De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Blijdschap

In de jongerenrubriek van 'De Schakel' van 23 juni schrijft ds. J. van Amstel een pastoraal artikel over de blijdschap. Allereerst signaleert hij de reclame-achtige manier van 'blijdoen' die ons suggereert dat het leven een vrolijke zaak is, waar je de problemen maar zo gauw mogelijk moet vergeten. Er is, zo schrijft de auteur, veel gespeelde blijdschap. Onecht. En met name de jeugd prikt daar doorheen.

Karakter en volksaard spelen in de manier waarop we onze blijdschap uiten een grote rol. Niet van ieder mens straalt de vreugde, die er soms echt wel is, van het gezicht.

De echte blijdschap is vrucht van de Heilige Geest, is een vreugde in de Here. Dan kun je blij zijn, ongeacht de omstandigheden. Er kunnen zelfs momenten zijn waarop je huilt van vreugde, aldus de schrijver. Hij vervolgt dan zijn artikel met te spreken over de oproep: wees blij, die in de Bijbel gedurig klinkt.

Al is het dan zo, dat ieder kind van God blij is en al meer wordt, toch zien we in de bijbel zo heel vaak de oproep staan om blij te zijn en is één van de opdrachten: Wees blij! Hoe kan dat nu, want in Spreuken 29 : 6 staat toch dat de rechtvaardige juicht en blij is en Paulus zegt in 2 Corinthe 6 : 10 dat hij zelfs altijd blij is. Wanneer je blij bent behoefje toch niet te worden opgeroepen om blij te wezen?

Ja maar, Paulus weet ook maar al te goed dat we niet altijd op de plaats zijn waar God ons wil hebben. Er is nog zoveel zonde in ons leven. De zonde tempert de blijdschap maar al te zeer. Ook in het leven van de christelijke gemeente moeten we er nogal eens toe opgewekt worden om blij te zijn. Paulus zegt tegen de gemeente van Rorrie (12 : 15) dat men zich verblijden moet met de blijden. Dat geldt niet alleen voor de gemeente van Rome. Ook vandaag worden wij er toe opgeroepen.

In Lukas 15 worden de buren en de vrienden opgeroepen om zich te verblijden met de man die het verloren schaap gevonden heeft en met de vrouw die de verloren penning weer terug heeft.

Terwijl de vader van de verloren zoon tegen zijn oudste zegt: je behoorde blij met mij te zijn, want je broer is weer levend geworden.

De apostel weet het helaas dat de gemeente niet altijd op het niveau is, waarop zij moet leven. Daarom roept hij Filippi (de gemeente aan wie hij nog wel de meest blijde brief schreef) op om zich te verblijden in de Heere. Hij herhaalt deze oproep keer op keer, zoals we zien in Fil. 3 : 1, 4 : 4 en 4 : 10. Ook in 2 Cor. 13:11 zegt de apostel: Weest blij! Als er blijdschap in de hemel is over één zondaar die zich bekeert, zou die er dan niet op aarde zijn? Als de gemeente zoveel in de Heere ontvangen heeft, zou deze gemeente zich dan niet mogen en vooral moeten verblijden in de Heere? Adeldom verplicht, 't Is alsof Paulus zegt: weet toch wel hoe de Heere het waard is en hoezeer het passend is in uw leven?

Ga het maar eens na hoe vaak in de concordantie het woord 'zich verblijden' of 'zich verheugen' voorkomt. Het is een indrukwekkende lijst! Blijdschap is niet alleen iets voor de hemel.

Wel is het waar dat een westers mens deze blijdschap anders uit dan een oosterling. Zoals een oosters mens ook aan zijn verdriet anders uiting geeft. Als iemand in het oosten verdriet heeft, loopt hij met een zak op zijn hoofd en strooit hij bovenop as. Dat doen wij bepaald niet, ook al hebben we echt verdriet. Wij proberen zelfs onze tranen te bedwingen, terwijl de oosterling omringd is door gehuurde klaagvrouwen. Dat laatste gebeurt op onze begrafenissen ook niet.

