De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Jacobus Johannes Le Roy (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Jacobus Johannes Le Roy (3)

Zij die bleven (4)

9 minuten leestijd

De Afscheiding

Bijna tien jaar nadat Le Roy zich had gemengd in de discussie rondom ds. Thelwall voltrok zich de Afscheiding van de Hervormde Kerk. Daar was natuurlijk heel wat aan voorafgegaan. In de kerk bestond sedert het einde van de 18e eeuw in feite geen leertucht meer. Hoogleraren en predikanten konden fundamentele leerstukken verzwijgen en zelfs ontkennen zonder dat tegen hen werd opgetreden. En het kerkvolk onderging het allemaal nogal gelaten. Zij die in de kerk, onder de prediking van hun eigen voorgangers, geen voedsel meer vonden, namen hun toevlucht tot de gezelschappen waarin oefenaars voorgingen of 'oude schrijvers' werden gelezen.

In 1827 was het de Haagse predikant Dirk Molenaar die in een anonieme brochure voor het eerst de gedachte aan afscheiding opperde. Hij betoogde dat de Hervormde Kerk sinds de invoering van de reglementen niet meer Gereformeerd was en deed het voorstel om een

soort boedelscheiding te houden tussen hen die bij de oude, Gereformeerde leer wensten te blijven en hen die de moderne inzichten toegedaan waren. Deze gedachte lag ook inderdaad ten grondslag aan de Afscheiding die in 1834 een feit werd. De Cock, Scholte, en hun medestanders beoogden 'reformatie' van de plaatselijke gemeente door zich los te maken van het synodale juk. In de praktijk kwamen ze echter door hun optreden buiten de kerk te staan en konden ze ook geen aanspraak meer maken op de kerkelijke goederen.

De Afscheiding had voor de Hervormde Kerk één lichtpunt: zij die trouw wilden blijven aan de kerk en haar belijdenis werden wakker geschud en begonnen zich te bezinnen op de vraag wat nu eigenlijk de officiële leer van de Kerk was.

De proponentsformule

Voor die vraag was alle reden sinds in 1816 het Algemeen Regelement op het Bestuur der Nederlandse Hervormde Kerk was ingevoerd met daarin de nieuwe proponentsformule. Zij die stonden naar het ambt in de Hervormde Kerk waren verplicht te beloven dat zij trouw zouden blijven aan 'de leer welke overeenkomstig Gods Woord in de aangenomen Formulieren van Enigheid is vervat'.

Dat leek heel mooi, maar er zat wel een adder onder het gras. De vraag was namelijk hoe deze formule moest worden verstaan. Moest 'overeenkomstig' worden gelezen als 'quia' (omdat) of als 'quatenus' (voorzover). De Gereformeerden in de Hervormde Kerk kozen voor de eerste lezing, zij die de belijdenis niet bindend achtten voor de tweede. Het was duidelijk dat deze vage en in feite dubbelzinnige formulering met opzet was gekozen om op deze manier beide partijen tevreden te stellen. Maar de Kerk doorzag het óók: schijnbaar was iedere predikant nog gebonden aan de blijdenis, maar in werkelijkheid was de band met de belijdenis doorgesneden. De strijd om de belijdenis in de 19e eeuw is dan ook voor een groot deel een discussie over de juiste interpretatie van de proponentsformule.

De visie van Le Roy

In de jaren voor en rondom de Afscheiding publiceerde Le Roy enkele brochures waarin hij duidelijk zijn standpunt uiteenzette ten aanzien van het belijden der kerk. Hij was van mening dat de Algemene Synode nu geen onzekerheid meer mocht laten bestaan over de uitleg van de proponentsformule. Als predikant kón men eenvoudig niet anders dan de Formulieren van Enigheid aannemen omdat (quia) ze met Gods Woord overeenkwamen. Elke andere lezing moest door de Synode ondubbelzinnig worden afgewezen.

