Een boek waarop gewacht is
Gij die eertijds verre waart
Voor de zending wordt in de Gereformeerde Gezindte goed 'gegeven', zoals dat heet. En de jaarlijkse zendingsdagen trekken duizenden bezoekers. Maar daarmee is nog niet gezegd, dat de zending als zodanig echt leeft in de gemeente, al is het tegendeel van het hier genoemde zéker geen bewijs van een levende zendingsgemeente. Gezegd moet worden dat de zendingsbezinning tot heden vrij schaars was binnen de Gereformeerde Gezindte. Met bezinning bedoel ik dan de doordenking van de theologische vragen, die er thans op het terrein van de zending liggen. De zendingswetenschap is de laatste jaren in vele opzichten nieuwe wegen ingeslagen. We denken maar aan de veldwinnende gedachte van de dialoog met wereldreligies en ideologieën. De dekolonisatie van allerlei landen in de laatste decennia bracht verder ook een gewijzigde verhouding tussen de kerken daar en hier, met allerlei praktische consequenties. Daarom is er al jaren dringend behoefte aan een doorwrocht stukje zendingsbezinning in gereformeerde zin. Er is nu een boek verschenen, dat in dit opzicht een respectabele poging tot echte bezinning op de huidige vragen genoemd mag worden. Dat dit ook als zodanig ervaren wordt mag blijken uit een pagina-groot artikel, dat prof. dr. J. Verkuyl, die zelf een omvangrijk boek over de zending schreef, publiceerde in Trouw, en dat terwijl in dit boek nogal eens kritisch op zijn inleiding tot de zendingswetenschap wordt ingegaan. In totaal 9 zendingsdeskundigen uit de kringen van de Christelijke gereformeerde Kerken (prof. dr. J. P. Versteeg en drs. W. van Heest) de Gereformeerde Gemeenten (prof. dr. ir. A. Moens en drs. Chr. Fahner) en de Gereformeerde Bond (prof. dr. C. Graafland, dr. C. A. Tukker, drs. H. van 't Veld, drs. J. J. Tigchelaar en drs. C. G. Bout) schrijven over uiteenlopende onderwerpen. We kunnen er niet aan denken in het bestek van één artikel ook maar enigszins aan een bespreking van die uiteenlopende onderwerpen te denken. We attenderen slechts op enkele aspecten.
De titel
De titel van het boek is ontleend aan de bekende tekst in Ef. 2 : 11. Prof. Versteeg zegt er in zijn artikel, waarin hij een indrukwekkende hoeveelheid bijbelmateriaal ten aanzien van de zending bijeenbrengt en in het juiste verband stelt, het volgende van: In dit gedeelte komen we de tegenstelling tegen tussen 'eertijds' en 'nu'. 'Eertijds' waren de gelovigen in Israël heidenen naar het vlees. Ze waren zonder Christus, vervreemd van het burgerschap van Israël en vreemdelingen van de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld. Daartegenover zegt Paulus tot hen: Maar nu in Christus Jezus zijt gij die eertijds verre waart nabij geworden door het bloed van Christus.’
Het is een goede zaak, dat Versteeg er ons aan herinnert, dat deze tekst niet allereerst slaat op de ommekeer, die er kwam in het leven van individuele gelovigen, maar dat de tegenstelling tussen het 'eertijds' en 'nu' een heilshistorische tegenstelling is. Er is het 'eertijds' van de oude bedeling toen er een scheidslijn was tussen Israël en de volkeren terwijl het 'nu' ziet op de nieuwe bedeling, nu ook de volkeren in het heil mogen delen. Daarom is Ef. 2 : 11-22 allereerst een zendings woord. En daarom had de titel van het boek niet beter gekozen kunnen worden. Joden en heidenen hebben in de nieuwe bedeling door één Geest toegang tot de Vader (Ef. 2 : 18). Prof. Versteeg maakt in zijn grondige bijdrage duidelijk wat dit voor de zending betekent. Eén van de Bijbelwoorden uit zijn bijdrage, die me troffen was Hand. 13 : 2 waarin wordt gezegd, dat 'de Heilige Geest de opdracht gaf om Barnabas en Paulus af te zonderen tot het zendingswerk’.