Zo geven wij op een andere wijze uiting aan onze vreugde. Wij lopen niet zo gauw te springen en gaan niet dansen wanneer wij blij zijn. Ook onze blijdschap beleven we meer naar binnen. Maar daarom kunnen we wel blij zijn en blij in de kerk zitten en van de avondmaalstafel opstaan, terwijl anderen dat niet direkt aan ons zien. Als we maar blij zijn! In Psalm 89 wordt gezegd van het volk dat naar Gods klanken hoort: 'Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden'. Dat is nog een blijdschap!

De fundamenten in het geding

Aldus de titel van een artikel van de hand van ds. L. J. Geluk, de voorzitter van onze bond, in het blad Protestants Nederland van mei 1978, waarin hij wijst op de krisis waarin o.a. de R.K. kerk verkeert, door allerlei verschuivingen, openingen naar-de-wereld toe, emancipatie van de nederlandse rooms-katholieken enz. Mevr. dr. C. J. de Vogel schreef een fel bewogen boek over de grondslag van onze zekerheid, waarvoor we al eerder aandacht vroegen in deze rubriek. Bij alle verschil tussen de uitgangspunten van een r.k. geleerde en een protestants theoloog, is er toch veel wat wij als reformatorische christenen, aan zorg en verontrusting, herkennen. Ook bisschop Gijsen heeft een ander maal zijn bezorgdheid geuit over de modernistische koers van zijn kerk, die van dien aard is dat wat de kerk de eeuwen door beleden heeft inzake Jezus Christus vervaagt in een christelijk getint humanisme. Over dit modernisme schrijft ds. Geluk:

Uit de brochure 'Een stap verder' vinden wij een citaat, dat de modernisten van vandaag de dag beschrijft. Behoudens een paar typisch roomse trekken gaat dit beeld precies zo op van velen in protestantse kerken. Dit is dan ook veelal hetgeen in meerdere of mindere mate de oecumenisten verbindt. Zij zeggen, dat nu eindelijk het 'ware' christendom gestalte moet krijgen. 'Daarin gaat het allereerst om de mens. God is natuurlijk belangrijk en verdient ook eerbied, maar dit moet men tonen in aandacht en respect voor de mens. Dit is bewezen door Jezus van Nazareth. Hij is de mens bij uitstek, omdat Hij totaal mede-mens is geworden. Hij heeft immers als geen ander gezorgd voor eten en drinken van de hongerigen. Hij predikte en beoefende de sociale gerechtigheid en de vrijheid voor allen. Hij zocht contact met de laagste klassen van de maatschappij en kwam voor hen op. Daarom werd Hij ook niet aanvaard door de bonzen van Zijn tijd. Daarom moest Hij sterven als een uitgestotene. Maar Hij leeft voort in allen, die zoals Hij getuigen van hun bewogenheid met het lot van de economisch-, sociaal-en politiek armen. Deze bewogenheid kenmerkt momenteel velen, vooral de jongeren, en is een groot winstpunt. Zij is veel belangrijker dan het weet hebben van en het geloven in het mysterie van de Drieëenheid. Zij vraagt niet per se, dat men iedere zondag naar de Kerk gaat en gebeden prevelt vóór en na tafel. Zij eist ook niet, dat men zijn geweten onderzoekt op zonden in de zin van tekorten ten aanzien van de tien geboden, zoals deze in de loop der eeuwen door moralisten gepreciseerd zijn en waarvan men door het woord van een toevallige medemens, die priester is, zou kunnen worden bevrijd.' 'De Kerk zou deze bewogenheid moeten oproepen en eisen. Zij zou haar oordeel over goed en kwaad hierdoor moeten laten bepalen. Haar gezagsdragers zouden op ieder moment, dat ergens ter wereld tegen de vrijheid en gelijkheid van mensen wordt misdaan, hiertegen moeten protesteren en haar excommunicatie hierop moeten richten. Als dit gebeurt, dan leven geloof en Kerk, meer dan ooit tevoren.'

Terecht is door dr. Gijsen hierop geantwoord dat men bij deze visie grote delen van de Schirft moet weglaten of omduiden. Zeker, de weg die dr. Gijsen de leden van zijn kerk wijst is een typisch roomse weg, waarin de kerk met haar heilsmiddelen de plaats van het Woord inneemt, maar de zorg om Gods openbaring serieus te nemen, herkennen we. Met dit Rome, aldus ds. Geluk, is een gesprek mogelijk. Ds. Geluk besluit zijn artikel, met een aantal slot overwegingen, die we gaarne overnemen:

1. Het einde van het Rijke Roomse Leven raakt ook ons, protestanten. De tijdgeest, die dit bouwwerk in puin heeft doen storten, gaat ook ontbindend door de kerken der Hervorming.