Le Roy was goed genoeg op de hoogte van de theologie van zijn tijd om te weten dat vele hoogleraren en predikanten op grond van nieuwere exegetische inzichten zich innerlijk allang hadden gedistantieerd van de belijdenis. En hij vreesde terecht dat de proponentsformule in tweede lezing zou worden misbruikt om die nieuwere inzichten in de kerk te verbreiden en de belijdenis te ontkrachten.

Maar - zei Le Roy - die belijdenis is er toch niet zómaar gekomen? Die is geboren uit de strijd tegen dwaling en leugenleer. Hij erkende dat belijdenisgeschriften niet striktnoodzakelijk zijn. Maar de Kerk had ze aangenomen en alléén de Kerk kon ze ook afschaffen, maar dan de gehele Kerk! En zeker niet op de duistere manier van een vrije en ontoelaatbare interpretatie van de proponentsformule.

Le Roy waarschuwde echter wel tegen eventueel afschaffen of niet meer handhaven van de belijdenis-geschriften. Want dan was er geen maatstaf meer om te oordelen over waarheid en leugen. Dan kon iedereen ongehinderd naar eigen inzicht leren en preken. Maar dan zou de Kerk ook ophouden Kerk te zijn, want de leer der Kerk is de grondslag voor haar regering.

Gevraagd naar het aantal belijdenisgeschriften antwoordde Le Roy voor zichzelf: drie, te weten de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels. Desnoods zou hij erin kunnen toestemmen dit aantal te reduceren tot twee, en de Leerregels buiten werking te stellen. Immers, tegen dit laatste belijdenisgeschrift bestonden onder zijn tegenstanders de meeste bezwaren. Zou hierdoor een obstakel op de weg naar kerkelijke eenheid worden opgeruimd, dan wilde hij de Leerregels wel laten vallen. Echter niet omdat hijzelf de inhoud niet voor zijn rekening zou willen nemen, maar om de bezwaarden wat tegemoet te komen. Maar - zo dacht Le Roy - hierdoor zou toch niet veel veranderen, want de Leerregels zijn toch slechts een nadere uiteenzetting van de Verkiezing, zoals die in de N.G.B. en in de H.C. wordt beleden.

Le Roy is op dit punt, hoewel volkomen te goeder trouw, wel wat onvoorzichtig geweest. Zijn opponenten in de afgescheiden Kerk hebben dit standpunt al te gretig aangegrepen om hem ervan te kunnen beschuldigen dat hij het met de belijdenis niet zo nauw nam en zelfs de Leerregels wilde afschaffen! Hier en daar dook het verwijt op dat hij ook in zijn prediking 'wederstandelijke genade' leerde en dus 'een fijn Arminiaantje' zou geworden zijn ...

Het Adres van 1835

In 1835 - dus een jaar na de Afscheiding! - richtte Le Roy zich met een 'Adres' tot de Algemene Synode. Hij was niet de enige: ook ds. R. Engels van Nieuwolda en anderen lieten van zich horen. Het stuk van Le Roy was echter het uitvoerigst en ook het meest gedocumenteerd. Het doet ons wel een beetje kruiperig aan, maar dat zal de geest van de tijd zijn... De Synode wordt eerbiedig aangesproken met 'Hoog EerwaardigeHeeren! Mannen, Vaders en Broeders in onzen Heere Jezus Christus! Bestuurders en Vertegenwoordigers der Kerk!’

Le Roy begint met nogal wat lichtpunten te signaleren. Er is zendingsliefde, er is meer geestelijke en praktische godsdienst, we hebben de Evangelische Gezangen en men roept om toenadering tussen de verschillende kerkelijke gezindten. Maar dan komen de schaduwkanten: de fundamenten worden omgestoten, kenmerkende leerstukken worden aangetast, er is onenigheid en de banden der eenheid zijn verbroken. Dat komt - zegt Le Roy - doordat de belijdenis niet functioneert. En die belijdenis kan alléén funcktioneren wanneer de predikanten zich eraan gebonden weten. De Synode moet dus maar eens ondubbelzinnig verklaren wat het woord 'overeenkomstig' betekent. Volgens hem is dat maar voor één uitleg vatbaar. En pas dan kan er weer kerkelijke tucht worden geoefend.

