De voet op de rem
De Hervormde Kerk en de oecumene
Op de laatstgehouden Hervormde synode kreeg het vraagstuk van de oecumene ruime aandacht. In de eerste plaats lag ter tafel het jaarverslag 1977 van het zogeheten 'Hervormd beraad over de verhouding tot de Rooms-Katholieke Kerk'. In de tweede plaats lag er een nota 'De gemeente als smidse voor de oecumene’.
In de laatstgenoemde nota wordt gesteld, dat de Hervormde Kerk iets van haar oecumenische opdracht tracht waar te maken en dat ze daarom lid is van de Wereldraad van kerken en van harte meedoet aan projecten, die vanuit de wereldraad werden opgezet. Maar ook 'thuis' zo wordt gezegd moeten we met de oecumene bezig zijn, want het hart van het kerkelijk leven klopt in de plaatselijke gemeenten en parochies'. De plaatselijke oecumene behoort stimulerend te werken op bovenplaatselijke (dus landelijke en internationale) ontmoetingen. De gemeente moet 'smidse van de oecumene' zijn, de plaats waar het vuur wordt aangeblazen. Tien jaar geleden - zo vervolgt de nota - leek het alsof de nederlandse christenheid snel naar een grotere geestelijke en ook organisatorische eenheid toe zou groeien. 'Vooral de stormachtige ontwikkelingen binnen de Rooms Katholieke Kerk hadden een stimulerend effect en leken het eenwordingsprpces te versnellen.' Maar (nog steeds over deR.K. kerk) 'de vaart is er een beetje uit. De voet kwam op de rem. Hoopvolle ontwikkelingen kwamen tot stilstand, enthousiaste voortrekkers werden teleurgesteld.
Kennelijk is die voet op de rem iets, dat de hele kerk raakt want - zo wordt gezegd - ' niet alleen vanuit de behoudende hoek werd het proces van toenadering ongunstig beïnvloed, ook de meer vooruitstrevenden lieten verstek gaan’.
Na deze typering van de oecumenische windstilte wordt de vraag gesteld waaraan een oecumenische gemeente te herkennen is. Het rapport geeft vier punten: het geloofsgesprek mag niet ontbreken ('is er echt sprake van eenheid in Christus? '); er moet gastvrijheid zijn; Gods 'elite' mag niet vergeten worden (in navolging van de Wereldraadassembléé van Nairobi worden dan genoemd de gehandicapten en de vrouwen) en er moet niets gedaan worden buiten de ander om (conciliariteit heet dat met een vreemd woord). Eén en ander wordt dan in het rapport (waarvan de stijl niet voor de koude bakker is, zo merkte oud. R. A. van Oosten in verband met de moeilijke leesbaarheid op) uitgewerkt naar 'Samen-op-Weg', de Rooms Katholieke Kerk, kleine kerken als de Remonstrantse en de Doopsgezinde broederschap, en de experimentele oecumene (de zogeheten kritische gemeenten).
Discussie ter synode
In de discussie over dit rapport stelde ds. J. Vroegindewey (Emmeloord), dat in het oecumenisch bezig zijn de vier punten uit Handelingen 2 de nadruk dienen te hebben: volharding in de leer, de gemeenschap, de breking des broods en de gebeden. Verder vroeg hij of vanuit onze kerk niet duidelijker de middelgrote kerken van gereformeerde signatuur in het oecumenisch gesprek betrokken zouden moeten worden (de Christelijke Gereformeerde Kerken e.a.). Ds. L. C. Baljé (Breukelen) stelde, dat wanneer Hervormden en Gereformeerden samengaan, zich de verontrusten, de Gereformeerde Bonders en de confessionelen onttrekken. Heeft men dan de eenheid bevorderd? , zo vroeg hij. En wat allerlei experimenten betreft: in diverse gemeenten worden kinderen aan het avondmaal toegelaten. Komen mensen dan in andere gemeenten te wonen waar het niet kan dan wordt men boos. Dat is dan de vrucht van de experimenten.
