Het duizendjarig rijk
(5)
Israël
Wie zich verdiept in de leer van het duizendjarig rijk (DR) ziet, dat in alle opvattingen over het DR het volk (en het land) Israël een grote rol speelt. Jezus zal wederkomen in Jeruzalem en gedurende de 1000 jaren vanuit Jeruzalem als de hoofdstad van de wereld. Koning zijn over heel de wereld. En daartoe moest het volk Israël eerst terugkeren naar zijn land. Geen wonder, dat de leer van het DR in onze tijd veel, aanhang heeft gekregen nu Israël in 1948 terugkeerde. Ligt, aldus velen, in die terugkeer niet een eerste vervulling van de profetieën aangaande het DR?
We moeten belijden, dat de kerk in de loop van de geschiedenis weinig of geen oog heeft gehad voor de beloften, die God in de Schrift voor het herstel van Isra ël heeft gegeven. Vele beloften voor Israël werden vergeestelijkt en op de kerk van het nieuwe verbond betrokken, terwijl men leraarde, dat Israël als volk van God had afgedaan, Brakel en andere Godgeleerden, o.a. uit de tijd van de Nadere Reformatie uitgezonderd. Zo schrijft bijv. prof. K. Dijk in zijn boek 'Het Rijk der duizend jaren': 'Thans (K. Dijk schreef dit in 1933) is er van een bevoorrechte positie van Jakobs zaad geen sprake meer. Ook in de toekomst is zulk een herstel niet te verwachten.' (blz. 369) en 369) 'Afgezien nog var', de practische vraag hoe het mogelijk zal zijn, dat geheel Israël zich bekeren, naar Palestina terugkeren en daar wonen zal, is deze beschouwing (...) niet te handhaven. Israël heeft ook als volk opgehouden te bestaan. Het heeft èn zijn tijd gehad èn zijn taak volbracht.' (blz. 498). We moeten zeggen, dat K. Dijk ongelijk heeft gehad: vijftien jaar na het verschijnen van zijn boek, keerde Israël in zijn land terug.
Het is niet mijn bedoeling op de geschiedenis van de houding van de kerk t.a.v. Israël in te gaan. Het zou goed zijn als een ander daar enkele artikelen aan zou wijden. We willen in dit artikel iets zeggen over Israël aan de hand van Rom. 9-11, woorden van Paulus t.a.v. Israël, die m.i. als zeer duidelijke beschouwd kunnen worden.
Liefde voor Israël
In de eerste plaats valt ons in Rom. 9-11 op, hoe Paulus met grote liefde over Israël spreekt. Het is Paulus 'een grote droefheid en zijn hart een gedurige smart' dat Israël de Christus niet kent (9, 2). Paulus zou wel 'verbannen van Christus' willen zijn voor zijn broeders (Israël!), die zijn maagschap (verwanten) zijn naar het vlees (9, 3). De 'toegenegenheid' van Paulus' hart en het gebed, dat hij tot God voor Israël doet, 'is tot hun zaligheid' (10, 1). En in 11, 28 schrijft Paulus: Ze zijn wel 'vijanden aangaande het Evangelie om uwentwil; ' (Paulus heeft hier op het oog het verzet van het jodendom tegen het christendom), maar 'aangaande de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wil'. Paulus blijft Israël dus 'beminden' noemen en dat doet hij op grond van de verkiezing Gods. En Paulus heeft veel gebeden voor Israël. Alleen al wat Paulus in bovenstaande woorden schrijft, moet ons veel hebben te zeggen.
Verwerping van de Messias
Daarnaast spreekt Paulus onomwonden uit, dat Israël de Messias heeft verworpen. 'Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots' (9, 32), d.w.z. ze hebben zich gestoten aan de gerechtigheid, die uit het geloof is en niet uit de werken. 'Zij zoeken hun eigen gerechtigheid op te richten' (10, 3) En: De gehele dag heeft de Heere Zijn handen uitgestrekt tot een 'ongehoorzaam en tegensprekend volk' (10, 21). En in 11, 17-20 vergelijkt Paulus Israël met de natuurlijke takken van de olijfboom, die door ongeloof zijn afgebroken. Paulus is dus strikt eerlijk t.o. Israël: ze waren de natuurlijke takken van de olijfboom, die nu door hun verwerping van de Messias zijn afgebroken.
Men leze deze verzen echter goed. Als Paulus dat zo schrijft ziet hij daar meteen ook een ernstige waarschuwing in voor de kerk. Want als de natuurlijke takken (Israel) door hun ongeloof zijn afgebroken, hoe zal dit dan niet veel meer met de wilde takken (de kerk) kunnen gebeuren? Daarom zegt Paulus tot de gemeente: 'Wees niet hooggevoelende, maar vrees; ' (11, 20) 'zie toe, dat God ook mogelijk u niet spare. '(11, 21) Israël is dus voor de kerk een waarschuwend voorbeeld.
