Liefde voor het Woord en de kerk
Er zijn altijd weer mensen die een vraagteken zetten achter het welgemeend, het welmenend aanbod van genade. Een heet hangijzer, maar hoe ziet U roeping en verkiezing? Roeping tot geloof?
Ds. Tukker: Dat is natuurlijk onlosmakelijk aan roeping tot het ambt verbonden. Zonder dat kunt U in een ambt niet treden, kunt U ook in een ambt niet zijn. Maar deze roeping die van God uitgaat om tot Hem te komen, van Hem te zijn en voor Hem te zijn en Zijn dienaar te zijn, die is natuurlijk ook onlosmakelijk verbonden aan de roeping tot het geloof en het zijn van God, bij God en voor God.
Vraag: Dus de roep van God is welgemeend? Zonder voorwaarden?
Ds. Tukker: Zeer zeker, zeer zeker, zonder voorwaarden. Juist zonder voorwaarden, want wij brengen niks mee. Hij geeft alles. Zelfs ook in de studie en dat is doorlopend zo geweest; in al het werk wat wij doen is het zo dat dat een gegeven zaak is. God helpt. God draagt. Ik ben geen dominee geworden, ik ben het gemaakt. (...)
Wat de roeping tot het geloof betreft: God roept duidelijk en God roept zo dat wij aan onze roeping onze verkiezing kunnen aflezen.
Vraag: Oplettende luisteraars zullen misschien zeggen, dat is een prachtige theorie wat deze man allemaal vertelt. Mag ik het even oneerbiedig zeggen tegen U? Waar haalt hij dat uit de Schrift vandaan? Kunt U dat met Bijbelse voorbeelden toelichten?
Ds. Tukker: Jawel.
Vraag: Want ik mag toch aannemen dat U dat toch ook als richtsnoer wilt handhaven.
Ds. Tukker: Natuurlijk. Als de Heere Jezus Zijn discipelen roept, dan roept Hij ze ambtelijk, maar Hij roept ze gelijk tot het geloof. Heel duidelijk is dat met Levi, de latere Mattheus, die Hij uit het tolhuis haalt en die Hij dus roept en die ook één van Zijn discipelen wordt.
De roeping tot een ambt moet onlosmakelijk verbonden zijn aan de roeping tot het geloof. Hoe kan iemand predikant zijn als hij niet gelooft!
Vraag: Maar niet iedereen is predikant, maar nu de gewone, mag ik het zo zeggen, de gewone gemeenteleden, de mensen die 's zondags onder het Woord verkeren; in veel kringen wordt daar toch een vraagteken gezet: Ja, die dominee kan dat wel goed zeggen, maar., maar....
Ds. Tukker: Elk van hen roept God tot het geloof en je zou kunnen zeggen dat het algemeen priesterschap der gelovigen, het lidmaat-zijn van de kerk, een hoge bevoorrechting is.
Vraag: Ja, en een Bijbels voorbeeld?
Ds. Tukker: De moordenaar aan het kruis, die toestemming krijgt op zijn bede om met Hem nota bene het Koninkrijk Gods binnen te gaan in de laatste uren van zijn leven.
Vraag: Maar die staat er natuurlijk niet als voorbeeld van uitstel tot het laatste moment. Dat is een duidelijke directe confrontatie. In de laatste levenssituatie: Christus en de moordenaar.
Ds. Tukker: Ja, maar dit geldt toch van elk die tot geloof komt, dat God hem roept, zoals Hij is. Hij zegt: Komt tot Mij allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven. Maar Hij zegt het ook veel universeler als Hij zegt: Wendt U tot Mij en wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer. En dan sluit Hij niemand uit. En toch verwezenlijkt Hij Zijn verkiezing in dat roepen en in de beantwoording van die roep van het komen tot Jezus en het komen tot God. (...)
Vraag: Ds. Tukker, het beroepingswerk heden ten dage is ook nogal een omstreden zaak, ook in de kringen van de Gereformeerde Bond. Er zijn mensen met klinkende namen, die zo gauw ze beroepbaar zijn na vier jaar, een beroep krijgen, meerdere beroepen, soms rijen achter elkaar en de eenvoudige dorpsdominee die in alle eenvoud, trouw, ook in het huisbezoek, werkt, wordt eigenlijk vergeten. Wat is dat?
