De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Over de inenting tegen polio

In het blad Koers van 9 juni schrijft ds. J. H. Velema onder de titel De Veluwse polio een artikel over de kwestie die nu al weken velen in ons land beroert. De titel van zijn artikel vind ik niet gelukkig. Taalkundig bezien is het niet fraai om te spreken van 'de Veluwse polio' , maar bovendien blijven de ziektegevallen niet beperkt tot de Veluwe. Al is het uiteraard mogelijk, dat op het moment dat ds. Velema zijn artikel schreef er nog geen gevallen buiten de Veluwe bekend waren.

Over de zaak zelf behoef ik na al wat er, ook in de dagbladen over geschreven is, u niet verder in te lichten. De problematiek van dergelijke artikelen vind ik, dat zo vaak geschreven wordt met voorbijzien van de slachtoffers, en met weinig deernis over het leed dat in zovele gezinnen gekomen is. Ook journalistiek, zeker in onze tijd waarin de vaak harde journalistiek opgeld doet, kan zeer onbarmhartig zijn.

Ds. Velema gaat in zijn artikel nog eens in op de kwestie van de inenting. Hij wijst op het beroep dat gedaan wordt op zondag 10 van de Catechismus, door hen die bezwaar hebben tegen inenting, pleit voor begrip voor de bezwaarden, vanwege de verbondenheid in het geloof in menig opzicht.

Waarom begrip?

Omdat ik me aan dit volk, hoeveel aanmerkingen ik er ook op heb en hoe zeer ze mijn redenering zullen wantrouwen en verwerpen en mij persoonlijk misschien wel verachten, verbonden voel.

Omdat ik maar al te goed weet welk een stuk geestelijke volkskracht er in deze bevolkingsgroep nog schuilt.

Omdat ik er van overtuigd ben dat in deze mensen met hun huiver voor de heilige en souvereine God meer besef is van distantie en afhankelijkheid dan bij een geseculariseerde christenheid, die met de naam van God op de lippen, meent zichzelf te kunnen redden en God in de praktijk van het leven niet meer nodig heeft.

Omdat ik het grote gevaar zie van onze mondigheid ook op medisch gebied dat wij van het middel het doel maken. En alles wat doel wordt in het leven is een afgod, die ons aftrekt van het geloof in de levende God.

Als door zich voor gelovig uitgevende, belijdende, Avondmaalvierende mensen met een stalen gezicht gezegd wordt: ik heb m'n antigriepprik weer gehad: wat kan mij deze winter overkomen? , dan schrik ik van zoveel afgoderij en dan heb ik meer respect voor hen, die echt gewetensbezwaar hebben tegen elke inenting en verzekering en die dienovereenkomstig ook leven!

Toch is er ook een keerzijde. Begrip sluit niet uit, dat we toch bezwaar kunnen hebben tegen de argumenten van de bezwaarden aldus ds. Velema. Hij ziet op de achtergrond van de zaak de verhouding staan tussen Gods voorzienig bestel en onze verantwoordelijkheid.

Het is niet toevallig dat juist zij die bezwaren hebben tegen inenting ook vaak eenzijdig de nadruk leggen op de uitverkiezing: het moet je gegeven worden; als ik niet uitverkoren ben, dan helpt het alles niets. Men gaat uit van de verborgen dingen en men laat die heersen over het leven en dan werpen zij een schaduw over het leven. Intussen rommelt men daar wat aan en laat Gods water over Gods akker lopen; doet men toch wel verschillende dingen of laat men verschillende handelingen na. De lijn is door te trekken naar hygiëne, naar gezinsvorming, naar opvoeding en ga maar door.

We zullen er oog voor moeten hebben dat in Gods raad en voorzienigheid onze verantwoordelijkheid is opgesloten. In alle opzichten. Wij blijven ten volle verantwoordelijk. Onze verantwoordelijkheid betrachten is niet denken of zeggen: wij doen het en wij kunnen het en wij stellen ons veilig.

Onze verantwoordelijkheid moeten wij op elk gebied - in gezondheid en ziekte, bij de vorming van ons gezin en dus de samenleving van man en vrouw, ook bij onze persoonlijke zaligheid - betrachten voor Gods aangezicht. Dat wil zeggen wij mogen de middelen gebruiken, die Gods ons heeft geschonken, ook om een dreigende ziekte te voorkomen - zoals we ons allen tegen zoveel beschermen - in biddend opzien tot de Heere. We mogen, ja moeten zelfs dat alles in Zijn hand leggen.

Inenting tegen polio en het gebruiken van het suikerklontje betekent niet dat we God uitschakelen en het nu zelf wel kunnen. Integendeel: de klare weg gaande die de Heere ons in dit tijdsgewricht opent, hebben we Hem eens te meer nodig om biddend te leven: Heere, zegent u de middelen als de ziekte acuut aanwezig of potentieel een gevaar is en dat laatste is geen - zoals de praktijk leert - medische bangmakerij. Kohlbrugge schreef 137 jaar geleden reeds aan de Reveilman W. de Clerq, die ook vele bedenkingen had tegen pokkenvaccinatie: 'Uw bedenkingen zijn die waarmee de Israëlieten de afgoden dienden, menende te dienen den Heere... Aangezien het zo met u staat en God het u niet heeft geboden of verboden, zo raad ik u ongeveinsd en welgemeend dat gij uw kind laat inenten’.