De zaligheid der heidenen
Nu trekt Paulus een bijzondere lijn: het gevolg van de verwerping van de Messias door Israël is, dat het evangelie der zaligheid tot de gemeente uit de heidenen is gekomen. ' Door hun (Israels) val is de zaligheid de heidenen geworden' (11, 11). Als we die woorden goed tot ons laten doordringen, zien we dat dat wil zeggen, dat wij geen enkele reden hebben om ons boven Israël te verheffen. Zij, het volk Israël, brachten de Christus voort. Wij (de kerk van het nieuwe verbond) zijn er eigenlijk alleen maar bijgetrokken omdat zij de Messias verwierpen. Om het nog anders te zeggen: in de grote heilsdaden van God is Israël nummer één en de kerk uit de heidenen nummer twee.
Paulus zegt er bovendien nog iets bij: de kerk heeft Israël tot jaloersheid te verwekken. 'Door hun val (het ongeloof van Israël) is de zaligheid der heidenen (de kerk van het nieuwe verbond) geworden, om hen tot jaloersheid te verwekken.' (11, 11).
Als we dat lezen buigen we beschaamd het hoofd. Is er in de geschiedenis van de kerk éénzelfde liefde geweest tot Israël als waarvan we lezen bij Paulus? Heeft de kerk Israël wel tot jaloersheid verwekt? Als we de geschiedenis van de kerk bezien zullen we moeten belijden, dat dikwijls het tegendeel het geval was. En wat de laatste decennia betreft: kan Israël van na de tweede wereldoorlog niet zeggen: het duitse volk was een christelijke (gedoopte) natie, met inbegrip van zijn führer Hitler?
Niet verstoten
In hoofdstuk 11 spreekt Paulus duidelijk van een toekomst voor Israël. 'Heeft God zijn volk verstoten? Dat zij verre; ' (11, 1) Paulus verwerpt de gedachte, dat God Israël voorgoed heeft verstoten, ten enenmale. Israël was immers te vergelijken met de natuurlijke takken. Nu, 'God is machtig deze natuurlijke takken ook weer in te enten' (11, 23). Ja, God zal dat ook doen. Paulus zegt: 'Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij, (...) dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzo zal geheel Israël zalig worden' (11, 25-26).
Paulus heeft hoop voor het volk Israël. Als het evangelie zal verbreid zijn over de gehele aarde (de volheid der heidenen zal zijn ingegaan) zal God het volk tot bekering brengen en zal geheel Israël zalig worden. En de grond van dit alles is: niet dat het volk Israël zo'n goed volk op zichzelf is, maar de verkiezing Gods. 'Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk' (11, 29). En dat alles brengt Paulus tot zijn loflied op de verkiezende God: 'O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen. Want wie heeft de zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen., (11, 33-36).
Door Christus
We zien dus vanuit Rom. 9-11, dat Israël bij de Heere niet is afgeschreven, integendeel, dat de Heere met Zijn volk nog grote dingen vóór heeft. In hoeverre, dat ook de vervulling van allerlei O.T.ische profetieën inhoudt, zullen we niet moeten concretiseren, maar we zullen, voorzichtig deze profetieën lezende, ons verblijden over wat God in en aan Israël doet.
Twee dingen willen we hierbij nog opmerken. In de eerste plaats: dat Paulus spreekt van 'geheel Israël' zal zalig worden hoeft niet in te houden: ieder, hoofd voor hoofd. We zullen het moeten lezen in dezelfde zin als 'volheid der heidenen', wat ook niet betekent iedere heiden, hoofd voor hoofd. Het is het door God bepaalde aantal. Toch duidt het woordje 'geheel' er ook op, dat het er zoveel zullen zijn, dat het representatief zal zijn voor het volk Israël als geheel.
In de tweede plaats meen ik te moeten onderstrepen, dat we de vervulling van de beloften voor Israël niet mogen losmaken van de bekering van Israël tot Christus. 'Geheel Israël' zal niet zalig worden op, laten we zeggen, eigen O.T.ische wijze. Maar door de toekeer tot Christus. Dat lezen we door heel Rom. 9-11 heen, waar Paulus spreekt van hun 'val' hun 'verharding', het gebed dat Paulus voor Israël doet, en dat de gemeente van de nieuwe dag Israël tot jaloersheid heeft te verwekken, d.w.z.: jaloers naar het leven met Christus. Het is ondenkbaar, dat Paulus juist in de Romeinenbrief, de brief van de rechtvaardiging door het geloof in Christus, zou spreken over de zaligheid voor Israël buiten Christus om.
Wondere lijnen
We zien wondere lijnen lopen in de terugkeer van Israël naar zijn land. Betekent dat, dat de Heere bezig is een begin te maken met de vervulling van Zijn beloften t.a.v. Israël? We zullen in dit alles nuchter moeten zijn. We zullen ons moeten wachten voor een Israëlromantiek alsof momenteel in Israël een volk rondloopt, dat regelrecht genoemd kan worden: het volk van God.
En voorts: iemand zei eens: 'Ik lees de krant om te zien hoe God de wereld regeert.' Dat geldt zéker t.a.v. Israël. Maar dat is iets anders dan de Bijbel lezen om de krant te kunnen schrijven.
We hebben ons te wachten voor speculaties. Paulus houdt ons, wat ons betreft, o.a. twee dingen voor, waar we de handen aan vol hebben: het gebed, dat hij voor Israël doet tot hun zaligheid(10, l) en: dat God ons het evangelie der zaligheid geschonken heeft om Israël tot jaloersheid te verwekken. (11, 11).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's