Ds. rMMer.-Daarzieikietsonbillijksin. Eén talent is ook een talent, dat is van dezelfde waarde als van de man van de twee talenten, elk op zich en ook van dezelfde waarde als van de vijf, die de man van de vijf talenten gekregen heeft. U moet eens opletten dat bij de gelijkenis van de talenten de sprong gemaakt wordt van één naar twee naar vijf; drie en vier worden overgeslagen. De doorsnee man is de middelmatige man, de kleine man. Er zijn maar enkele mensen die er eens uitspringen in een geslacht, de man van de vijf talenten. De doorsnee moet het met het gewone doen en dat is ook goed. Het is een grote zegen voor een gemeente als ze een gewone, trouwe, middelmatige dominee hebben en ik vind er iets onbillijks in als men allemaal afgaat met beroepen naar mensen met klinkende namen of met klinkende gaven. Het is ze wel gegund dat ze dat hebben, als ze het maar bezitten als niet bezittend en als de gemeenten ook maar zo verstandig zijn om de andere talenten, die in minder getal maar uit dezelfde hand gegeven worden en van dezelfde makelij gegeven worden, om deze te waarderen. (...)
Vraag: Er zijn predikanten die avond aan avond overal in het land voorgaan en hun eigen gemeente daarin, dacht ik, verwaarlozen.
Ds. Tukker: Ja, je bent als je in een gemeente beroepen bent, verantwoordelijk voor die gemeente en niet voor een andere gemeente. Als je vanuitje eigen gemeente een vacante gemeente in de omgeving dient, als consulent, dan is dat natuurlijk geoorloofd, maar verder heb je je te houden aan datgene waar je verantwoordelijk voor bent. Als je fouten en gebreken wilt goedmaken ergens in een gemeente dan kun je vrolijk terecht in je eigen gemeente. En dan bij je eigen werk. Dus ik vind het niet geoorloofd om altijd overal heen te trekken en de eigen gemeente dan bovendien nog te vergeten. Als ik dan kerkvoogdij was dan zou ik zo'n dominee op half tractement zetten. (...)
Vraag: Nog even terug naar Uw eigen persoon. Wanneer ik U vraag om bijv. in een of twee zinnen weer te geven wat het hoofdmotief van Uw prediking is geweest in de afgelopen jaren, hoe reageert Udan?
Ds. Tukker: Dat is een moeilijke vraag. Het hoofdmotief van de prediking, de prediking omvat zo veel, je hele Bijbel, die omvat zo veel, de hele leer van de Drieënige God, en die omvat zo veel van het werk van de Vader en van het werk van de Zoon en van het werk van de Heilige Geest. Maar, ik kan toch wel een hoofdlijn daarin aangeven. Er wordt zo vaak gezegd 'een rijke Christus voor een arme zondaar'. Ik zou graag willen zeggen: het werk van de Drieënige God, Vader, Zoon Heilige Geest. En dan bent U op de hoofdlijnen, maar U beslaat dan met die hoofdlijnen uw hele Bijbel.
Vraag: U benadrukt ook nogal het werk van de Vader en de Geest; want we hebben het vaak natuurlijk over de Heere Jezus, maar ik bespeur in Uw reactie dat U misschien van mening bent-als het niet zo is dan moet U dat zeggen-dat het werk van de Vader en de Geest verwaarloosd worden in het algemeen.
Ds. Tukker: Nogal eens, nogal eens. Ik vind in het algemeen dat in onze kringen het Vaderlijke van God, het milde, het liefhebbende, het rijke, het barmhartige van de Vader veel te weinig gezien en beleefd wordt. Er wordt te weinig uit geleefd.
Vraag: Dus de uitdrukking 'een rijke Christus voor een arme zondaar' is té eenzijdig?
Ds. Tukker: Dat vind ik best, maar we moeten niet vervallen in een mono-christologische preek.
