Jacobus Johannes Le Roy (4)
Zij die bleven (5)
Het Adres van 1837
De Synode mocht zich niets aantrekken van de handhaving der belijdenis, maar in de Kerk leefde het onbehagen voort. In 1836 richtte de bekende J. A. Baron van Zuylen van Nijevelt zich tot de Synode. Zijn adres was een reaktie op het synodale antwoord aan Le Roy en Engels. Hij stelde de Synode aansprakelijk voor de scheuring die in de Kerk was gekomen ten gevolge van de Afscheiding. En zolang de Synode geen ander beleid ging voeren zouden al haar besluiten en handelingen voor hem geen enkele verbindende kracht hebben. Een protest kwam in 1836 van 12 predikanten uit de Classis Winschoten, waarin de Synode eveneens van grove nalatigheid werd beschuldigd en waarin opnieuw werd aangedrongen op handhaving der leer. Een Synodale Commissie constateerde juist in dat jaar in de Kerk 'eene neiging tot separatisme, welke tot voorwendsel neemt klagte over gebrek aan regtzinnigheid en vroomheid...' De adressanten kregen ten antwoord dat de Synode geen redenen gevonden had om de adressen van vorige jaren nogeens in behandeling te nemen. In deze uitzichtloze situatie was er toch nog iemand die aan de bel durfde te trekken, en dat was ds. Le Roy van Oude Tonge, die toch inmiddels de leeftijd van de sterken naderde... Hij merkte op dat zijn pogingen van vorige jaren niets hadden opgeleverd, maar dat ontsloeg hem niet van de verplichting opnieuw van zich te laten horen. De grondslag waarop de Kerk is gebouwd, aldus Le Roy, is de belijdenis van de Drieënige God, Vader, Zoon en Heilige Geest. De regel voor het kerkelijk leven is af te lezen uit de Evangeliën en de apostolische brieven. Naar die regel is de Kerk altijd geregeerd en de organisatie van 1816 kon dat niet ongedaan maken. Tot nog toe, constateerde Le Roy, is de Synode in gebreke gebleven te omschrijven wat zij onder de leer verstaat. Wil alles nog goed komen in de Kerk, dan moet zij dat alsnog doen en met oprechtheid wederkeren tot de waarheid.
Laat de Synode mij niet beschuldigen van separatisme, zo besloot Le Roy, want aan af-' scheiding denk ik niet. Maar-en dit laatste is een vondst! - als de Synode blijft toelaten dat de proponentsformule zó wordt gelezen: 'de leer, voor zover die overeenkomt met Gods Woord', dan moet zij mij niet kwalijk nemen dat ik haar besluiten en yerordeningen zal gehoorzamen voor zover die overeenkomen met Gods Woord!
Ook dit adres werd opgeborgen in het synodale archief.
De Adresbeweging
Het werd rond het jaar 1840 een beetje stil in de Kerk. De Afgescheidenen hadden veel minder aanhang gekregen dan zij in 1834 hadden verwacht en bovendien werden zij onderling door twist en tweedracht verteerd. Dat kwam doordat ds. H. P. Scholte in 1839 er toe was overgegaan bij de Koning vrijheid aan te vragen om als zelfstandige Christelijke Afgescheiden Gemeente te mogen bestaan. Daarop
was gunstig beschikt, wat tot gevolg had dat de vervolging van de Afgeschesidenen ophield, maar ook dat de Afgescheidenen geen aanspraak meer konden maken op de goederen van de Nederlandse Hervormde Kerk.
Niet alleen bij vele Afgescheidenen viel dit besluit van Scholte slecht, maar ook werden daardoor de ogen van vele Hervormden geopend, die toch nog wel aan afscheiding dachten... En de stilte die een paar jaar in de Kerk heerste bleek een stilte te zijn voor de storm! Want nu begon de beweging voor herstel van de vaderlandse kerk pas goed op gang te komen. Daar kwam nog bij dat Koning Willem I in 1840 onverwachts afstand had gedaan van de troon. En velen die trouw wensten te blijven aan de Kerk en haar leer hadden al-hun hoop gevestigd op zijn opvolger Willem II, van wie men met Bilderdijk verwachtte dat hij zou terugkeren tot de oude Gereformeerde religie.
Zo begon in 1841 de Adresbeweging. Gangmaker was ds. B. Moorrees te Wijk bij Heusden, die de Afscheiding van dichtbij had meegemaakt, want met Scholte te Doeveren en met Gezelle Meerburg te Almkerk behoorde hij tot de Classis Heusden. Om zijn prediking geliefd bij 'Gods volk' hadden de Afgescheidenen gehoopt hem voor hun zaak te winnen, maar dóór en dóór Hervormd schroomde Moorrees niet de Afscheiding van de kansel te betitelen als een 'werk des duivels'.
Deze Moorrees wendde zich in 1841 met een Adres tot de Synode. Behalve door vijf collega's was het ondertekend door bijna 9000 lidmaten van de Nederlandse Hervormde Kerk! In dit Adres werd gevraagd om een evenredige samenstelling van de Synode, om trouw aan de leer der Kerk, om onderwijs aan de jeugd uit de Heidelbergse Catechismus, om handhaving van de liturgische formulieren en om benoeming van rechtzinnige hoogleraren aan de verschillende universiteiten.
De Synode antwoordde dat de grondslagen der Kerk niet waren verlaten en dat derhalve het Adres van Moorrees en de zijnen niet ontvankelijk was!
Moorrees liet het er niet bij zitten en deed samert met ds. Bahler een nieuw Adres uitgaan. De Synode werd nu wel wat in het nauw gedreven en durfde toch niet te zeggen dat de Kerk geen belijdenis had, maar dat het in de Kerk ging om de leer die 'in haar aard en geest het wezen en de hoofdzaak' van de belijdenis uitmaakt.