2. Het is deze geest, die meent het oude als iets uit een voorbijgegane tijd te. kunnen en te moeten loslaten en te doen vergeten om mede met behulp van herinterpretatie van de Schrift en de dogma's tot iets heel nieuws te kunnen komen, een nieuwe kerk, een nieuw geloof.

3. Deze ontbindende gedachten verbinden meestal de hardlopers en doordravers in de zg. oecumene. Zij hebben niet samen één fundament, het is hun genoeg, dat zij samen zoeken naar iets anders.

4. Doordat de controversen dwars door de kerken gaan, nemen de spanningen in hevigheid toe en is de crisis van geloof en kerk zeer zorgwekkend.

5. Heel verwonderlijk zijn deze ontwikkelingen niet, omdat Gods werk op aarde altijd, hoe dan ook, een bedreigende zaak is.

6. Hoe ernstig en huiveringwekkend de processen van verval en afval ook zijn, hoe moeilijk het ook is om in zulke stormachtige tijden staande te blijven en de rechte weg te gaan, de schifting werkt óók verhelderend, omdat men er niet omheen kan duidelijk positie te kiezen.

7. Het is in tijden als wij beleven ongewenst, ja gevaarlijk zich als verantwoordelijke christenmensen met kleine en beuzelachtige zaken bezig te houden. Thans gaat het om grote zaken, want de fundamenten zijn in het geding.

Het gaat maar niet om een problematiek die we alleen bij Rome tegenkomen. De crisis der zekerheden beroert ook ons. Veel van het huidig oecumenisch streven gaat uit van een visie op de Schrift en haar gezag, die we vanuit het reformatorisch Schriftgeloof volstrekt moeten afwijzen. Dat dat gevolgen heeft voor de visie op kerk, ambt, prediking enz., spreekt vanzelf. Erger is , dat deze crisis der zekerheden ook kerk verwoestend werkt. Inderdaad, wij hebben ons niet te verliezen in beuzelingen. Maar juist terwille van onze kerk en ons volk hebben allen die de gereformeerde belijdenis liefhebben en van overtuiging zijn dat wat onze vaderen beleden hebben op grond van de Schrift, heilzaam is voor kerk en volk, de handen ineen te slaan in een gezamenlijke bezinning, en - God geve het- een gezamenlijk getuigenis naar buiten!

Een brief aan dr. H. Wiersinga

Dr. Wiersinga, een omstreden theoloog in de Geref. kerken, vanwege zijn alternatieve verzoeningsleer die een scherpe kritiek betekent op de reformatorische belijdenis, is predikant van de kerk van Leiden geworden. Op de classis vergadering van de Geref. Kerken in mei j.l. is aan de leden verzocht schriftelijk vragen te stellen aan dr. Wiersinga over de belijdenis en de prediking van het plaatsvervangend lijden en sterven van Jezus Christus als het Lam van God. Een van hen die dat gedaan hebben is dr. B. van Oeveren uit Rijnsburg. In Credo van juni staat zijn brief afgedrukt. We geven u hierbij de tekst:

Waarde collega,

Hoewel ik de zaken rondom je beroep naar Leiden diep betreur en de approbatie door de classis Leiden in strijd acht met de kerkordelijke bepalingen (een approbatie is m.i. niet een louter formele zaak en de attestatie van Amsterdam had in het licht van allerlei synodale uitspraken niet 'blanco' mogen zijn) wil ik toch aan het verzoek van de classis gehoor geven en je hierbij enkele schriftelijke vragen doen toekomen.