Vraag: Dus trinitarisch. Ds. Tukker: We moeten trinitarisch preken. Dat heb ik geleerd van prof. Berkelbach van der Sprenkel en daar ben ik hem o, zo dankbaar voor. In mijn studententijd al. (...)
Vraag: Ja, maar ook de Bijbelse uitdrukking van de apostel Paulus 'Ik heb mij voorgenomen niets anders onder u te weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd'.
Ds. Tukker: Ja, en dan moet u eens kijken hoe deze zelfde man toch de Vaderlijke barmhartigheid ('Die rijk is in barmhartigheid') toch wel degelijk over Christus heen laat zien.
Vraag: Ja, u begint met een heel ander gezicht nu ineens over dingen te praten en dat geeft me eigenlijk de vraag in de mond: als ik u zo ken en de gemeenteleden, die zeggen dan: ja ds. Tukker dat is een echte dominee, in het donkere pak nog. Is hij een wat somber man? Mag ik dat vragen?
Ds. Tukker: Ja, van zijn aard misschien wel. Ik zei u al, , ik durfde geen dominee te worden en kon het ook niet. Ik zei u, ik ben er doorheen gedragen, tot op de huidige dag. Het is wel zo, dat ik een wat zwaartillend man ben.
Vraag: Zien de mensen u ook zo?
Ds. Tukker: Neen, want ik ben een blijmoedige preker, want ik sta mezelf altijd op te trekken aan mijn eigen tekst, tenminste nogal eens. U begrijpt wel dat ik niet altijd loop te huilen en ook niet altijd met m'n hoofd naar beneden loop. Zwaarmoedig van aard, dat ben ik inderdaad wel, maar ik vind dat de boodschap die we brengen zodanig is dat we alle reden hebben om niet pessimistisch maar blijmoedig te zijn en een blijmoedig christen dat is, dacht ik, een man die zijn christen zijn het beste verstaat. (...)
Vraag: Het is (...) bekend, (...) dat ds. Tukker bekend stond (...) als een man, die een soms toch wat ruim standpunt innam. (b.v. in de Generale Visitatie, Red).
Ds. Tukker: Het is natuurlijk zo, dat de richtingen die u vandaag hebt, niet van vandaag of gisteren zijn. Als u teruggaat naar de tijd van de Reformatie dan hebt u diezelfde richtingen precies eender, zelfs hebben de vrijzinnigen, mensen van de 'Verlichting', de eerste stoot tot de Reformatie gegeven. Als u ziet dat in ons land de Reformatie in zijn eerste aanleg een Lutherse Reformatie was, dan hoeven we toch niet vreemd op te kijken dat we, daar Luther het vrije lied had, een hang hebben in de kerk naar het vrije lied. De zeg niet dat ik daar voor ben. Ik constateer alleen maar het feit. En zo zijn al de richtingen. Ik maak me sterk (als ik goed ga kijken), zelfs in de Middeleeuwen voor de Reformatie, dat u daar de grondpatronen van de richtingen na de Reformatie terugvindt. De dominicanen, de franciscanen enz. Dus ook de verscheidenheid.
Vraag: Een verscheidenheid in uitwerking of in leerstelligheid?
Ds. Tukker: Ook wel in leerstelHng. Dat is er trouwens in de Reformatie, De Dordtse Synode, met het grote aantal Remonstranten, bewijze dat. En als u ziet hoeveel pastoors naar de 'neie' leer overgegaan zijn, dan begrijpt u wel dat die niet één, twee drie gereformeerd waren. Wij moeten ook de tijd van de Reformatie niet zo idealistisch
zien, alsof het toen alles boter tot de boom was. Want dat was natuurlijk helemaal niet zo. Er was een nadere reformatie nodig om de reformatie onder het volk te brengen. Het was in de kop geschied en het is pas langzaam bij het volk doorgedrongen. Daar is ik weet niet hoeveel werk, heel de nadere reformatie voor nodig geweest.
Vraag: Ds., u staat bekend als officieel lid van de Gereformeerde Bond. Die Bond is vaak voor veel mensen een beetje een onduidelijke zaak. Wat wil die Bond nu precies?