Ten aanzien van een passage in het rapport, waarin aandacht werd gevraagd voor de vreemdeling die in onze poorten is, vroeg ds. L. G. Zwanenburg (Huizen) wat men vanuit het evangelie ten opzichte van deze mensen moet doen. Is het uiterste, dat men doen moet - zoals het rapport eigenlijk suggereert - dat men het kerkgebouw voor dë vreemdelingen ter beschikking stelt (b.v. voor de Mohammedaanse gastarbeiders) of geldt de opdracht van Jezus ook voor deze mensen om hen het evangelie bekend te maken? Scherp ging ds. Zwanenburg in tegen de vergoelijkende wijze, waarop over niet-kerkordelijk bepaalde experimenten wordt gesproken. 'U polariseert zo op machtige wijze', zo verweet hij de opstellers. Belijdenis en kerkorde hangen nauw samen. Het gereformeerd belijden is ook thans zeer actueel. De orde is er om samen te binden en de experimenten te verdelen. Op de vraag of oecumene verrijkt of verarmt stelde ds. Zwanenburg, dat het antwoord daarop bepaald wordt door de vraag of men zich op de belijdenis betrokken weet of niet. Het volk, dat leeft uit de religie van de belijdenis, herkent deze religie ook bij anderen.
Oud. J. Haeck (Hoevelaken) vond het een manco, dat in het rapport slechts gesproken wordt over de oecumene als opdracht en niet (zoals art. 27 van de N.G.B, doet) als gave. De kerk wordt dan ook in deze nota veel te veel in de actualiteit getrokken, ze wordt ook vervluchtigd tot een beweging (met weerstand tegen het ambtelijke, het institutionele). Hij herinnerde aan het Getuigenis van 1971, waarin ook over de kerk gesproken werd als 'ark des behouds', die redding en veiligheid biedt wanneer de golven van de oordelen Gods over de wereld gaan.
Bij een passage in het rapport, waarin voor het evangelisatiewerk 'De open Deur' (overigens samen met Echo) werd aanbevolen tekende Haeck aan, dat er met Pasen een beschamend nummer van dit blad verschenen was over de Opstanding. Ds. Jansen, mede samensteller van het rapport, zei in de beantwoording van de sprekers, dat hij zich ook afgevraagd had waarom zo 'eenzijdig' moest worden geschreven over de Opstanding.
Prof. dr. P. J. Roscam Abbing herinnerde er aan, dat 'wij als Hervormden een interne oecumene omspannen die er niet om liegt'. Dit ter relativering van het al te veel problemen maken bij de externe oecumene.
Prof. dr. A. J. Bronkhorst, voorzitter van de commissie die het rapport had samengesteld, ging uitgebreid in op de kritiek, die van G.B.-zijde was gekomen. Het is wezenlijk voor het Calvinisme om oecumenisch open te zijn, zo zei hij; Calvijn wist ook wel dat hij geen Lutheraan was en toch had hij oecumenische openheid naar de Lutheranen. Het Calvi nisme wilde ook de belijdenissen van andere kerken meebeleven. 'Jullie helpen ons niet.' 'Sta niet aan de kant.' 'Wees het hemels visioen niet ongehoorzaam', zo was zijn appel. Ds. A. W. Berkhof (jr) vond - dit ter beantwoording van ds. Zwanenburg - dat wilde je met Mohammedanen gaan praten je ze wel eesrt de kerk moet afstaan voor hun eredienst. Éérst gastvrijheid dan zeggen wat ons beroert. Dr. C. P. van Andel dacht daar ook zo over maar stelde wel: 'ook voor een moslem is er alleen heil in Jezus Christus.’
De opmerkingen ter synode gemaakt zullen zo veel mogelijk in het stuk worden verwerkt, daarna gaat het als handleiding voor oecumenisch handelen naar de gemeenten. Acht synodeleden maakten kenbaar er niet in mee te kunnen.
Rome
Het vraagstuk van de oecumenische verhoudingen kreeg op de synode een speciale spits naar Rome in verband met het reeds genoemde jaarverslag van het 'Hervormd beraad over de verhouding tot de Rooms Katholieke Kerk'. Een commissie van rapport over het jaarverslag had als vraag gesteld waarom aan de werkzaamheden van het Hervormd Romeberaad niet wordt deelgenomen door een lid. van de Gereformeerde Bond. Dr. C. P. van Andel, secretaris van dit beraad, antwoordde, dat het moeilijk is de G.B.-ers in het oecumenisch beraad te betrekken. Ze kunnen niet geëngageerd meewerken omdat ze Rome op grond van eigen visie (hij noemde dit een ideologie, sic!, v. d. G.) afwijzen. Sommigen doen niet mee omdat ze telkens neen moeten zeggen. Van de zijde van het Hervormd Beraad zou er geen bezwaar zijn een G.B.-er op te nemen.
