Israel en de gemeente
(3)
Wie het eerst?
Na al het voorgaande kom ik nu tot de binnenste cirkel van de verhouding tussen Israël en de gemeente. De praktijk van de Kerk is lang geweest, dat zij pretendeerde het ware Israël te zijn, terwijl op z'n best het lijfelijke Israël er óók nog mocht zijn. Uitzonderingen bevestigen de regel, maar in doorsnee genomen is er pas algemene aandacht voor Israël gekomen in de zendingseeuw (vooral de 19e eeuw) en speciaal in de opwekkingskringen. De Nadere Reformatie of Tweede Reformatie kende ook wel speciale aandacht toe aan Israël (bijv. W. a Brakel) maar dat was nog lang geen algemeen kerkelijke trend.
In de Kerk leeft inderdaad het zaad van Abraham voort, maar dat is een andere zaak en zeker geen reden om 'ook nog', dus per gratie en op de koop toe, met Israël te rekenen. Dat 'ook' is trouwens toch al een grote vergissing. Paulus spreekt van eerst de jood en óók de griek (Rom. 2 : 9-10), n Luther had goede gronden om dat 'eerst' met 'voornamelijk' weer te geven. In de Evangelieverkondiging zal Israël de plaats moeten hebben, die God het in Zijn heilsplan toekent. Ik denk dan aan Rom. 11. De manier waarop Jehuda Halevi en in zijn spoor Franz Rosenzweig over de wilde olijfboom als zijnde Israël spreekt, zonder ermee te rekenen, dat Paulus met de takken Israël bedoelt, maar met de wortel-iets anders aanduidt, nodigt uit tot een gesprek, temeer om dat in Oudtestamentische teksten (Jer. 11 : 16 en Hos. 14 : 7) het net zo staat met die olijfboom. Wie en wat is die wortel? Zullen de volkeren in de Messiaanse tijd Israël prijzen of de Gód van Israël en Zijn Christus?
Onze verootmoediging jegens Israël is, dat Israël in het Nieuwe Testament veel méér is dan het zichzelf aan betekenis toekent. Dat brengt met zich mee, dat de gemeente zichzelf onderzoekt op de vraag: Wat verwachten we van God? Denken we groot van de God van Israël, ook bij de uitleg van Rom. 11 : 26 en de vraag of de manier, waarop de Verlosser de goddeloosheden van Jakob zal afwenden, inderdaad 'heel Israël' geldt? Geloven we dat dat kan? Bidden we erom?
Siamese tweeling
Tot die binnenste cirkel, die ik daarstraks noemde, behoort ook het samengroeien van Israël in het heil van God. De gemeente is zonder Israël niet volgroeid. Die zaak is aan de orde in Ef.2 : 15 en 4 : 12-16, in Rom. 9 : 24 en 11 : 30-31, in Hebr. 11 : 40 en op andere plaatsen. De lijnen, waarlangs aan het jodendom en aan het christendom een geheel eigen plaats wordt toegekend, zijn in wezen doodlopende lijnen, al getuigen zij van grote welwillendheid van de kant van Israël. Want waarom zou Israël denken aan zijn relatie tot de gemeente en over het heil voor de gemeente uit de heidenen, na al wat geschied is? En tóch hebben deze lijnen m.i. geen toekomst. Men zal elkaar om Godswil de ergernis moeten aandoen dat het christendom Israël ziet in wat het van zichzelf niet is (W. a Brakel) en men zal zich bewijst moeten zijn, dat Israël en de gemeente vroeg of laat om Godswil het beeld van de siamese tweeling zullen vertonen. Zoniet, dan dóet Israël de gemeente tekort en de gemeente Israël, en doen zij samen God te kort. Juist deze oefening in iets, dat wij absoluut niet zien maar dat God heeft geopenbaard, is geloofsoefening. Wat komt daarvan terecht? Vandaar de noodzaak van de vaste plaats van het gebed voor Israël.
Een andere vraag is: Behoort Israël dan reeds tot de gemeente? Zijn de goddeloosheden van Jakob reeds afgewend? Ook wanneer dat niet het geval is, kan tóch nooit de gemeente van Israël worden losgemaakt! In Rom. 11 : 28 spreekt Paulus op twee manieren over Israël en die tekst vormt het beste antwoord op de vraag hoe het nu eigenlijk met Israël en het heil gesteld is. 'Zo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie om uwentwil (terwille van u), maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wil'. Dus wanneer de gemeente spreekt over een nog niet gereinigd en nog niet bekeerd Israël, dan raag zij nooit vergeten, dat de opschorting van Israels heil meedoet als het gaat om het heil voor de gemeente. Israël neemt dus in het heden ten opzichte van de gemeente een dubbele positie in. Juist daarom is het zo belangrijk, dat aan Israël het Evangelie gebracht wordt als een bezit zonder eigenaar, zoals Calvijn het noemt. Daarmee verdwijnt de nodeloze aanstoot, die het christendom het jodendom vaak heeft aangedaan en aandoet.
