De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

14 minuten leestijd

Israelitisme

Wat wordt met deze vreemdklinkende aanduiding bedoeld? U begrijpt, dat het iets met Israël te maken heeft. Tegelijk doet het ons op onze hoede zijn. Het is immers een '-isme' en daar moetje in vele gevallen voorzichtig mee zijn. Nu, zo is het ook hier. Ik kwam de uitdrukking tegen in een referaat vanprof. dr. R. Bijlsma, uitgesproken op een conferentie van de Confessionele vereniging, en gepubliceerd in het Hervormd Weekblad. Dat de kerkelijke prediking aandacht heeft voor Israël, voor het Oude Testament, is uiteraard zonneklaar, als we tenminste ernst willen maken met het 'Het heil is uit de Joden'. En wie prof. Bijlsma kent, weet dat die aandacht voor Israël in zijn spreken en preken niet tekort komt. Maar in dit geval gaat het om iets anders. Wij citeren uit zijn referaat:

Trouw aan de Bijbel houdt in: trouw aan de tweeeenheid van het Oude en het Nieuwe Testament. Dit is een zeer aangelegen principe voor de prediking. In onze tijd valt ons de zegen te beurt van een herwaardering van het Oude Testament als de Bijbel van Israël. De tijd dient voorbij te zijn, dat het Oude Testament werd beschouwd als een opstapje naar het Nieuwe, een historische voorbereiding op lager plan. Het besef groeit, dat het Nieuwe Testament niet verstaan kan worden zonder het Oude. Het unieke van Tenach is voorwerp van intens theologische belangstelling. De slinger slaat zelfs zover door, dat het unieke van het Nieuwe Testament wel eens in het gedrang dreigt te komen. Als reactie op het verleden is dit begrijpelijk, maar zonder gevaar is het niet.

Van Ruler, van wie de uitspraak over het Nieuwe Testament als een verklarend woordenboekje van het Oude, nogal eens is aangehaald en die beslist niet verdacht kan worden van geringschatting van het Oude Testament, heeft in 1968 het gevaar al gesignaleerd, dat het christelijke wordt ingewisseld voor het israëlitische en nog een stapje verder het israëlitische voor het algemeen-menselijke.

‘We willen dan geen christianisering meer, maar maximaal israëlitisering. En eigenlijk willen we ook geen israëlitisering, maar zuivere humanisering. Men denkt dan, dat dit al kan; dat we al zo ver zijn, dat het leven zuiver gehumaniseerd kan worden. (A. A. van Ruler, Ik geloof, Nijkerk, Callenbach 1968, p. 57) In dit verband acht van Ruler het beter de term Christus niet alléén maar terug te vertalen met 'de Messias'. De naam Christus heeft inderdaad in de christelijke Kerk een eigen inhoud en waarde, die niet samenvallen met die van het joodse Messias. Ook jegens het Jodendom is die gelijkstelling niet correct. Daar is de messiaanse verwachting meer gericht op de messiaanse tijd dan op de persoonlijke Messias. En de christelijke belijdenis van Jezus als de Christus dreigt via een israëlitisering onder te gaan in een algemeen, messiaans genoemd, humanisme.

Hoe belangrijk deze dingen zijn voor de prediking, is met de handen te grijpen. Het unieke van het Oude Testament mag niet verloren gaan in een algemene christianisering noch het unieke van het Nieuwe Testament in een algemene israëlitisering. Het is een heilloze en onbijbelse verwarring, wanneer wij van de joodse messiaanse verwachting maar vast een christelijk Messias-geloof maken. Dan wordt joodse berekening van de paasdatum toegepast op de viering van het christelijke Paasfeest. En de joodse feesten zouden eigenlijk alle gekerstend moeten worden. Onlangs is bijv. nog geplet voor het opnemen van het Loofhuttenfeest in de christelijke feestdagen. Dat dit alles door het rabbinisme als een annexatiedrift van het Christendom wordt ervaren, schijnt niet mee te tellen. Maar nog bedenkelijker is, dat het unieke van het Oude en Nieuwe Verbond beide op deze manier gemakkelijk wordt prijsgegeven.

