Verwerking van verdriet
(3)
Verschillende lezers van ons blad hebben mij een reaktie doen toekomen naar aanleiding van het geschrevene over rouwgebruiken en over de begrafenisdienst. De erkentelijkheid daarvoor zij mede hierdoor tot uiting gebracht dat in deze kolommen nog eens op hun opmerkingen en aanvullingen wordt ingegaan. Allereerst is dan te noemen de uitvoerige brief van een abonnee die uit eigen ervaring vertelt hoe hij lopende in een begrafenisstoet alleen maar meewarige blikken opving van de dorpsbewoners die zich langs de straten hadden opgesteld. Hij vraagt zich af: gaat hetzelfde ook niet op voor het gebruik 'de rouw in de Kerk brengen'. Dit is alleen dan werkelijk zinvol wanneer er een werkelijk christelijke gemeente is die de Liefde hoog in haar vaandel heeft geschreven. Anders zal de bedroefde familie na de dienst zo vlug mogelijk de kerk maar weer willen verlaten en thuis verzuchten: 'zie zo, dat hebben we weer gehad!' De briefschrijver signaleert in dit verband de onvriendelijkheid en het gebrek aan meeleven met elkaar, ook onder de geregelde kerkgangers. Het is daarom te begrijpen dat mensen maar liefst de stilte opzoeken en alleen zijn met hun verdriet. En het is ook heel goed voorstelbaar dat er christenen zijn die in stilte begraven willen worden en voor wie het rouw in de kerk brengen niet meer hoeft. Hun rouw heeft immers bij hun verscheiden plaats gemaakt voor een onuitsprekelijke blijdschap. Tot zover deze abonnee. Hij heeft nog eens de vinger gelegd bij een zaak die niet genoeg onderstreept kan worden: het gebrek aan naastenliefde, aan werkelijk medeleven in lief en leed. Zou de aangewezen weg nu zijn: allerlei bestaande vormen maar afschaffen? Of gaat het er veeleer om dat tradities niet in stand gehouden worden puur en alleen vanwege hun traditioneel karakter, maar dat er gevraagd wordt naar hun zin en betekenis, dat getracht wordt de vormen weer nieuwe inhoud te geven? Kenmerkend voor onze tijd is enerzijds de afkeer van het onrechte, het opgelegde, het theatrale, waarom al die uiterlijkheden en vormelijkheden! Daar zit het toch zeker niet in! Maar zo dreigt men naar een ander uiterste door te slaan en ondoordacht te breken met het goede in de overgeleverde vormen en gebruiken.
Condoleantiebezoek
Een mevrouw vertelde mij door de telefoon van haar ervaringen met condoleantiebezoek. Deze lezeres heeft in haar leven veel verdriet doorgemaakt. Toch kan zij ervan getuigen dat die zo uiterst moeilijke omstandigheden geestelijk zeer vruchtbaar voor haar waren geweest. Ook in het gezin was er door de konfrontatie met de dood een veel dieper onderling kontakt, een grotere openhartigheid gekomen. Waar het haar nu om ging was echter dit, dat het condoleantiebezoek voor haar tot bijzondere steun was geweest. Vooral omdat er nogal wat mensen werkelijk de tijd namen voor hun röuwbezoek en er zo zeer wezenlijke gesprekken tot-stand kwamen. Zij betreurt het dan ook dat tegenwoordig de 'gelegenheid tot condoleren' vaak tot een enkel uurtje beperkt wordt gehouden, vaak in een rouwcentrum, waar niet of nauwelijks een persoonlijk gesprek wordt gevoerd, slechts met een handdruk en een enkel formule-achtig zinnetje wordt volstaan. Deze abonnee ziet hierin een verarming, en ik ben geneigd dat haar na te zeggen. Uit mijn geboorteplaats herinner ik mij de gewoonte dat na een sterfgeval enkele avonden achtereen gelegenheid werd gegeven tot condoleantie, waarvan door vele familieleden, vrienden en geburen gebruik werd gemaakt. Er was dan iedere keer een ouderling aanwezig om aan het gesprek leiding te geven. De sfeer kon dan wel eens beklemmend zijn, maar toch ook meer dan eens ging er werkelijk een vermanende én vertroostende prediking van zo'n samenzijn uit. Op mijn vraag dienaangaande gaf deze lezeres ten antwoord dat ze ook wel eens minder prettige ervaringen had opgedaan; mensen die ontactische opmerkingen maakten en er blijk van gaven toch eigenlijk niets van het verdriet te begrijpen. Toch overheersten bij haar de positieve herinneringen.