In een uitvoerige brief aan de synode had synodelid L. C. Baljé (Breukelen) al op voorhand dertien vragen gesteld. Eén ervan was of door het Hervormd Rome-beraad wel voortdurend de grenzen van artikel X van de kerkorde in acht werden genomen. Antwoord van dr. C. P. van Andel: er is in de Rooms Katholieke Kerk (zeker na het Tweede Vaticaans concilie) ontwikkeling en ook in de Reformatie in de zestiende eeuw is niet het laatste woord gesproken. Ten aanzien van Rome kunnen we nu niet zonder meer vraag en antwoord 80 van de Heidelbergse Catechismus in de mond nemen. En protestanten herkennen in de eucharistie nu ook de 'maaltijd des Heeren’.
Van de synodeleden kreeg eerst ds. P. J. Droogers (Bodegraven) het woord. Inhakend op dr. Van Andels opmerkingen vroeg hij of de ontwikkelingen bij Rome wel ontwikkelingen waren naar Schrift en Belijdenis. Hij had die noties teveel in het jaarverslag gemist. Daarom kan men ook te weinig G.B.-ers in een beraad als dit aantrekken. Zijn we met dit beraad toch niet op de verkeerde weg? , vroeg hij. Interruptie van dr. C. P. van Andel: bedoelt u de Gereformeerde Bond?
Oud. J. Haeck (Hoevelaken) merkte op, dat de dialoog naar zijri oordeel zich slechts beperkt tot de progressieven (b.v. in de kritische gemeenten). Het onderkennen van de crisissituatie, die mede door modernistische theologieën bepaald wordt, ontbreekt. Het zou de duidelijkheid ten goede komen als maar eerlijk erkend zou worden dat, bij alle ontwikkeling die er was, de revival (geestelijke opleving) uitbleef. Hij appelleerde aan de trits van de Reformatie: Sola Scriptura, Sola Gratia, Sola Fide en besloot met de opmerking dat Rome en Reformatie elkaar maar eens bij Augustinus zouden moeten ontmoeten.
Ds. L. G. Zwanenburg (Huizen) had uit het rapport de indruk gekregen, dat, zó er al weerbarstigheden zijn in het oecumenisch beraad met Rome, de weerbarstigheden vooral van Rooms Katholieke kant komen. Is er - zo vroeg hij - van hervormde zijde een duidelijk getuigenis dat op weerstand bij de Rooms Katholieken stuit? Roepen kernpunten van het Reformatorisch belijden weerstanden op? Hebt u ook wel eens contact met de Stichting In de Rechte Straat? En over een G.B.inbreng in de commissie: 'met vijf man uit de kring van de G.B. lijkt het me een aardige uitdaging.’
Het rapport bepleitte vermeerdering van het aantal avondmaalsdiensten. Als - aldus ds. Zwanenburg - daarbij een beroep wordt gedaan op Calvijn, dan óók terug naar de prediking van Calvijn. Met wekelijkse avondmaalsviering verdwijnt tenslotte de prediking zo zei hij.
Ds. Ds. A. Abelsma (Wateringen) zei te staan in een burgerlijke gemeente, die voor tachtig procent Rooms Katholiek is. Hij zag weinig komen van echte oecumene. Het kerkvolk komt niet bij elkaar. Waar zit dat in? Omdat de Hervormde Kerk een Woord-kerk is (en we hebben daarbij het sacrament), terwijl de Rooms Katholieke kerk een sacramentskerk is (en dan is er ook nog het Woord). In deNieuwe Katechismus (hoe vooruitstrevend ook bij Rome) tref je toch de sacramentalistische opzet (het avondmaalsbrood dat over is moet b.v. bewaard blijven). Het (zicht op heil) heil is aan het veranderen, had een R.K. vertegenwoordiger op de synode gezegd (hij bedoelde: niet louter meer op het persoonlijke gericht). Vraag van ds. Abelsma: is dat in de richting van het gemeenschap stichten of moet men gaan beseffen, dat het om het Sursum Corda (het hart omhoog) gaat?
