‘Medelijden met haar gruis’
In verband met de polioaffaire hebben alle mogelijke en onmogelijke kranten en kerkelijke of onkerkelijke organen zich nog weer eens uitgeput hun lezers voor te houden wat de Gereformeerde Gezindte met z'n kerken, kerkjes splintergroepen en afgesplitste splintergroepen nu precies is. Zelden zul je dan een foutloos verhaal tegenkomen. Maar ook waar de beschrijving de werkelijkheid dekt of redelijk benadert lijkt het toch een caricatuur te zijn. Dat is het ook. Want de opdeling in groepen en groepjes, in kerken en kerkjes is een caricatuur van het bijbels kerkbeeld.
Neem nu Vrij Nederland. Dat is gewoon een boulevardblad. In juli verscheen er een dik nummer van terzake van de polio. Op de voorkant de plaat van de brede en de smalle weg, wat voor mij, in een blad als dit, gelijk staat met vloeken. Maar voor de beschrijving van dat deel van de Gereformeerde Gezindte, dat met de vaccinatie zo'n moeite heeft, had men kennelijk een ingewijde journalist ingehuurd, want de getekende situaties waren wel herkenbaar. Een caricatuur, zo'n verhaal? Ook waar het dat opzettelijk is, is het een verhaal, dat uit de werkelijkheid van ons verdeelde en ook vergroeide kerkelijke leven stamt. De kerkelijke verdeeldheid met zijn vergroeiingen naar links en rechts is een caricatuur op zich. En moeten we nu echt verwachten, dat de buitenstaander, de journalist van het 'neutrale' dagblad, de man die er niet meer aan doet, de generatie die het ook van huis uit al niet meer weet, dit allemaal begrijpt?
Op de puinhopen
Boven dit artikel zette ik de bekende woorden uit Pslm 102 vers 15 : 'medelijden met haar gruis.' Niet zelden heb ik deze woorden gehoord in de gebeden, in die zin of God nog medelijden zou mogen hebben met het gruis van Sion. Maar het staat er intussen als een realiteit voor de 'knechten'. 'Want uw knechten hébben een welgevallen aan haar stenen en hébben medelijden met haar gruis.' De Psalmist spreekt hier over de verwoeste tempel. Calvijn zegt ervan: 'maar hoewel de tempel nu verwoest was en er niets dan een treurige puinhoop van was overgebleven blijft hun liefde daar toch bij verwijlen, en zien zij Gods heerlijkheid ook in deze vermolmende stenen en woeste puinhopen. De tempel was op Gods bevel gebouwd en daarom konden de gelovigen hun genegenheid niet aan deszelfs puin onttrekken. Die plaats was door God geheiligd en de tempel zou daar ook weer opgericht worden.’
Voor alle tijden
Calvijn maakt dan direct de toepassing. Hij zegt: 'hieruit volgt dus, dat hoe droeviger de toestand der kerk is, hoe meer wij haar in liefde moeten blijven aanhangen. Ja veel meer moet onze ontferming over haar er ons toe brengen om te zuchten en voor haar tot God te roepen.’
En hij laat er meteen de wens op volgen, dat God het gave, dat die waarheid minder van toepassing zou zijn op 'onze tijd' dan zij is. Met andere woorden: Wat de Psalmist moet zeggen van de tempel in zijn dagen, dat zegt Calvijn van de kerken in zijn eigen dagen en hij reikt ons zo de hand voor ónze dagen. Ik laat Calvijn nog één keer aan het woord: 'Want wel heeft God aan sommige plaatsen Zijn tempels, waar Hij in zuiverder eredienst wordt aangebeden; zo wij echter onze ogen laten gaan over de gehele wereld, en zien hoe overal Zijn Woord als met voeten wordt getreden en Zijn dienst ontheiligd wordt door talloze verfoeiselen, dan gewis is Zijn heilige tempel aan een treurige verwoesting prijs gegeven; ja meer: die kerken zelfs, waarin God woont, zijn nog verscheurd en verstrooid. Wat zijn deze hutjes in vergelijking met het majestueuze gebouw, dat ons door Jesaja, Ezechiël en Zacharia wordt beschreven? ’
‘Maar, ’zo eindigt hij, 'er is geen verwoesting, die ons moet verhinderen de stenen en het gruis der kerk lief te hebben.... het puin van de tempel is en blijft heilig.'
De kerk is door de tijden heen nooit kerk in glorie geweest, meer kerk op de puinhopen. Zo geldt het ook in onze dagen. Ook van onze dagen geldt het woord van Jeremia in de Klaagliederen: 'De wegen Sions treuren omdat er niemand op het feest komt, al haar poorten zijn woest, haar priesters zuchten...' In wélke tijd men ook kerkvaders aan het woord hoort, altijd weer is er de klacht over de dorre toestand van de kerk, over de verwereldlijking, over de dwaalleer, over het gemis aan eenheid. Maar daarom te meer is het woord van de Psalmist zo leerzaam. Ook in de meest desolate toestand van de kerk hebben de 'knechten' medelijden met haar gruis. Dat is als het ware een heilig gebod.