Camouflage
Weer een heel andere zaak legde iemand anders mij voor in een telefoongesprek. Deze mevrouw legde de vinger bij het verschijnsel dat het bij steeds meer begrafenissen gebruikelijk wordt de doodskist niet meer in het graf te laten zakken. Deze blijft dan boven in de mond van het graf staan zolang de familie aanwezig is. Vele begrafenisondernemers gaan er al zonder meer vanuit dat de kist niet in het graf moet neerdalen, tenzij daar door de familie uitdrukkelijk om gevraagd wordt. Hoe over dit verschijnsel te denken? Komt hierin niet opnieuw tot uiting de tendens om de dood te maskeren, de werkelijkheid van 'stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren' te verhullen? Hetzelfde moet ook worden gezegd van de gewoonte om de opening van het graf door sparregroen aan het oog te onttrekken. Laten we aan dergelijke gebruiken maar niet toegeven. Niemand is gebaat met camouflage van de dood. Laat de werkelijkheid van de dood maar in zijn naaktheid staan, dan stelt het geloof daar pal naast de blijde wetenschap van Christus' glorieuze overwinning.
Nazorg aan rouwdragenden
Een derde mevrouw zorgde nog voor een welkome aanvulling. Zij wees er op dat zo vlak rondom een sterfgeval er nog wel aandacht en zorg wordt besteed aan een weduwnaar of weduwe. Maar hoe is het gesteld met de nazorg? Er is toch ook begeleiding nodig op langere termijn. En voorbede! Het wordt nadat men even opgeschrikt is al gauw weer zo gewoon gevonden dat die en die ook al weduwnaar of weduwe is. Maar de persoon die het aangaat vindt het helemaal zo gewoon niet! Bekend is dat ongeveer een jaar nadat het overlijden plaatsvond een kritieke periode optreedt in de verwerking van het verdriet. Niet voor niets bestond vroeger de gewoonte gedurende een periode van één jaar en zes weken in de rouw te zijn. Ik las ergens dat er in Amsterdam in een bepaalde wijk een werkgroep 'rouw' is opgericht. Er was geconstateerd dat er zoveel verdriet geleden werd in die wijk. Daar besloot men wat aan te doen, er werd een regeling getroffen dat de rouwdragenden regelmatig bezoek zouden ontvangen gedurende een periode van in elk geval ruim een jaar. Zet hier de wereld niet de kerk beschaamd? Wordt er onder ons wel voldoende gelet op de duidelijke vingerwijzing van Jakobus: De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld.' (1 : 27). Er staat nergens dat deze tekst alleen voor ambtsdragers geldt. Wél kan de suggestie worden gedaan: ligt hier naast een pastorale niet ook duidelijk een diakonale taak? Zou het diakenambt niet vooral in de persoonlijke zorg en aandacht voor de alleenstaanden en de zwakken gestalte moeten krijgen? Maar daarnaast ligt hier een taak voor ieder gemeentelid. De klacht: ik heb geen mens' en 'ik zie van de kerk ook nooit eens iemand' zou onder ons niet meer gehoord mogen worden.
Literatuur
Na deze varia tenslotte nog het vorige keer beloofde literatuurlijstje. Er zijn boeken bij die zondermeer aanbevolen kunnen worden, bij anderen moet u wat onderscheid weten te maken tussen rijp en groen, kaf en koren:
E. Kübler-Ross, Lessen voor levenden. Dezelfde, Wat kunnen wij nog doen? Dezelfde, Dood. Van Malkenhorst-Visser, Zelfs bij het naderen van de dood én daarna... M. van Rijsdijk, Liever geen bezoek, geen bloemen... maar daarna? W. H. Velema, Rondom het levenseinde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1978
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1978
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's