdienst
(2)
Het misbruik heft het rechte gebruik niet op. Zo luidde een van de laatste zinnen uit een vorig artikel. Aan de orde kwamen daar de bezwaren die in onze gereformeerde traditie gekoesterd zijn tegen de lijkpredikaties. Deze bezwaren waren beslist niet ongefundeerd. We zullen er goed aan doen ons er door te laten waarschuwen. Ook in onze tijd wordt nog wel eens de gedachte geuit dat eén van de diepste bedoelingen van de rouwdienst zou zijn het toevertrouwen en aanbevelen van de dode aan God. Deze gedachte is beslist een ontoelaatbare grensoverschrijding - immers, wanneer de Heere een mens eenmaal heeft weggeroepen van zijn aardse wachtpost, is er onzerzijds niet meer de taak, ook niet de mogelijkheid de overledene alsnog Hem aan te bevelen. Ook is het nog altijd noodzakelijk de waarschuwende stem van 'onze vaderen' goed tot ons te laten doordringen, wanneer zij wijzen op het gevaar van mensverheerlijking. 'Over de doden niets dan goeds' mag in zekere zin een goede stelregel zijn - zij mag intussen ook grafredenaars niet alle werkelijkheidszin uit het oog doen verliezen. En zeker de dienaar van het Woord of ouderling is niet geroepen in het sterfhuis of bij het open graf de loftrompet van de godsdienstige, begaafde of goedhartige overledene te steken - hij late enkel het Woord spreken. Dat zet de mens op zijn plaats als gras dat heden is en morgen in de oven geworpen wordt, maar geeft de eeuwige God alle eer.
Het rechte gebruik
Waarschijnlijk zal ik weinig bestrijders vinden wanneer ik stel dat het niettemin een zegen is, dat de gewoonte zozeer is ingeburgerd rondom de begrafenis een Woord-dienst te houden. Al wordt deze ambtelijke taak van bijzonder gewicht nog altijd met slechts stiefmoederlijke aandacht bedeeld in de huidige Kerkorde van de hervormde kerk als ook in het dienstboek. Het Woord van God werpt licht over het begin van dit aardse leven, maar ook over het einde. Juist daar waar alle menselijke stemmen verstommen - in het aangezicht van de dood - legt de Schrift zo'n klaargetuigenis af. Het is een zeer belangrijke kant van het pastorale werk zieken te troosten, stervenden te begeleiden, rouwenden bij te staan en heel de gemeente aan te spreken bij de aangrijpende werkelijkheid van het sterven.
Vormgeving
Er kan bepaald niet gesproken worden van een duidelijke en goed gemotiveerde vormgeving van de wijze waarop de Woordbediening rond het overlijden gestalte krijgt. Voor zover ik kan zien is er een grote verscheidenheid onder ons in dit opzicht. In sommige gemeenten wordt de begrafenis door de predikant alleen geleid, in andere gemeenten is het gebruikelijk dat ook een ouderling ambtelijk tegenwoordig is en nogal eens de zogenaamde 'nabegrafenis' leidt. Het komt weinig voor dat er bij ieder overlijden binnen de gemeente een rouwdienst in de kerk wordt gehouden. Is dat het geval, dan is er sprake van een voluit ambtelijke dienst waar (net zoals bij een huwelijksbevestiging) in principe heel de gemeente verwacht wordt. Vaak zal het in de praktijk zo zijn dat er slechts in heel bepaalde gevallen een rouwdienst wordt gehouden: wanneer de overledene een vooraanstaande plaats innam in het burgerlijk en/of kerkelijk leven, wanneer hij ambtsdrager was enzovoorts. In weer andere gemeenten wordt nooit een rouwdienst gehouden in het kerkgebouw. Dikwijls valt de kerkelijke begrafenis in twee delen uiteen. Er is eerst in het sterfhuis of in een kerkelijk gebouw een samenkomst die een meer intiem karakter draagt. Aanwezig is slechts de familie, 'de huisgemeente', en enkele goede vrienden en kennissen van de overledene die een speciale uitnodiging hebben ontvangen. In deze betrekkelijk kleine kring wordt dan gelezen, gemediteerd en gebeden. Vervolgens wordt er ook op de begraafplaats gesproken - in de aula óf in de open lucht bij gebrek aan zo'n gebouw - nu voor een bredere kring. Allerlei mede-dorpsbewoners (in de steden is dit alles minder van toepassing), ook buren die tot een andere of tot geen enkele kerk behoren, geven van hun belangstelling en meeleven blijk door op het graf en in de aula aanwezig te zijn. De predikant krijgt hier dus nogal eens een zeer gemêleerd gezelschap onder het gehoor. Een probleem is al met al het karakter van het werk dat hij doet. Hij spreekt in zo'n aula toch niet voor de