Een actueel advies, dat ik in de Veluwse poliotijd met hartelijke instemming doorgeef wetend dat aan Gods zegen alles is gelegen.

Met ds. Velema ben ik van oordeel dat theologisch hier het vraagpunt gelegen is. Misschien zou men er aan toe kunnen voegen, dat het in laatste instantie gaat om de vraag: Wie is God? Wat betekent de belijdenis aangaande God als Schepper en Onderhouder?

Maar de grote moeilijkheid is, dat men met een - op zich goede - theologische argumentatie tegenstanders van de inenting niet overtuigt. Er spelen ook geweldige emotionele factoren mee, die mogelijk juist door de wijze waarop vooral in de zgn. neutrale pers over deze kerkgenootschappen geschreven wordt, alleen maar versterkend werken.

Voorts wreekt zich ook hier het isolement waarin juist deze vleugel van de gereformeerde gezindte vaak leeft t.o.v. andere kerken van de geref. gezindte. Er is over en weer geen contact, geen broederlijk gesprek en beraad, waardoor men elkaar corrigeert en helpt. Met het advies dat ds. Velema geeft, zijn we het overigens hartelijk eens. God geve dat we elk op de plaats waar Hij ons zet, onze verantwoordelijkheid mogen verstaan. Niet alleen de betrokken bevolkingsgroep, maar ook zij die er geestelijke leiding geven. Het blijkt telkens weer dat het niet hetzelfde is, welke koers men in prediking en pastoraat aangeeft.

De christen en de literatuur

In het maandblad Credo, dat in het meinummer aandacht gaf aan de vragen rondom christelijk geloof en kunst, lazen we een artikel van dr. B. v. Oeveren over het onderwerp: de christen en de literatuur.

Van Oeveren spreekt over een ontmoeting van schrijver en lezer, in het contact met een literair werk. De vraag kan gesteld worden: Wat is literatuur? En waarin verschilt literatuur van een niet-literair werk? Welke beoordelings maatstaven gelden? 

Voorts is er de ethische vraag: Is elk kunstwerk, ook elk stuk literatuur, zedelijk goed? Een christen zal m.i. dan nog een stap verder gaan en moeten vragen naar de religieuszedelijke waardering. Literatuur is immers nooit waardenvrij. De geschiedenis laat zien hoe literatuur vaak verweven is met maatschappelijke en geestelijke processen, hoe er ethische oordelen, soms zelfs godsdienstige oordelen in worden uitgesproken. Levensbeschouwing en ideologie laten zich menigmaal niet verloochenen. 

Van Oeveren wijst erop dat men een bepaald kunstwerk literair als kunstwerk kan beoordelen, maar het uit levensbeschouwelijke overwegingen afwijst.

Bovenstaand voorbeeld helpt ons op weg om als christen een boek te beoordelen. Hier komt nl. de levensbeschouwing van de auteur in geding. Die kan een heel andere zijn dan die van de lezer. Daarom behoeft de lezer het boek nog niet af te wijzen. Hij moet dan echter wél beseffen, dat wal de auteur als de laatste waarheid over de werkelijkheid vertelt, niet de laatste waarheid is! En dit is nu juist het trieste van een stuk moderne romanliteratuur: men herkent er de werkelijkheid in met al haar rauwheid en verschrikking, in al haar dreiging en benauwdheid, maar méér niet! Géén perspectief, géén hoop op vernieuwing, géén lichtstreep van de nieuwe morgen, van de Jongste Dag, waarvan de Bijbel spreekt. Met onthullen alléén kun je niet toe. Ze werkt wel ontmaskerend, maar is tegelijk onbarmhartig. En waar de barmhartigheid afwezig is en alleen het negatieve aanwezig, daar is de dood.

Bezig zijn met de moderne literatuur is voor een deel het herkennen van de wereld, waarin we leven. Wij zijn erin. We worden er door omgeven. Zouden we haar dan niet herkennen? Tegelijk moeten we zeggen: Wij zijn niet van deze wereld, al zijn we er wél in! We herkennen haar, maar we weten ook van een andere wereld: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid wonen zal!

Er zijn boeken, waartegen je hartgrondig 'neen' moet zeggen. De geur van een roman kan zó smaakbedervend en luchtverpestend zijn, dat een mens er goed aan doet zo'n boek dicht te laten. Wie een moraal wil verbreiden, die een anti-moraal is, heeft niet het recht in een beschaafde samenleving om gehoor te vragen. Hij ondermijnt datgene, waarop de samenleving is gebouwd en zonder welke de samenleving niet verder kan. Een boek waarin geen bladzij vóórkomt zonder dat de naam van God of van de Here Jezus als een zelfvervloeking of verwensing jegens een ander wordt gebruikt, dient te worden afgewezen.