Door één Geest de toegang tot de Vader en het is dezelfde Geest die tot het zendingswerk roept!
Spanning
Prof. dr. C. Graafland stelt in zijn bijdrage ('Theologische Hoofdlijnen')onder meer, dat de Gereformeerde Gezindte niet bogen kan op een rijke zendingstraditie. Behalve de oorzaak, dat men in de Reformatie tevergeefs zoekt naar zendingsbewustzijn (pas in de nareformatorische tijd is daarvan wat gekomen), is er déze oorzaak - zo zegt Graafland - dat ook de gereformeerde geloofsleer in deze niet meewerkte; en hij doelt dan op de leer aangaande de verkiezing. Graafland zegt: 'Wel ging het belijden van de verkiezing aanvankelijk gepaard met het verstaan en vervullen van de roeping van de kerk en de christen voor en in de wereld maar gaandemeer werd het accent verlegd naar de vraag van het persoonlijk al of niet verkoren-zijn, niet zelden gepaard gaande met een lijdelijke instelling, waarin het besef dat God het moet doen niet stimulerend maar remmend werkte op het geloofsleven.’
En toch ligt er in het Reformatorisch belijden zóveel materiaal opgetast 'dat ons meer dan voldoende aanleiding geeft om onze zendingsroeping te verstaan en te vervullen'. Met name ook de Dordtse Leerregels spreken al direct bij het begin, als over de verkiezing gesproken wordt, over de liefde Gods, 'die daarin is geopenbaard, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.' 1. Joh. 4:9, Joh. 3 : 16.
Graafland gaat dan uitvoerig in op het bijbels gegeven, dat de zending van Gód is. God is het ook die verkiest. Zijn verkiezing draagt een souverein-onafhankelijk karakter. 'Het hangt niet af van Israels gehoorzaamheid en daarom strandt het ook niet (uiteindelijk) op Israels 'ongehoorzaamheid.' (Rom. 11 : -26-30).
Daarom ligt de diepste motivatie van de roeping van de kerk tot zending in het handelen van God. Gód doét aan zending en daarom doen wij het.
Hij schakelt ons bij Zijn werk in.
Verder zijn ook de Verkiezing Gods en de zending van de Zoon direct op elkaar betrokken. 'Zo vormen verkiezing Gods en de zending van Christus en de zending tot de volken een diepe eenheid.’
Diepgaand gaat Graafland dan verder in op het feit, dat, hoewel er sprake is van het kosmische, het alomvattende heil van Christus, er nergens in de Schrift sprake is van een universalistisch heil, een heil waarin de mensheid als zodanig, buiten het bewuste geloof in Hem, deelt. In deze bijbelse stellingname ligt het beshssend moment tussen dit zendingsboek en allerlei huidige zendingsopvattingen, waarin met het heil in Christus zó universeel voorstelt, dat het (heil) óók is ingedragen in de grote wereldgodsdiensten. Mét de Schrift zegt Graafland, dat de prediking der verzoening prediking des geloofs is, omdat alleen op de wijze van het geloof de mens in deze verzoening deelt en de zekerheid ervan ontvangt. Het gaat dan ook om 'het specifieke werk van de Geest in het mensenhart', niet als een specialiteit van Gereformeerde huize (bevinding), maar diep verankerd in de Schriften.
Onrecht
We doen de overige scribenten in dit rijke zendingsboek schromelijk onrecht, dat we hun bijdrage niet zó voor het voetlicht halen als de eerste twee in dit boek. Maar in feite hebben we ook prof. Versteeg en prof. Graafland al onrecht gedaan door uit hun bijdragen óók maar een enkel facet te kunnen vermelden.
We noemen de volgende bijdragen in de volgorde waarin ze in het boek staan. Dr. C. A. Tukker geeft een korte zendingskroniek, een zendingsgeschiedenis in vogelvlucht; én een bijdrage over 'het Israël Gods'. Drs. H. van 't Veld schrijft over 'Zending in stroomversnelling', een deskundige artikel, waarvan de titel voor zichzelf spreekt. Drs. J. J. Tigchelaar schrijft over verhouding van woord en daad in de zending. Drs. Chr. Fahner schrijft over 'Taal, cultuur en de zending', een uitermate boeiende bijdrage, waarin hij het eigene van de verschillende culturen enerzijds ten volle honoreert en anderzijds nergens verabsoluteert.