Dit proces is momenteel aan de gang. Heel wat morgem-overwegingen en ochtendwijdingen, die door de radio tot ons komen, geven er blijk van, dat door sommigen de weg van de christianisering via de israëlitisering naar de humanisering in de vertolking van de bijbel reeds tot het einde toe is afgelegd. Misschien komt dit ook op de kansel al voor. Men zij op zijn hoede, dat zo het heil van de mens en van de messiaanse toekomst niet afhankelijk wordt gemaakt van menselijke aktiviteit volgens menselijke normen. Zulk een vooruitgrijpen op het Rijk der heerlijkheid (want niets minder is het!) moet tot ontgoocheling en rampzalige frustaties leiden, als steeds duidelijker aan de dag treedt, dat het heil van de mensen in mensenhand niet veilig is.

Mijns inziens legt Bijlsma hier de vinger bij een gevaarlijke trend in de huidige theologische ontwikkeling. Een ontwikkeling, die niet alleen maar een reactief moment in zich bergt ten opzichte van een vorige periode, toen de aandacht voor Israël helaas minimaal was. Is de eeuwen door de bedreiging voor de christelijke kerk niet geweest een humanisering, waarbij het heil afhankelijk wordt gemaakt van menselijke aktiviteit, en het 'door genade alleen' vervangen wordt door een geraffineerd synergisme waarin God en mens samenwerken. Dat kan in allerlei vormen optreden. Men denke aan rechtvaardigingsleer van het Roomskatholicisme uit de zestiende eeuw, waartegen Luther optornde. Men kan ook denken aan het modernisme en moralisme van de vorige eeuw. Vandaag zien we de ketterij van de rechtvaardiging uit de werken in de gedaante die Bijlsma beschrijft. Laten we in de kerkelijke prediking in deze tijd op onze hoede zijn voor een vervorming van de prediking der genade. Want een dergelijke vervorming is tot schade van kerk en volk.

Kinderen aan het Avondmaal?

Al meerdere malen is ook in deze rubriek dit onderwerp voorwerp van bespreking geweest. Dat is niet zo vreemd, gezien het feit dat in allerlei kerken dit op het ogenblik of in bespreking is, of gepraktizeerd wordt. Er zijn zelfs kerkelijke gemeenten met meer predikantsplaatsen waar een wijkgemeente die hier niet aan meedoet, een buitenbeentje dreigt te worden. Soms krijgt men de indruk dat de argumenten van de tegenstanders, zo u wilt bezwaarden, achterhaald zijn en nauwelijks de moeite van discussie waard. Is dat zo? Ik meen van niet. In Opbouw gaat drs. H. de Jong in een uitvoerig antwoord aan ds. N. Cornelisse op deze zaak in en formuleert hij zijn bezwaren tegen de kindercommunie. Over de instelling van het Avondmaal schrijft de Jong

Maar nu nog even terug naar het N.T. Behalve de brief van Paulus aan de Corinthiërs zijn daar ook de evangeliën die van de instelling van het avondmaal berichten. Wanneer heeft onze Here het avondmaal ingesteld? Niet bij een van de grote maaltijden die Hij met de scharen gehouden heeft. Waarbij Hij het brood vermenigvuldigde. Daar waren mannen, vrouwen en kinderen bij tegenwoordig, zoals ons met zoveel woorden gezegd wordt. Toch heeft de Here toen de gelegenheid niet aangegrepen om via het avondmaal tot deze allen te zeggen dat de belofte voor hen was. Want dit is toch volgens ds. Cornelisse de functie van het avondmaal: betuiging van de belofte voor de hele kring van het verbond.

Maar nee, het avondmaal stelde de Here in bij een andere gelegenheid. Op het moment namelijk dat de aanhang van de Here Christus danig teruggelopen was en echt geen schare meer vormde. Ik bedoel het twaalftal met enkele vrouwen daaromheen. Tot hen zei Jezus: Ik heb vurig begeerd dit pascha met u te vieren, eer Ik lijd. Wij hebben op deze kleine kring nogal wat aan te merken en niet zonder reden. Het is wel terecht dat wij er op wijzen dat deze discipelen-kring tot in de paaszaal toe gekibbeld heeft, nota bene over de vraag wie van hen wel de meeste mocht zijn. Dat is beschamend genoeg.

Toch kan bij ons deze navrante bijzonderheid zo'n aandacht krijgen, dat daardoor-onbedoeld-het belijdend karakter van de discipelenkring miskend wordt. Het is waar dat Jezus gezegd heeft: gij zult allen aanstoot aan Mij nemen. En Petrus werd de verloochening voorzegd. Verloochenen, dat is het tegengestelde van belijden. Dus wat blijft hier over van dat belijdend karakter? Niets - voor wie werelds oordeelt.