De kerk geloven
We gelóven een heilige, algemene christelijke kerk. Daarvan zien we niet veel. We zien de puinhopen, de brokstukken, de verdeeldheid, de ruzies de veroordelingen van elkaar, de liefdeloosheid vaak, het lopen voor eigen huis. En toch... we gelóven! Tegen al wat zichtbaar is in geloven we de Una Sancta, de heilige eenheid van de kerk van Christus. Medelijden over haar gruis past dan ook meer dan behagen daarover in een jagen naar eigen kerkelijke glorie. Dat moet gezegd in de treurige toestand van de verdeelde kerk.
Maar laat ik ook het oog naar binnen slaan. Hoe lang slaat datgene wat Calvijn van de concrete gestalte der kerk zegt al niet op ónze kerk, de kerk der vaderen, maar intussen ook de kerk, die al zo lang gekenmerkt wordt door 'ontheiliging van de dienst des Heeren'? We weten onze plaats in deze kerk. En die plaats is een kritische en een telkens weer aangevochtene. Daarin schuilt dan echter tevens een groot gevaar, namelijk dat we niet met bewogenheid over de toestand van de kerk als geheel vervuld zijn.
Hoe zou men echter vruchtbaar kunnen bezig zijn in de kerk als men niet kent het 'medelijden met haar gruis'? Het is het kenmerk kennelijk van Gods 'knechten', zegt de Psalm. In onze tijd is polarisatie troef. Het gevaar is dan echter groot, dat de strijd op de brokstukken van de kerk - naar buiten en naar binnen - het wint van het 'medelijden om haar gruis'. Links wil steeds linkser en dan wil rechts steeds rechtser, totdat tenslotte een uiterste verbijzondering als alleenzaligmakend overschiet. En waar is de belijdenis: Ik gelóóf de Kerk?
Men weet van mensen in het verleden, die op bijzondere wijze bezig waren met de kerk, met 'onze' kerk ook en die worstelden om haar gruis. Soms waren het eenvoudige gemeenteleden, moeders in Israel. Ze kenden het gebed voor de kerk. Dat kon dan ook niet worden gemist.
Het mag voor ieder, die waar dan ook in de kerk een plaats heeft, de vraag zijn welk spoor hij achterlaat in kerk en gemeente. Welk spoor laten predikanten achter in hun gemeenten? Welk spoor laten ouderlingen en diakenen achter na hun ambtelijke werk? Welk spoor laten de gemeenteleden op hun geëigende plekje achter? Is het een spoor van ruzie, bitterheid, polarisatie, wrok? Of is het een spoor van gebed, liefde, bewogenheid, van 'medelijden om het gruis' van Sion? De kerk zal een plaats moeten hebben in de verborgen omgang met God, in de bevinding. We kunnen anders lopen voor eigen huis, terwijl het huis van God woest blijft, zoals de profeet zegt.
De kerk, waartoe we behoren, is ondanks alles de kerk, waar we de doop ontvingen, waar we. het Woord hoorden, waar we-God geve het-onder de leiding des Geestes de Stem van de Herder gingen horen, waar we ambten ontvingen, sacramenten, gemeenschap der heiligen beleefden in moeilijke dagen of op hoogtijdagen, of gewoon onder de eredienst, aan de tafel des Heeren. Laten we dit op ons inwerken dan kan er geen liefdeloosheid zijn in het spreken over de kerk, ook niet in het spreken over de kerk in verval.
Een woord als dat uit Psalm 102 is diep ontdekkend. Medelijden hebben over het gruis van Sion kan namelijk nooit betekenen pleisteren met loze kalk. Gruis is gruis. Kerkelijke brokstukken zijn kerkelijke brokstukken. Dwaalleer is dwaalleer. Het Woord zelf gaat daarover profetisch, oordelend open. Maar het profetisch Woord gaat evenzeer oordelend open over liefdeloosheid, over het hooghartig en onbewogen heenleven langs de nood van de kerk, over het oordelen van elkander tot in de teerste zaken.
En daarom ligt dunkt me wél in het isolement onze kracht, maar dat is dan het isolement van het beginsel. Want dan ligt zeker niet onze kracht in zelf-isolering. Oze roeping ligt in het gehéél van de kerk!
Wie zal - als hij zichzelf onderzoekt-moeten zeggen, dat hij altijd met de rechte bewogenheid bezig is in de kerk? Er is alle reden zorg te hebben over zichzelf. Eenmaal wordt ons rekenschap gevraagd.
Men kan soms ook zorg hebben over eigen kring. Hetzij over een zekere relativering der dingen in een te grote ijver om volop mee te tellen in het kerkelijk beweeg, hetzij in een hang naar extremen, waarbij men slaaf is van een bepaald volkje, terwijl men de kerk de kerk laat. In beide gevallen is het lijden aan de kerk ingeruild voor koesteren van eigen positie. Maar wie de kerk wil dienen, zoals de Schrift het van ons vraagt, zal medelijden om de vervallen toestand van de kerk hebben en van daaruit in die kerk staan met het profetische Woord, dat verder reikt dan mijn eigen bestaan, mijn groep, mijn gemeente.
Als Calvijn zegt, dat de hutjes van de vervallen kerk schril afsteken bij het majestueuze gebouw, dat ons door Jesaja, Ezechiël en Zacharia wordt beschreven, dan besef ik dat we nergens-ook in eigen kring niet-veel verder komen dan de hutjes. Maar het majestueuze gebouw, in de profetieën genoemd, geeft toch gerede aanleiding te worstelen om het geheel der kerk in haar concrete gestalte alsof de concrete kerk inderdaad aan dat profetisch vergezicht ooit een keer zal beantwoorden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's