Vooraf nog een tweetal opmerkingen;

a. Ik ben van mening, datje persoon en zaak goed moet onderscheiden. Als persoon waardeer ik je, maar de zaak die je voorstaat, beschouw ik als een heilloze dwaalleer. Wanneer in het studentenblad 'Mare' van 14 april 1978, p. 5 o.a. beweerd wordt: 'Wiersinga, dwarsgezeten, om niet te zeggen verguisd door het 'officiële gedeelte' van zijn kerk', enz., dan is dit een leugen en een rectificatie voor de duizenden studenten zou zeker op zijn plaats zijn.

b. In de tweede plaats wordt telkens gesuggereerd, dat je dezelfde dingen 'anders' zegt (zie 'Welkom aan dr. H. Wiersinga', Leidse kerkbode, 14 april '78; zie ook 'Je kunt beter geloven', 1978, p. 10). Er worden echter heel andere dingen gezegd; dingen, die lijnrecht in strijd zijn met Schrift en belijdenis.

Ik noem nu enkele punten:

1. Het meest essentiële is voor mij, dat je blijft ontkennen, dat Christus in onze plaats het gericht van God gedragen heeft. Zie uitspraken Generale Synode, 13 november 1974 en 3 maart 1976. Als ik persoonlijk déze boodschap niet meer zou kunnen brengen, hield ik op met predikant te zijn.

2. Als de Heiland aan het kruis zegt: 'Het is volbracht' (tetelestai, voltooid tegenwoordige tijd), dan kun je toch niet beweren, dat het nog niet volbracht is (B. Aalbers, De man in kwestie, p. 64)? Christus heeft toen het werk der verzoening volkomen volbracht. Wie dit ontkent, doet inderdaad tekort aan Christus' werk.

3. Wat doe je concreet, als in het Avondmaalsformulier staat: dat Christus van het begin tot het einde van zijn leven op aarde de toorn van God tegen onze zonden gedragen heeft... dat Hij de vervloeking van ons op Zich geladen heeft? Sla je deze zinnen over? Volgens: De man in kwestie, p. 69v. ontken je deze 'ruil'. Kun je eigenlijk de formule: 'tot een volkomen verzoenig' wel voor je rekening nemen?

4. In het ondertekeningsformulier van de classis staat, dat 'de predikanten zich zullen onderwerpen aan het oordeel van de kerk, wanneer die van mening is, dat zij t.a.v. enig gewichtig punt van de kerk op een duidelijke en voor haar ontoelaatbare wijze ingaan tegen de Heilige Schrift en daardoor de enigheid des geloofs aantasten'. Kun je dit ondertekenen? Vergeet niet, dat de onderscheiding: 'niet-drijven, maar ook niet zwijgen', niet een uitspraak van de synode is, maar door jezelf geformuleerd in je brief aan de Generale Synode, 21 februari 1975. Er zit voor mijn gevoel in deze onderscheiding iets onwaarachtigs; op deze wijze gaan we niet eerlijk met elkaar in de kerk om. Zie ook mijn brief aan de classis van 9 februari 1978.

5. Tenslotte: er staan wellicht punten in deze brief, die je pijn doen. Vergeet dan maar niet, datje door je opvattingen velen van je collega's pijn hebt gedaan. Het tragische bij dit alles is, dat doordat je het één ontkent ('Christus droeg de schuld in onze plaats, de plaatsvervanging') de andere kant, waar je terecht de aandacht voor vraagt: verzoening als verandering, niet voldoende tot zijn recht komt. Daardoor blijft het helaas 'de zaak Wiersinga' of 'de man in kwestie’.

Jammer! Voor jezelf en voor de kerk. Met collegiale groeten, B. van Oeveren.

In de introductie van dit nummer schrijft Van Oeveren dat op het eerste punt -de ontkenning. dat Christus in onze plaats het gericht van God gedragen heeft - ten antwoord werd gegeven (door wie? en waar? , A.N.): 'We zullen moeten leren omgaan met zo'n verschil’.

Terecht is Van Oeveren van oordeel dat dit niet kan. Hier zit een visie achter op de verscheidenheid van de kerk, waarbij de belijdenis, de leer der kerk, wordt prijsgegeven ten gunste van een veelheid van meningen die in een pluralistische samenleving geaccepteerd moeten worden. Van een beroep op een door God geopenbaarde waarheid kan geen sprake meer zijn. Ook hier raken dan de fundamenten van de kerk aan het wankelen. De kerk is gebouwd op het fundament van apostelen en profeten. Dat is haar vastheid. Maar dat geeft ook een grens aan, van wat in de kerk acceptabel is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's