Waar het om gaat in het belijden der kerk - aldus Le Roy - is 'de evangelische leer van de rechtvaardiging des zondaars uit vrije genade om Christus'wille door het geloof als de hoofdleer en het kenmerkende van de Gereformeerde Kerk, waarmede verbonden zijn de leerstukken van 's menschen diepen val, de volstrekte noodzakelijkheid van den verlichtenden en vernieuwenden invloed van den Heiligen Geest, de verzoening door Jezus'plaatsbekleedend lijden en de Godheid van den Verlosser'. Deze leer heeft de Synode volgens Le Roy voor te staan en te verdedigen.

Waardering en kritiek

Het was verheugend dat het stilzwijgen rondom de belijdenis nu eindelijk verbroken was. Le Roy - en ook Engels - hadden gedaan wat hun hand vond om te doen. Ze hadden zich gewend tot de hoogste instantie, de Algemene Synode, en er kon geen twijfel over bestaan wat zij bedoelden. De Adressen vonden dan ook in den lande veel bijval.

Toch waren er die het stuk van Le Roy niet vérgaand genoeg vonden. Vooral de arts A-braham Capadose, een bekende figuur in de kringen van het Réveil, was er niet erg mee ingenomen. Hij vond het 'een belangrijk en een verblijdend verschijnsel' dat er tenminste iets gezegd en gedaan werd, maar hij ergerde zich aan de manier waarop Le'Roy zich tot de Synode had gericht en vooral aan het opsommen van alle goede dingen die er naar de mening van Le Roy toch nog waren. Dat gold dan vooral de Evangelische Gezangen, waarvan hij niet begreep dat Le Roy ze kon laten zingen, laat staan dat hij er God voor kon danken...

Kritiek was er ook wel op het feit dat Le Roy de wettigheid van deze Synode erkende. Dit element zou later nog telkens terugkeren in de discussie. Velen achtten de Synode totaal onbevoegd om over de leer te oordelen, daar deze Synode niet door de Kerk gekozen, maar door de Koning benoemd was. Men zou zich dan ook eerst in een Adres tot de Koning moeten richten met het verzoek deze Synode naar huis te sturen!

Le Roy was echter in deze dingen geen scherpslijper. Hij sprak wanneer hij meende te móeten spreken. Maar hij werd niet gedreven door argwaan of vooroordeel en dacht daardoor misschien wel te mild over de leden van de Synode.

‘Hij was een man’, zegt dr. W. Volger in 'De Leer der Nederlandsche Hervormde Kerk', die het goede voor de kerk, die hij hartelijk liefhad, zocht. Van hem kon niet gezegd worden dat hij zonder meer conservatief was; hij leefde bewust in eigen tijd en stond voor nieuwe dingen open. De letter van de belijdenis was hem het hoogste niet; zelfs gaf hij niet aan hoeveel belijdenis-geschriften er wel waren'.

Volger vindt het wel 'te betreuren dat Le Roy gevallen is in de fout van de eerste adressanten; hij heeft wel beschuldigingen geuit, maar hij heeft geen namen genoemd en, geen bewijs geleverd. Dat was de zwakheid, men zou haast kunnen zeggen, dat was de lafheid van dit adres'.

De Synode heeft het Adres van Le Roy, met de andere adressen, besproken en beantwoord. Ze getuigden, volgens de Synode, 'van gemoedelijke overtuiging en goede bedoeling'. De Synode liet weten die overtuiging te eerbiedigen en die bedoelding te huldigen! Van een wijziging of nadere verklaring van de proponentsformule wenste de Synode zich te onthouden, terwijl ze de bewering dat kerkelijke tucht onmogelijk werd gernaakt door de huidige besturen-organisatie voor rekening van Le Roy wilde laten.

En zo gingen de adressen de grote Synodale doofpot in.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1978

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Jacobus Johannes Le Roy (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1978

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's