Israël en het chiliasme
Reeds rond de vraag naar de messiaanse tijd kwam de toekomstverwachting ter sprake. De leer van het duizendjarig rijk en de toename van het aantal aanhangers van die leer onder de christenen nopen me om nogmaals op de toekomstverwachting in te gaan. Is er na Christus' eerste komst in het vlees en vóór Zijn wederkomst nóg een komst van Hem (pre-chiliasme)? Of zal Hij Zijn rijk op aarde rond Sion, in de geliefde stad, duizend jaren lang realiseren in een absolute overwinning van het Evangelie? En zal er dan aan die overwinning weer een einde komen en zal Hij dan, na een beslissende strijd met de ontbonden satan, wederkomen (post-chiliasme)? Ik geloof het niet. Ik geloof ook niet - en daar gaat het nu maar om - dat Israël bij zulk een regering van Christus op aarde belang zou hebben of dat dan Israels weder aanneming geschieden zal. 't Is me altijd nog een vraag waarom Israël zélf, ook in het zionisme, bij mijn weten niet of nauwelijks heeft gereageerd op het chiliasme van de opwekkingsgroepen.
In de hierna te noemen stelling 9 heb ik John Owen aangehaald, omdat hij chiliast was. Hij plaatst, ongeveer net als Calvijn, het verborgen geheim van Israels bekering tegenover de gissingen van velen. In Rom. 11 : 26 weegt de manier, waarop God Israël zal aannemen, namelijk door afwending van goddeloosheden door de Verlosser uit Sion, m.i. veel zwaarder dan de tijdsvraag: Wannéér zullen deze dingen geschieden?
Toch kunnen we niet ontkennen, dat in het 'ontwaken' van de gemeente in de achttiende en vooral in de vorige eeuw Israël, de zending en de leer van het duizendjarig rijk hebben gefunktioneerd als broer en zus.
Bij de leer van het duizendjarig rijk moet je altijd twee dingen zeggen: de aanhangers ervan verwereldlijken het Rijk van Christus tot een zaak, die er éérst tenvólle duizend jaren is, dan weer niet is en dan eeuwig is (Calvijn). En: toen de gemeente in de geschiedenis oog kreeg voor de zending, kwamen ook, als daarmee verbonden, Israels toekomst en de leer van het duizendjarig rijk tevoorschijn. Prof. dr. C. Graafland heeft er eens op gewezen, dat door de leer van het duizendjarig rijk de aardse aspecten van de meditatie over de toekomst in het gereformeerde protestantisme nooit geheel verloren zijn gegaan. Zelf houd ik graag de mogelijkheid open, dat in het werkelijke verkeer met Israël de gemeente zal leren op een bijbelse manier te denken over de toekomst en dat dan ook de leer van het duizendjarig rijk teruggebracht zal worden tot wat bijbels geboden is te verwachten. Want door het werkelijke gesprek met Israël zal de gemeente ook in historisch perspektief de eenheid van het verbond van God met Israël en al Abrahams kinderen, met Israël en de gemeente, gaan inzien en beleven.
C.A. Tukker
Samenvattende stellingen
1. De verhouding tussen Israël en de gemeente van Jezus Christus is er een van twee kanten.
2. De verhouding tussen Israël en de gemeente betekent van de kant van de gemeente vooral dat zij vanuit zendingsoogpunt met Israël in gesprek is en daarbij sterk gedreven wordt door wat in het laatste der dagen verwacht wordt, terwijl die relatie van de kant van Israël zich sterk zal richten op de vragen van de Schriftuitleg en de opvatting van de Wet.
3. Israels traditie aangaande de Schrift draagt nauwelijks bij tot de theologie van Oud en Nieuw Testament die immers door Jezus Christus gevuld en bepaald is.
4. Het zijn van Israël in al zijn betekenissen , noopt de gemeente tot ootmoed, gedurig zelfonderzoek en bewustwording van haar grenzen.
5. De verootmoediging van Israël komt niet uit de ontmoeting met de gemeente voort, maar uit de geschiedenis en verkondiging van Jezus Christus.
6. De uitspraak dat buiten de gemeente geen heil is, kan alleen door het geloof in Jezus Christus Die Zijn gemeente rond Zich vergadert, gezegd worden.
7. De gemeente is niet gekomen en zal niet komen in de plaats van Israël, maar heeft Israël tegenover zich en is zonder Israël niet volgroeid.
8. Het Nieuwe Testament biedt geen grond voor de gedachte aan een eigen bedeling van het heil voor Israël.
9. De toekomst van Israël is een mysterie verborgen in God (Owen).
12. Voor Israël wint in het gesprek met de gemeente het Evangelie aan waarachtigheid, wanrieer het wordt voorgesteldals een bezit dat geen eigenaar heeft (Calvijn).
15. De ergernis die bij Israël verwekt wordt doordat het christendom Israël ziet in wat van zichzelf niet is (W. d Brakel), is gevolg van de Bijbelse verkondiging en geldt in gelijke mate de gemeente als Israël.
17. Een gesprek (dialoog) in Bijbels licht tussen de drie 'zonen van Abraham' (Israël, Islam en christendom) is onmogelijk vanwege a) de Wetsinterpretatie, b) de Godsleer en c) het feit dat de Islam geen verlossingsreligie is (zie Rosenzweig).
18. De openheid van vooral het liberale Jodendom om te spreken over 'het Messiasschap van Jezus en de geringe belangstelling van het orthodoxe Jodendom voor deze aanspraak bemoeilijkt het gesprek tussen Israël en de gemeente.
19. De band tussen God en Israël zal ook in de toekomst er een van verlossing zijn (Rom. 11 : 26).
20. Het mede door het Réveil aktueel geworden gebed voor Israël dient een vast bestanddeel te worden in de christelijke eredienst.
21. Israël, de zending onder de volkeren en de leer van het duizendjarig rijk zijn drie variaties op het ene thema: het Koninkrijk van God.
24. Beklemtoning van het chiliasme betekent vaak vergoeding voor het gebrek aan eenh eid in het verbond dat God met Israël én de gemeente opricht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's