Toch zei Jezus tot hen: Gij zijt het die steeds bij Mij gebleven zijt in mijn verzoekingen' (Luc. 22 : 28). Hier wordt over deze zwakke, zondige mensen een genade-oordeel voltrokken. Hier worden ze door het geloof gerechtvaardigd. Hier zijn zij degenen, 'welke Gij Mij gegeven hebt', zoals Jezus in het hogepriesterlijke gebed zegt (Joh. 17 : 9, 11, 12). 'De woorden die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan en zij hebben geloofd dat Gij Mij gezonden hebt.' (Joh. 17 : 8). Daarom zegt het oude avondmaalsformulier terecht, dat Christus het avondmaal alleen voor zijn gelovigen verordineerd heeft. Dat wordt niet gezegd om de schuchteren af te schrikken. Wie het avondmaal gebruikt, mag twijfelen aan zichzelf en aan heel zijn leven, maar niet aan (zijn geloof in) Christus.

Het tijdstip waarop de Here zijn maaltijd instelde zegt werkelijk iets over de vraag wie er aan zal deelnemen. Het avondmaal is ingesteld niet aan het begin van Jezus' dienst op aarde, toen de toeloop vrij algemeen was, maar aan het einde, toen Hij enkele trouwe belijders uit deze massa had overgehouden, (zij het dat ook bij hen nog grote zwakheden waren overgebleven). De nadruk die ik leg op het intense belijdeniskarakter van het avondmaal, vindt hier bevestiging, meen ik.

Al mogen we het accent op het belijdeniskarakter niet overspannen, omdat het Avondmaal immers primair Gods gave aan ons is, de betuiging van Zijn trouw en liefde in de tekenen van brood en wijn, terecht wijst De Jong erop dat Gods gaven in geloof ontvangen worden. Christus heeft deze maaltijd ingesteld voor de gelovigen. En De Jong herinnert aan de bepaling in de Dordtse kerkorde: 'Men zal niemand ten Avondmaal des Heren toelaten, dan die naar de gewoonheid der kerk tot welke hij zich voegt, belijdenis der gereformeerde religie gedaan heeft.' Voorafgaande belijdenis was voor hen onontbeerlijk voor deelneming aan het Avondmaal.

Kindercommunie en tucht

In een volgend artikel (Opbouw van 30-6-78) brengt drs. De Jong ook de tucht ter sprake. Tucht ziet hij namelijk als middel om het belijdenis-karakter van het Avondmaal hoog te houden. Kunnen gereformeerde kerken die de tucht kennen, ooit kinderen tot het Avondmaal toelaten? Past dat wel, gezien het feit dat de tucht in bijbelse zin ook betekent dat men niet alleen de grove zondaars, maar ook de nette ongelovigen vermaant zich van de Tafel des Heren te onthouden? De tegenwerping die dan direct oplinkt is: Maar kunnen kinderen dan niet geloven? De Jong schrijft:

‘Dus u vindt, dat kinderen in de Icerk op één lijn staan met ongelovigen? ' Ik erken dat ik mezelf onder die verdenking stel. Toch is dat niet zo. Kinderen kunnen geloven. Zelfs zo sterk dat ze ons volwassenen met hun geloof beschamen. Toch, al wil ik de kinderen samen met de gemeente als gelovigen aanspreken, noem ik een individueel kind liever geen gelovige. Eigenlijk om dezelfde reden als waarom de rechter ze niet als getuigen accepteert, tenzij ze 15 jaar oud zijn. Is dat omdat elk getuigenis op de leeftijd daarvóór als leugen gewantrouwd moet worden? Nee, maar omdat een kind met zo iets verantwoordelijks als een getuigen-verklaring, (waarop eventueel een vonnis gebaseerd wordt) niet belast mag worden. En psalm 8 dan: Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest.'? Daar bouwt de Here zelf toch op kinder-geloof? God kan dat doen, ja, tot beschaming van volwassenen. (Matth. 21 : 6). Maar juist daarom is er voor ons geen regel uit af te lezen. Je kunt als kerk toch niet jezelf beschamen? Toch doen sommigen het voorkomen, alsof dat wél kan. Alsof het mogelijk is, als kerk te zeggen: aten wij ons optrekken en verwarmen aan het kindergeloof. Maar kinderen moeten zich juist aan óns geloof kunnen optrekken!