Ds. Tukker: De Bond wil de kerk houden aan de belijdenis die officieel in en voor de kerk is vastgelegd en die wil naar die belijdenis de kerk laten spreken en handelen. Dat probeert ze ook zelf te doen...
Vraag: Dan zegt u dus: geen afscheiding, dat is uw en de conclusie van de Ger. Bond?
En artikel 28 van die geloofsbelijdenis? U zegt van die Ned. Geloofs belijdenis: dat is een van de drie formulieren? Maar Artikel 28 en 2 Korinthen 6 dan, ik lees daar eigenlijk een oproep tot afscheiding of lees ik verkeerd?
Ds. Tukker: Natuurlijk, u leest het verkeerd, want je moet je niet afscheiden van de kerk, maar je moet je afscheiden van degenen die dwalen in de kerk en je moet je afscheiden van de zonden en de verkeerde dingen in de kerk, daar moet je je van afscheiden. Dat moetje dus uit de kerk uitbannen.
Vraag: Voor u persoonlijk en de Bond: Wij blijven in de Ned. Herv. Kerk!
Met die conclusie van u zijn velen het toch niet eens. Ze hebben wel een geestelijke band met u maar, ze zijn het duidelijk niet met u eens. Ds. Tukker: Bedoelt u in de kerk of buiten de kerk?
Vraag: Buiten de kerk! Ds. Tukker: Ja, terecht.
Vraag: Een geestelijke band over de kerkmuren heen.
Ds. Tukker: Ja, ik voel natuurlijk mij verwant aan de afgescheidenen, de mensen van 1834, 1852. Met diemensen uit die verschillende afscheidingen voelen we ons toch één. Maar we vinden het verkeerd dat zij buiten de kerk zijn gaan staan, hoewel ik het volledig begrijpen kan, dat ze dat gedaan hebben. (...)
Vraag: 1834, de volksverhuizing naar Amerika. Ds. Tukker: a, 1834, 1852, 1886. Wij zijn niet brandschoon daaruit gekomen. Geenszins! Wij voelen ons dus wel degelijk aan deze mensen verwant, zouden alleen maar willen dat ze in de kerk gebleven waren, dan hadden we nu al lang de meerderheid. Als ik over 'meerderheid' mag praten, want daar is het ons niet zo erg om te doen. Het is ons veel meer om de kerk te doen, maar ook is het er ons om te doen om die mensen die het dan verkeerd zien, vóór de waarheid Gods te winnen. De belijdenis is er niet alleen om te zeggen wat er allemaal niet mag, maar is in de eerste plaats iets dat gegeven is om te belijden, opdat anderen tot datzelfde geloof komen; en dat is nu eenmaal een opvoeding en dat is nu eenmaal een kwestie van tijd, daar hebben we zelf ook in moeten groeien. (...)
Vraag: Ds. Tukker op de laatstgehouden jaarvergadering van de Gereformeerde Bond heeft u afscheid genomen als voorzitter. De praeses van de synode, ds. Spilt, heeft toen gezegd:
Ds. Spilt: Nu ik dan vandaag hier iets mag zeggen, wil ik dan ook graag de gelegenheid te baat nemen, nu het samenvalt met het afscheid van ds. Tukker als voorzitter, om mede namens het moderamen van de synode, hier te zeggen hoe zeer wij ook als moderamen onder de indruk zijn van de gaven die ons in de Hervormde kerk in ds. Tukker zijn geschonken. Ik denk met name dan natuurlijk ook vanuit het moderamen, aan de jaren dat ds. Tukker deel uitmaakte van het college van Visitatorengeneraal in onze kerk. Een uitermate moeilijke post en hij heeft daarin juist telkens weer ontdekt en aan den lijve ervaren hoe zeer onze keric ver-scheiden is en hoe moeilijk dat is en hij heeft tegelijk met een, ja diepe liefde voor het belijden van de kerk en tegelijkertijd ook een diepe liefde voor de verscheidenheid van het volk in onze kerk, mag ik wel zeggen, op die post de kerk gediend en ik heb dat altijd ook gemerkt in de wijze waarop hij voorzitter was van de Gereformeerde Bond, ook in de besprekingen die wij gehad hebben als moderamen met delegaties van het hoofdbestuur. Ik hoop van harte dat wij allemaal hier op deze vergadering en in de Gereformeerde Bond telkens weer blijk geven, ook hierin, onze voorzitter te hebben begrepen en te volgen.