gemeente des Heeren - de begrafenisdienst in de aula geeft hem niet de mogelijkheid tot voluit ambtelijke verkondiging. Richt hij zich tot de bedroefde familie, dan spreekt hij een stichtelijk woord, zoals hij dat ook al eerder in die familiekring gedaan heeft. Richt hij zich tot de omstanders, dan houdt hij een evengelisatietoespraak, zoals hij dat op iedere willekeurige straathoek zou kunnen doen. Als predikant is hij met een bepaalde plaatselijke gemeente verbonden - men zou dus kunnen zeggen: in zijn persoon is de gemeente present gesteld (wat nog veel sterker geldt wanneer een ouderling hem begeleidt). Toch blijft het onbevredigende van deze gang van zaken dat er geen samenkomst van de gemeente zélf wordt gehouden waarin de rouw voor Gods aangezicht wordt gebracht en het Woord zich uitspreekt over dood en leven. Dit bezwaar wordt wel enigszins ondervangen door het gebruik 'de rouw in de kerk te brengen' op de zondag na de begrafenis. Er is echter met goed recht een pleidooi te voeren voor de voluit kerkelijke en ambtelijke begrafenisdienst. Prof. dr. W. H. Velema heeft enige jaren geleden zo'n pleidooi inderdaad gevoerd in 'Theologia Reformata'. Ik doel hier op een artikel getiteld 'Overwegingen rond de begrafenisdienst' uit de 12e jaargang van genoemd tijdschrift, blz. 124-134 (1969).
Uit een artikel van Velema
In genoemd artikel stelt Velema ondermeer: de hele praktijk van het christelijke begraven is onbevredigend. In het bijzonder is het te laken dat nu eens wel, dan weer niet een kerkelijke rouwdienst wordt gehouden. Beter zou het zijn dat het houden van een rouwdienst waarin de gemeente belijdend voor Gods aangezicht treedt, regel werd. Er blijve dan overigens ruimte over voor uitzonderingen - bijvoorbeeld wanneer de predikant bij buitenkerkelijken wordt gevraagd. Ook sluit het bijeenroepen van de gemeente in de rouwdienst niet uit, dat de predikant als pastor eerst in de familiekring een kort, meer persoonlijk getint woord heeft gesproken, waarin ook aan het leven van de overledene enige aandacht kan worden geschonken. Velema voorziet dat het meer en meer gebruikelijk zal worden dat de familie de dode in alle stilte begraaft. Maar dan is het juist om de band met de gemeente tevoren in der kerkdienst tot uitdrukking te brengen. De samenkomst van de gemeente in de begrafenisdienst zal in een gesaeculariseerde wereld een teken van geloofsverwachting kunnen zijn. Tegenover het negeren van de dood (zoals in onze huidige samenleving gebruikelijk), stelt de gemeente het geloof in het Leven dwars door de dood heen, belijdt zij het geloof in de God Die leeft en waarachtig leven geeft. In bovenstaande zinnen poogde ik slechts enkele lijnen uit het betoog van Velema weer te geven. De belangstellende lezer raadplege het artikel zelf. Het laatste woord is met deze overwegingen wel niet gezegd - maar zij verdienen rheer bezinning uit te lokken dan tot dusver is geschied (voor zover ik kan zien). Een voor de hand liggend bezwaar tegen het weergegeven betoog is de praktische moeilijkheid: hoe is de gemeente of in ieder geval een representatief deel van de gemeente bijéén te roepen, telkens wanneer eén uit haar midden is overleden? Maar dit praktische bezwaar heeft niet de kracht een principieel getint pleidooi zomaar van de tafel te vegen. Anders zou ten aanzien van de kerkelijke huwelijksbevestiging ongeveer hetzelfde kunnen worden gezegd. De gemeente komt in deze diensten toch ook slecht op en beseft nauwelijks meer dat zij er verwacht wordt? Maar de oplossing is dan toch niet daarin te vinden dat bruid en bruidegom maar in een samenkomst van alleen de bruiloftsgasten een zegen over hun huwelijk moeten vragen. Er moeten andere wegen worden gezocht om de aanwezigheid van de gemeente praktisch mogelijk te maken. En vooral: de gemeente moet in de prediking telkens indringend bepaald worden bij de roeping tot en de werkelijkheid van de gemeenschap der heiligen. Het gebed rijze maar veel op tot de Heilige Geest om liefelijkheid en samenbinding binnen de gemeente, zodat het meer beleefd worde wat het inhoudt blij te zijn met de blijden en bedroefd met de treurigen, elkanders lasten te dragen en mede te lijden (dat is veel méér dan medelijden hebben) met het lid dat, lijdt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's