Hiermee wierp ze echter een nieuwe kwestie op: wat moet dan wel verstaan worden onder 'geest en hoofdzaak'? Deze vraag stelden de 'bekende Zeven Haagse Heren in 1843 aan de Synode. Het was een klemmende oproep om de handen ineen te slaan voor het behoud van de Formulieren van Enigheid. Grote nadruk werd gelegd op de rechte prediking van het Woord en op het onderwijs in de beginselen van de Reformatie.
Nog twee protesten
Het Adres van de Zeven Haagse Heren sloeg in als een bom. Niet minder dan 473 predikanten en vele gemeenteleden klaagden luide dat de partij die bestond uit 'slaafse volgelingen der Formulieren' een zo grote aanhang had weten te krijgen. Die lasterlijke en scheurzieke mensen moest nu maar eens het zwijgen worden opgelegd.
En hoeveel reakties kwamen er van de zijde van hen die trouw wilden blijven aan de belijdenis der Kerk? De Haagse Heren hadden opgeroepen tot een eenparig geloofsgetuigenis. Er was één man die aan die oproep gehoor gaf: de nu 72-jarige ds. Le Roy van Oude Tonge. Hij motiveerde zijn schrijven aan de' Synode met het vermoeden te uiten dat hij en zijn medestanders door de Synode niet begrepen 'sc^henen te worden. Er was een storni van kritiek losgebroken in de kerk en de Synode deed alsof zij onpartijdig was, maar door te zwijgen stemde zij in de kritiek toe. Waaromzo vroeg Le Roy - staan wij erop dat de belijdenis wordt gehandhaafd? Omdat de leer der zaligheid, die we verspreid in de bijbel vinden, in de belijdenis wordt samengevat en tot één geheel verenigd. Zo vormt de belijdenis een toetssteen waaraan alle leringen kunnen worden getoetst. Wie tot die-Kerk behoort dient zich aan de aangenomen belijdenis te houden. Dat is iets anders dan het zoeken van tweedracht en scheuring, dat doen zij juist die zich niet aan de belijdenis wensen te houden, want die verbreken de band met de Kerk.
De Synode kan nu niet meer zeggen, aldus Le-Roy, dat de afwijkingen van de leer der'Kerk er niet zijn! Dat is genoeg gebleken uit de venijnige reakties op het Adres van de Zeven Haagse Heren. De Synode had met die mensen die zo schamper over de belijdenis spreken, moeten handelen. Jamaar, wordt ons dan tegengeworpen, moeten we dan leraren uit hun broodwinning stoten en hun gezinnen overleveren aan armoede? Hierop antwoordt Le Roy: moeten we dan de gemeenten er maar aan opofferen, opdat de predikanten tenminste een bestaan hebben? Maar, zegt hij, dan is het al veel te laat, men moest ze geen leraar laten worden, er moest op gelet worden bij de toelating tot het ambt.
Tenslotte vraagt Le Roy de Synode zich nu .eindelijk eens uit te spreken over de belijdenis en over de leringen die daarmee in strijd zijn, ook acht te geven op het gevaar dat de Kerk bedreigt van de zijde van de Groninger richting en maatregelen tè nemen om de invloed van de Kerk op de school te herstellen. Toen ook dit Adres geen resultaat had deed Le Roy nóg een poging in 1844. Nog eenmaal protesteerde hij tegen de gang van zaken, smeekte hij als het ware om handhaving van de belijdenis. De Synode constateerde nogal laconiek dat er weer een Adres was van J. J. Le Roy te Oude Tonge, 'dat zich echter weinig onderscheidt van dat hetwelk door den adressant den voorleden jaare is ingediend, dan alleen door een meer stouten toon... De Synode heeft wellicht gedacht: de man wordt oud, laat hem maar begaan...
De vergadering in Amsterdam
Nog één keer zou de stem van Le Roy in den lande worden gehoord. Echter niet in de Synode, maar in de bekend geworden vergadering te Amsterdam in het gebouw Odeon op 18 aug. 1848. Daar waren bijeengeroepen alle ambtsdragers en gemeenteleden die herstel van de vaderlandse kerk begeerden. Aan die oproep hadden niet minder dan 33 predikanten en 288 gemeenteleden gehoor gegeven. En de velen die niet konden komen - de reisgelegenheid was nu eenmaal voor velen een beletsel - hadden schriftelijk hun instemming betuigd met het doel van de vergadering. Onder hen was ook Le Roy, die met zijn 77 jaar de reis van Oude Tonge naar Amsterdam niet meer kon maken. Ter vergadering werd debrief van de kerkeraad van Oude Tonge voorgelezen, die natuurlijk door de predikant was opgesteld, en waarin aangedrongen werd op 'eene dadelijke ontbinding van den tegenwoordigen kerkvorm en van alle wetten en regelementen, daaruit voortgevloeid, en een eenvoudige herstelling der oude kerkordening, met name zoals dezelve in de Nationale Synode van Dordrecht in 1618 en 1619 is vastgesteld'. Helaas ontbrak de tijd om ter vergadering deze brief, die getypeerd werd als 'hoogst belangrijk' te .bespreken. Maar de vergadering beantwoordde wel aan haar doel: de krachten van de orthodoxie in de Hervormde Kerk te bundelen en aan te dringen op herstel van de vaderlandse kerk. Deze bijeenkomst is dan ook heel belangrijk geweest voor de verdere ontwikkeling. Helaas heeft Le Roy van deze ontwikkeling niet veel meer gezien, want twee jaar later is hij overieden, Maar zijn strijd was niet tevergeefs geweest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's