Ook nu ging prof. dr. A. J. Bronkhorst uitgebreid in op de gemaakte kritische opmerkingen. Van gesignaleerde verandering van (zicht op) het heil geloofde hij niets. Er is een andere beweging. Toen hij in België werkzaam was (aan de protestantse faculteit in Brussel) werden de protestanten doodgezwegen. Na 1960 werd echter gevraagd om contact en gesprek. Vier eeuwen na de Reformatie begint het bedoelen van de Reformatie ook langzaam bij Rome door te dringen. De liturgie kwam in de volkstaal, de Bijbel kwam onder het kerkvolk. Dat hebben wij er niet gebracht. Het kwam van binnen uit. De ontmoeting van Rome en Reformatie bij Augustinus is daarom gemakkelijker geworden. Na het Tweede Vaticaans concilie kwam er een nieuwe Reformatie, die dichter bij Calvijn ligt dan het (zo als elders gebeurt) strak vasthouden aan eigen ideeën.
De rem
Tot zover het synodeverhaal. Er staat boven: de voet op de rem. Zó stond het in het rapport 'De gemeente smidse voor de oecumene'. Er stond bij dat de enthousiaste voortrekkers van het eerste uur teleurgesteld zijn. De karavaan wilde kennelijk niet mee. Moeten we - zo is onze conclusie - daarom niet zeggen, dat de huidige oecumenische beweging het volk niet mee heeft, dat het geen echte beweging is waarbij om zo te zeggen de vlam van de Geest zo in de pan geslagen is, dat het volk in beweging kwam. Dat is immers wél zo geweest bij de Reformatie. De Reformatie is overigens geen werk geweest van enthousiaste voortrekkers maar van de Heilige Geest die mensen gebruikte, aanvuurde en pal deed staan voor de herontdekte Waarheid, de Waarheid van de Schrift, de genade, het geloof. We ontdekken in het huidige oecumenische gebeuren te weinig die worsteling om de waarheidsvraag. Er is meer sprake van een grootstgemenedeler geloof. Dat maakt het alles tam en oppervlakkig. Dat brengt onzerzijds zeker ook de voet op de rem, als het gaat om het huidige oecumenische streven. Met het telkens herhaalde betoog, dat de Reformatie van de zestiende eeuw niet het laatste woord heeft gesproken zijn we al heel wat kernnoties van de Reformatie kwijt geraakt. Terecht stelde ds. Zwanenburg: dan ook terug naar de preken van Calvijn. Zou dan niet blijken hoe bloedarm veel prediking is geworden, die wel de naam reformatorisch draagt maar de zaken mist?
Intussen blijft recht overeind staan de grote nood van de kerkelijke verscheurdheid. De bruisende bergstroom, die met Pinksteren vanuit Jeruzalem ontsprong is in zoveel kanalen en beekjes vertakt, dat de ene bron soms moeilijk meer te ontdekken is. Bij dit alles blijven we belijden de katholiciteit van de kerk; belijden ook dat onder allerlei gestalten zich de ene wereldwijde gemeente van Christus vertoont. Maar het lichaam van Christus is in haar gemeentelijke gestalte soms ook zo verminkt, dat de onderscheiden delen elkaar niet meer herkennen. Oecumenische beweging, het weer bijeen brengen van de uiteengescheurde delen zal dan ook slechts kunnen langs de weg van een nieuwe Reformatie, die de oude verworvenheden, herontdekt in de Reformatie, nieuwe glans geeft, en die nergens anders ontspringt dan bij het Woord. Intussen, als ik zeg dat bij ons de voet op de rem gaat als we zien dat veel oecumenische tendenzen van nu, niet parallel lopen met wat in de Reformatie verworven is dan zeg ik het met grote schroom. Want al diegenen, die werkelijk terug heten te willen naar de bronnen van de Reformatie vormen een hopeloos tegen zichzelf verdeeld huis. Ook geen kracht om te baren. Misschien de naam hebbend dat men leeft maar hoe is het gesteld met het geestelijk leven? Mogen we dan ook niet eerlijk onder ogen zien, bij alle begrip dat er zal moeten zijn om het avondmaal des Heeren hoog en heilig te houden, dat het bij alle rechtzinnigheid soms zo is, dat de door ds. Vroegindewey gesignaleerde kenmerken uit Handelingen 2, de gemeenschap en de breking des broods ook wel eens stiefmoederlijk bedeeld zijn?
En daarom voor de ganse kerk geldt van links tot rechts: Veni creator Spiritus, kom Schepper Geest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's