Eveneens boeiend en deskundig (of juist vanwege die deskundigheid boeiend) is de bijdrage van mevr. drs. C. G. Bout, óóit werkzaam voor de GZB in Kenya, over 'Medische zending als zending'. Het doet me denken aan deuitzendingsdienst, destijds in Genemuiden, waar dr. H. Bout óók de medische dienst, als dienst der genezing, vanuit het Woord belichtte en het als directe zendingsopdracht, rakende de totaliteit van het leven, centraal stelde.
Prof. dr. ir. A. Moens schrijft over 'De daad bij het Woord', ten dele al behandeld door Tigchelaar, maar hier meer vanuit landbouw-deskundig oogpunt toegespitst op zaken als ontwikkelingssamenwerking e.d. Een artikel overigens, waarin het praktische op harmonische wijze wordt verbonden met het principiële (woord en daad zijn onlosmakelijk).
Tenslotte besteedt drs. W. van Heest aandacht aan 'onderwijs en vorming in de zending', een bijdrage waarmee de bundel op harmonische wijze afsluit. Het theologisch principe, het daadkarakter, en het onderwijzend karakter van de zending zijn onlosmakelijk tot een eenheid verbonden.
Verdeeld
Er is één ding wat bij een bundel als deze, dunkt me, nog te overdenken valt. De stroom van het evangelie liep aanvankelijk door één apostolische bedding, vanuit Jeruzalem de wereld in. Nu kruisen de zendingsstroompjes vanuit de diverse landen naar andere landen elkaar en is er sprake van een véélheid, die de éénheid nog schier nauwelijks doet ontdekken.
‘Laten wij ervoor waken, ’ zegt prof. Graafland in zijn bijdrage, 'op enigerlei wijze ondermijnende factoren binnen de gereformeerde traditie over te dragen aan anderen, zeker aan de jonge kerken.' Welnu, moet dan niet allereerst worden gezien op de ondermijnende factor van de verdeeldheid? We zullen de laatste zijn om te zeggen, dat alle zendingswerk, zoals het nu zich aandient, één kan zijn. Op beslissende punten is er een radicaal uiteengaan. Maar zullen wij ooit in de landen van de derde wereld kunnen duidelijk maken dat en waaróm wij in ons gereformeerd protestantisme in zóveel verschillende stromingen uiteen gevallen zijn en nu elk voor onszelf de wereld in moeten met dezelfde boodschap, die we toch pretenderen verschillend te vertolken?
Men zal mij dan tegenwerpen, dat een boek als het onderhavige een duidelijk bewijs is dat we samen iets doen kunnen: Christelijke Gereformeerden, Gereformeerde Gemeentenmensen en Gereformeerde Bonders. Welnu, het verheugt me van harte, dat een bundel als deze er komen kon en dat zo een stuk zendingsbezinning op dezelfde grondslag het licht mocht zien. Maar wat zou het nóg mooier geweest zijn als het bestuur van de Gereformeerde Zendings Bond en de Zendingsdeputaten van de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Gemeenten in bijvoorbeeld een gezamenlijke opdracht, vóór in deze bundel, blijk hadden kunnen geven van hun gezamenlijke verantwoordelijkheid voor bezinning op het zendingswerk overzee en zó hadden getoond, dat het toch eigenlijk om één en dezelfde opdracht gaat. Dan nóg blijft de kerkelijke verdeeldheid met z'n 'ondermijnende factoren' - om Graafland nóg eens te citeren - recht overeind staan. Maar dan zou midden in de 'gebrokenheid van onze Gereformeerde Gezindte een vonk van wederzijdse herkenning te signaleren geweest zijn. Misschien komt die dag nog eens.
Voorlopig moeten we het doen met 'Tien keer Gereformeerd'. Bij deze bundel heb ik toch alvast negen keer 'Dank u' gezegd.
Prof. dr. J. P. Versteeg e.a.; Gij die eertijds verre waart; een inleiding tot de Gereformeerde Zendings wetenschap, Uitgave De Bapier, Utrecht, 390 pagina's, ƒ 59, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's