Een boek, dat spot met huwelijkstrouw en de sex louter tot een vermaakprodukt maakt (pornografie betekent letterlijk: 'beschrijving van hoeren') en van de relatie sex-huwelijk niet wil weten, overschrijdt grenzen, waardoor het werk onaanvaardbaar wordt gemaakt.

Een boek, waarin het werk van Christus wordt aangegrepen om de bijbelse boodschap belachelijk te maken en als een grol af te wijzen, is niemand verplicht om te lezen.

Een boek, waarin het leven ontluisterd wordt, waarin het christelijk geloof een voorwerp van bespotting wordt, is voor mij onverteerbaar.

Op dit punt is het een zaak van nuchterheid om 'neen' te zeggen. We zullen dit ook onze jonge mensen moeten voorhouden. Je kunt beter, zonder bepaalde boeken te hebben gelezen, het Koninkrijk van God binnengaan, dan geestelijk en zedelijk vergiftigd door bepaalde literatuur, verloren gaan.

Naar mijn mening behoefje voor een eindexamen ook niet alles gelezen te hebben. Er zijn situaties, waarin leraren en docenten wel eens wat strakker op selectie mogen aandringen, dan nu soms geschiedt. Een goede begeleiding bij het literatuuronderwijs van hen die op weg zijn naar de volwassenheid, is broodnodig!

Dat laatste willen we van harte onderstrepen. Ongetwijfeld zal het om allerlei redenen niet envoudig zijn, zowel vaktechnisch niet, als uit overwegingen van tijdsgebrek om dit alles in een lesrooster in te voegen. En toch, als ergens het christelijk onderwijs iets van de eigen identiteit kan laten zien dan toch juist ier: in de wijze waarop we de literatuur die nze jongeren moeten lezen en bestuderen, bespreken, toetsen en beoordelen. Dat behoeft niet belerend te gebeuren. Maar een kritische toetsing vanuit Gods Woord is iets waarop de leerlingen van christelijk middelbare scholen recht hebben. Moderne literatuur is menigmaal een spiegel, een vaak onthutsend tijdsbeeld, een confrontatie met de wereld waarin we leven, die we niet uit de weg mogen gaan, willen we onze tijd ook verstaan.

Maar kijkend in de spiegel van de moderne literatuur zal de christen gedurig weer om moeten kijken naar het Woord, in het geloof dat dit Woord ook het antwoord is op de uitdagingen van onze tijd. Dat kan ook een stukje verdieping geven van eigen standpunt. Ik denk aan allerlei boeken waarin ingegaan wordt op het probleem van het lijden, of de zin van het leven. Dan mógen we niet volstaan met de bespreking van de literaire aspecten. Dan zullen we, terwille van de jongeren ook moeten zoeken naar een weg die de Schriften ons wijzen.

En inderdaad: Christelijke nuchterheid kan soms ook betekenen dat men hartgrondig 'neen' zegt tegen een bepaald soort lectuur die weliswaar als literair wordt aangeprezen, maar er in feite niets mee te maken heeft. Er is op dit gebied soms een stukje terreur te constateren van de zijde van hen die het christelijk geloof afwijzen. In 1953 schreef Prof. Bomhoff in Wending al over 'de kleine terreur der zgn. neutraliteit'. Die kleine terreur betekent volgens Bomhoff o.m. dat in allerlei vormen van literaire kritiek hooghartig voorbij gegaan wordt aan wat christelijke auteurs schrijven, want - en daar hebt u de terreur - een literair kunstwerk kan geen christelijke thema's behandelen. Neutrale recensenten leggen dan vaak extra zware normen aan. Ik meen dat Bomhoff's klacht nog niets van zijn actualiteit verloren heeft. De terreur is er ook in omgekeerde zin, als soms een boek, dat in feit een stuk pornografie is, aangeprezen wordt als hét kunstwerk van het jaar dat ieder gelezen moet hebben.

Inderdaad, dan kan het geboden zijn terwille van het gezonde geloof 'neen' te zeggen en zulke producten ongelezen te laten.

Wij zouden er overigens wel voor willen pleiten dat ook in de bladen die onder ons verschijnen meer aandacht aan deze zaken gegeven werd. Hier ligt een taak voor bladen als Koers, De Schakel, het R.D., om er slechts enkele te noemen. Juist ook terwille van de ouders die via hun kinderen op de middelbare scholen geconfronteerd worden met verschijnselen waar ze geen raad mee weten, en die geholpen zouden kunnen zijn met een stuk voorlichting. School en gezin zouden ook hier samen een weg moeten zoeken, om onze kinderen, ook waar het de literatuur betreft te helpen kritisch (d.w.z. vanuit het Woord Gods kritisch) te lezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1978

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1978

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's