Werkelijk, wanneer ik van deze kant komend stuit op het verlangen om de kinderen aan het avondmaal te laten deelnemen ('Want zij geloven tenminste nog zo heerlijk'), dan zeg ik: kinderavondmaal is de stuiptrekking van een kerk die sterft aan ongeloof. Maar natuurlijk weet ik wel, dat kinderavondmaal deze kwade wortels niet behoeft te hebben en dikwijls ook niet heeft. Het verlangen naar kinder-avondmaal kan bijvoorbeeld ook een typische vrijgemaakte wortel hebben? Ik bedoel dat men ten onzent sterk objectiverend het verbond zozeer gevuld en bepaald ziet door het Woord van God, dat 's mensen geloofsantwoord bijna geen nadruk krijgt. Als ik het goed zie, begint ons deze eenzijdigheid vandaag behoorlijk op te breken. In deze zin, dat het wel eens lijkt alsof men de religie en de religieuze taal aan het ambt uitbesteedt om dan zelf in een religieuze onherkenbaarheid gemeente te zijn. Dat komt onder ons wel voor. Ik realiseer me dan ook zeer wel dat ik met mijn nadruk op het belijdend karakter van de gemeente niet zo stevig in de vrijgemaakte traditie sta. Omgekeerd verbaas ik mij van mijn kant niet, dat de gedachte van kinder-avondmaal onder ons weerklank vindt. Het is het doortrekken van een schadelijke lijn in de vrijmaking, die ik bij vroegere gelegenheden al eens heb getracht aan te wijzen.

De schrijver wil hierin voluit honoreren dat er in elk verbond twee partijen begrepen zijn. Zeker, het is Gods eenzijdige beschikking, verbond der genade. Gods trouw gaat aan mijn geloven vooraf. Maar de God des Verbonds roept tot geloof en bekering.

Het lichaam onderscheiden

Ook over deze tekst schrijft De Jong behartigenswaardige dingen. Hij gaat in op de uitdrukking 'lichaam des Heren’.

Dat ds. Comelisse gevaar loopt het avondmaal te veel te socialiseren is ook nog aan iets anders te zien, dat hij in dit verband noemt. Hij schrijft: Er is door anderen op gewezen dat Paulus met het onderscheiden van het lichaam in 1 Kor. 11 : 29 allereerst doelt op de gemeente, de gemeenschap, en in het verlengde daarvan, op het avondmaal.' Ik ken die gedachte en vind er ook wel iets moois in zitten. De Corinthiërs onderscheidden inderdaad in die zin het lichaam niet, dat ze de gemeente Gods minachtten door de behoeftigen beschaamd te maken (1 Cor. 11 : 22). Ze lieten immers aan de avondmaalstafel het verschil tussen arm en rijk op schrijnende wijze voelen. Toch heeft m.i. de uitdrukking 'het lichaam niet onderscheiden' niet in de eerste plaats deze betekenis. De uitdrukking zal vooral bezien moeten worden in het licht van I Cor 11 : 27, waar Paulus spreekt van 'het zich bez' mdigen aan het lichaam en bloed des Heren'. Beide uitdrukkingen zie ik parallel staan en daarom betrek ik het niet onderscheiden van het lichaam eerst en vooral op het lijfelijke lichaam van Christus dat voor ons in de dood gegeven is. Het niet onderscheiden van dat lichaam betekent dus, dat men voorbij gaat aan de geestelijke betekenis van de maaltijd des Heren, die ons gemeenschap geeft, jazeker, maar eerst en vooral aan het lichaam en bloed van Christus (vgl. 1 Cor. 10 : 16). De onderlinge gemeenschap vloeit daaruit voort en is daarvan afhankelijk. Het sociale is een aspect aan het avondmaal, maar niet het eerste en zeker niet het enige. Daarom gaat tucht bij het avondmaal ook niet in de eerste plaats over de gemeenschap aan elkaar, maar over de gemeenschap aan Christus.

De schrijver is van mening dat vervlakking en socialisering van het Avondmaal mee opkomen met het gebruik kinderen de maaltijd des Heren te laten mee vieren. De Jong schrijft in verband met problemen die hier en daar bij de 'buitenverbanders' rijzen. Maar m.i. kunnen ook Hervormden veel van zijn beschouwingen leren. Mij trof destijds in een handreiking van de synode over deze zaak dat men de kindercommunie alleen maar verdedigen kon, door de belevingsaspecten van het Avondmaal te verbreden, en naast de diepe tonen die het klassieke Avondsmaalformulier aanslaat, ook sterke nadruk te leggen op het diakonale, het sociale en horizontale aspect. Ik meen dat inderdaad het gevaar van vervlakking dreigt als men de gemeenschap onderling losmaakt van het primaire: Gemeenschap aan Christus en zijn schatten en gaven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's