Vraag: Ds. Tukker, dat was dus ds. Spilt over de . Bond en haar voorzitter. Hoe ligt dat nu met de onderlinge verhoudingen? Er wordt wel eens gezegd: 'De honden blaffen, maar de caravaan trekt verder.' Hoe reageert u daarop?
Ds. Tukker: Wij zijn inderdaad niet makkelijk voor hen, zoals zij inderdaad niet makkelijk voor ons zijn. En het is ook zo dat niet alleen de Bondsdominees, maar ook andere predikanten in de synode wel degelijk een goed geluid laten horen en een rechtzinnig geluid laten horen en ook hun bezwaren duidelijk kenbaar maken. Ik denk aan ds. Baljé die op de laatste synode bijzonder goed gesproken heeft. Dat was over het communisme. (...)
Maar er zijn toch ook inderdaad dingen die opgehouden worden door de kritiek die er geleverd wordt. Die dingen zijn er. Bijvoorbeeld: ik had onlangs een gesprek met prof. Berkhof over de vertegenwoordiging in de synode. Een van onze predikanten, die pas gepromoveerd is, de dominee uit Ede (dr. J. H. v. d. Bank, red), heeft als een van zijn stellingen dat de vertegenwoordiging in de synode niet naar evenredigheid is, en dat is natuurlijk waar. Als u Noord-Holland hebt benoorden het IJ, waar een hele massa gemeenten zijn die samen niet de grootte halen van de ene gemeente van Putten, dan voelt u wel dat één afgevaardigde van de Veluwe-N., de classis Harderwijk en een paar afgevaardigden uit de kleine en verschillende classes in Noord-Holland geen goede evenredigheid geen goede vertegenwoordiging vormen.
Ik heb daar met Berkhof over gesproken en prof. Berkhof zegt, datis juist, daar moet verandering in komen. Er zijn zelfs al stappen genomen, kerkordelijk, om daar verandering in te brengen; en dan zullen 'wij' het inderdaad moeilijk krijgen, zei Berkhof.
Vraag: De problematiek van deze tijd, ook de verkondiging voor de mens van vandaag. U bent emeritus-predikant. Is dat anders dan in uw begin-periode? U kunt kort stellen; ik heb dezelfde boodschap, misschien met een andere wijze van zeggen. Weet u waarom ik het vraag, er zijn tegenwoordig ook veel jongere predikanten - dat is een heel opmerkelijke constatering, want het is gewoon waar te nemen - waarvan je zegt, (mag ik het heel praktisch houden): die kan ik bijv. niet voor de microfoon uitnodigen om een toespraak te houden, want men heeft een archaïsch taalgebruik waarvan je zegt: waar heeft deze man het over? Ds. Tukker: Je kunt natuurlijk een beetje ouderwets doen en dan maakt het op veel mensen de indruk; het oude is goed en die dominee praat wat ouderwets; en als je dan nog wat huilerig er bij praat dan praat je heel ernstig en zo. Ik kan begrijpen dat sommige mensen denken, daar behaag ik vooral een beetje ouderwets gehoor wel degelijk mee, maar och, ik geloof dat elkeen toch met zijn tijd wel zodanig mee zal groeien en moeten groeien, dat hij de taal van zijn tijd spreekt. Ik ben nu dan een man van bijna zeventig, maar hebt u nu het gevoel dat ik zit te praten vanuit de tijd van 1914 of 1920?
Vraag: Nee, nee, de mensen aan de andere kant van de ruit, die met ons mee luisteren tijdens deze opname, hebben nog niet ingegrepen, dus men begrijpt nog steeds waarover wij het hebben. En dat is ook de bedoeling in de radio-uitzending. Ds. Tukker: Natuurlijk, en dat is met de prediking ook de bedoeling. Laten we het gewoon zeggen, duidelijk voor de mensen, waaronder we leven en waarvoor we staan. Dat mag toch ook. In de tijd van het Oude Testament sprak men anders dan in de tijd van het Nieuwe Testament, maar niet over andere dingen. En als de Meester, de Grote Meester, in de taal van Zijn tijd spreekt, dan kunt U wel aannemen dat Zijn discipelen dat ook gedaan hebben. Ik denk bijv. aan Lucas, de dokter. Dat kunt u goed merken hoor, dat hij dokter was; maar ook dat het een heel ontwikkelde man was, die alles van te voren naarstig onderzocht. Daar hebt u de Griek die het keurig onderzocht heeft. Die mensen zijn ook met hun tijd meegegroeid natuurlijk. Het waren mensen van hun tijd. (...)
Vraag: U bent ook nog bezig geweest op andere terreinen. Ik denk hier aan de Bijbelvertaling. Er is een nieuwe uitgave naar u genoemd, de Tukkerbijbel. De reactie van verschillende zijden is niet altijd even positief. Ik denk aan de G.B.S., de gereformeerde Bijbel stichting en ook aan een reactie van bijv. prof. Oosterhof in de Wekker.
Hoe reageert u daarop?
Ds. Tukker: Die Bijbelvertaling?
Vraag: Is het een Bijbelvertaling?
Ds. Tukker: Nee, het is een herziening van de Statenbijbel.
Vraag: Ja, en prof. Oosterhof zegt dan: moest dat nu weer zo nodig, want laten we dan de Statenbijbel laten zoals deze is.
Ds. Tukker: Ja, maar daarmee verwijst hij eigenlijk de Statenbijbel naar het museum. En hij is zelf een aanhanger van de Nieuwe Vertaling (en dat moet hfj weten), maar dat n^oet hij niet zeggen: juUie hebt dus maar van de Statenbijbel, die wij wél gebruiken, af te blijven. Wij mogen die wel degelijk zoveel mogelijk aangepast aan het taalgebruik van onze tijd, bijschaven, zodat de Bijbel weer even goed bruikbaar is, als deze dat voorheen was. Persoonlijk lees ik altijd op de kansel uit de Statenvertaling, maar ik ben altijd aan het vertalen. Er is een dominee geweest die las persé 'ende' en 'Christum Jesum den Heere' om een letterlijke tekst te geven. Nou, dat is die man z'n recht, maar dat doet toch geen sterveling meer!
Vraag: Dus als u leest Psalm 42 'wederpartijders' zegt u ‘tegenstanders’?
Ds. Tukker: Ja, gerust. Dat is geoorloofd. En datis hier nu zwart op wit gezet, op verzoek van het Bijbelgenootschap. Maar dat is natuurlijk één van de punten: men vindt het Bijbelgenootschap niet te vertrouwen, omdat dat een Nieuwe Vertaling gegeven heeft en omdat het meer uitgaven doet gezamenlijk met anderen. Omdat het natuurlijk een grote landelijke vereniging is die ook internationaal veel werk doet. En nu vinden zij om die werkzaamheden die met anderen gedaan worden, dat we met het Bijbelgenootschap niet in zee moeten gaan.
Vraag: Wie zijn zij?
Di. Tukker: De mensen van de GBS. En wij vinden, dat wij zoveel aan het Bijbelgenootschap te danken hebben, ook dat ze jaar en dag de Statenvertaling gedrukt hebben, dat wij toch niet van ze los kunnen. Wat doen ze bij Ned. Bijbel Gen. niet voor de zending, en daarom vinden we dat wij daar niet van los kunnen. Kan nu een vereniging als de GBS, (die natuurlijk een Statenbijbel hér uit kan geven, vanzelf) nu dat zendingswerk begeleiden, kan die nu opal die terreinen komen waar het Bijbelgenootschap zijn sporen verdiend heeft? Dat wij dus vasthouden aan het Bijbelgenootschap, dat is, ja, zoals u ook vasthoudt aan de Hervormde Kerk.
Vraag: Ja, maar er zijn natuurlijk ook dominees in de Herv. Kerk, die dus in de kerk zijn gebleven, die duidelijk achter de GBS staan. Ds. Tukker: Dat is waar. Dat vind ik dus bij hun een inconsequentie. (...)
Vraag: Een van de moderne problemen van deze tijd, en daar wil ik toch ook uw mening over hebben; inenten of niet? Actueel zomer 1978!
Ds. Tukker: Dat is een zaak die in de hele gereformeerde gezindte op het ogenblik een aangelegen
punt is. Laat ik beginnen met te zeggen, dat ik uitnemend wel kan begrijpen de zorg die veel mensen hebben bij de gevaren die dreigen om hun geloof in de voorzienigheidGods te bewaren; als er staat in de zondag 10 over de voorzienigheid van de Cathechismus: 'Wat gelooft ge van de voorzienigheid Gods', dat het is: 'De Almachtige en Alomtegenwoordige kracht Gods, die ons gezondheid en krankheid, niet bij toeval, maar van zijn Vaderlijke goedheid doet toekomen'.
Nu zijn er veel mensen in de Gereformeerde Gezindte, vooral buiten de Herv. Kerk, maar ook in de Herv. Kerk die daar hun moeite mee hebben, dat ze de toevlucht nemen tot allerlei middelen en zozeer de voorzienigheid Gods vergeten. Dat is wat ten diepste speelt bij een heleboel mensen, die natuurlijk vandaag zwaar veroordeeld worden als mensen, die zichzelf en hun kinderen in gevaar brengen. Ik wil u wel echter dit zeggen, dat ik gevonden heb bij Ursimus, de maker van de Cathechismus als hij handelt over de doodslag: 'Wij mogen onszelf niet ingevaar begeven'; en dan zegt hij daarbij: 'en in geval van besmettelijke ziekte, dan, hebben wij al die maatregelen te nemen die daartegen te nemen zijn.' Dat zegt Ursinus. Het valt een beetje samen met een ander punt uit de Bijbel, als u leest dat degenen die melaats waren van Godswege geboden waren niet in het publiek te komen, niet in de tempel, zelfs niet onder het volk. Om nog maar te zwijgen van allerlei reinigingswetten in de tijd dat de kinderen Israels door de woestijn trokken. Maar vooral bij die melaatsheid kunt u dus zien, dat zij - tegen besmetting van deze levensgevaarlijke ziekte - zich helemaal aan de gemeenschap moesten onthouden; dat was dus óók een voorzorgsmaatregel om te voorkomen dat anderen hiermee aangetast werden en besmet werden.
Vraag: Als ik u dus vraag om een duidelijk pastoraal advies. U gaat op huisbezoek, de ouders vragen u: wat moet ik doen dominee, ik zit daarmee? Vanavond luisteren er waarschijnlijk veel mensen die daar mee zitten en die van dominee Tukker vragen: dominee wat moet ik doen?
Ds. Tukker: Dan durf ik niet aan te tasten dat voorzienigheidsgeloof waarop deze mensen, op die Vaderlijke goedheid van God, hun vertrouwen stellen, maar ik wil ze wel wijzen op deze uitspraken van een, niet een kerkvader, maar dan toch de maker van de Cathechismus en ik wil ze wel wijzen op deze voorzorgsmaatregelen, die de Heere zelf laat treffen. (...)
Vraag: Mag ik vragen, wat is Uw persoonlijke verwachting?
Ds. Tukker: De Bijbel zegt: wij verwachten naar Zijn belofte een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Als ik het persoonlijk zou moeten zeggen, dan verwacht ik stellig eenmaal de wederkomst van Christus. Ik kan nooit zeggen wanneer. Maar dan doe ik het-en dan val ik terug op datgene waarmee ik begonnen ben (die schuchterheid en die vrees), als een schuchter man - Als ik aan mezelf denk en aan mijn zonden, dan denk ik 'zal ik zalig worden? '
Maar als ik aan HEM denk, dan ben ik er vast van overtuigd: het zal zijn de dag van ZIJN glorie en dat is ook mijn hoop!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's