Twee stemmen over twee wegen
Reeds wekenlang ligt er een artikel uit de Leidse Courant op mijn tafel, waarover ik wilde schrijven. Het gaat over een boekje van de gereformeerde predikant A. J. R. Brussaard, getiteld 'Als een mus op het dak', handelend over 'wrede trekken in het christelijk belijden'. Als uitspringende zaken in dit boekje worden - blijkens twee grote koppen - gezien: 'Geloof in grote officier van Justitie maakt wreed' en 'De hel is Gode zij dank verdwenen'. Nu zou men, voor eerlijk verstaan zo'n boekje geheel moeten bespreken. Het gaat over voorzienigheidsgeloof, zondebesef, straf op de zonde, Gods wil in het leven etc. Maar het punt, waarom het mij nu gaat, is, dat duizenden lezers, middels een dergelijk krantenartikel als de mening van een predikant krijgen voorgehouden, dat de hel verdwenen is, en blijkens het geciteerde 'ook nooit meer terug komt'. De Statenvertahng spreekt weliswaar over de hel, maar - aldus ds. Brussaart - zij (dat zijn de Statenvertalers) konden zich moeilijk ontdoen van het middeleeuwse hei-geloof. En - zo zegt hij ook - 'wat een wreedheid er binnen de kerk bedreven is met het angstvisioen van de eeuwige verdoemenis valt nauwelijks meer te besommen.'
Ingehouden
Waarom blijft zo'n artikel eigenlijk wekenlang liggen en waarom voel je een zekere terughoudendheid om over zulke hoogsternstige zaken als 'eeuwige verdoemenis' in discussie te treden? Ik denk omdat het om zulke hóógst-érnstige zaken gaat. We kunnen woorden als verdoemenis slechts met grote huiver in de mond nemen. Inderdaad kan er op een wijze mee worden omgesprongen in prediking en pastoraat, dat de gedachte oprijst of wel werkelijk, existentieel de ernst ervan wordt beseft. Wie bij het noemen van deze woorden zelf niet huivert neme ze liever niet in de mond. Wij dan wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof, zegt Paulus. Maar wie op de wijze van ds. Brussaard met deze zaken omgaat, is bepaald op huiveringwekkende wijze bezig. Door deze diep bijbelse noties van oordeel en gericht te verwijzen naar een middeleeuws geloof doet ernstig tekort aan de Schrift en beseft niet, dat het bloed der zielen eenmaal van alle dienaren des Woords zal worden afgeëist. Wat gaat het hier over het scherp van de snede. Het spreken over zonde, gerechtigheid en oordeel, over eeuwig wel en wee is diep in de Schriften verankerd, maar wat is ook telkens weer nodig om er in de context van het evangelie over te spreken, wil dit spreken niet ontaarden in alleen maar bangmakerij, zonder uitzicht op het heil dat God belooft.
Verloren
We kunnen hier ook denken aan de bijbelse notie 'verloren'.
Van het wooidverloren geeft van Dale's groot Woordenboek zeven betekenissen. De zesde betekenis, die wordt genoemd is: 'zedelijk verdwaald of gevallen', t.w., zoals bij de verloren zoon; of óók 'verdoemd zijn'. In deze laatste zin gebruiken protestanten het, zo wordt eraan toegevoegd. Maar moet niet worden gezegd dat in die zin de Schrift erover spreekt?
De Schrift spreekt over het verloren zr/«. De Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren is, zegt Lukas (19:10). De Schrift spreekt ook over het verloren gaan. 'Want het woord des kruises is wel degenen die verloren gaan dwaasheid, maar ons, die behouden worden is het een kracht Gods', zegtPaulus(l Cor. 1 : 18). En de schapen van de goede Herder zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, zegt Johannes 10.
Maar wat zullen we verder Schriftplaatsen aanhalen? We kennen ze uit het hoofd. Ds. Brussaard kent ze ook. Maar de Schrift in haar directe spreken is niet langer norm bij velen. Intussen worden zo, met de ontkenning van de twee wegen., echter zielen misleid.
Beleving
De Schrift spreekt ook op vele plaatsen over de existentiële beleving van de menselijke verlorenheid, het zich verloren gevoelen. En hier ben ik bij de eigenlijke reden, waarom ik dit artikel over het boekje van ds. Brussaard ter hand nam. Ik wil hier nl. graag een tweede stem aan het woord laten.
Ds. Brussaard zegt er niet helemaal zeker van te zijn, dat de hel uit het onderbewustzijn is verdwenen. Zo te spreken suggereert, dat het toch tijd wordt dat dit gebeurt. Maar zal het niet zó zijn, dat zolang de Heilige Geest het Woord te binnen brengt in mensenlevens, de ernst van het gericht en het ingaan van Christus in Gods gericht aan het hart zullen worden gelegd? En hoe zal dat zijn wanneer de mens in grenssituaties komt, als hij weet te zullen verschijnen voor de heilige God.
Diep getroffen heeft mij in dat verband - en daarom geef ik het hier als die tweede stem weer, in 'antwoord' op Brussaards beschouwingen-datgene wat ds. H. S. J. Kalf, zelf op zijn sterfbed, nog heeft kunnen schrijven in zijn laatste kerkbode van de gemeente Wijnjewoude. Deze begaafde prediker-ds. C. A. Korevaar schrijft in dit nummer over hem een in-memoriam - heeft scharen rnensen onder zijn gehoor gehad. Hij was een begenadigd kanselredenaar en immer prediker van de twee wegen, de genade niet los van het oordeel, het oordeel niet los van de genade. In de zware pijnen op zijn ziekbed ging het om zonde en genade, blijkens wat hij hier opgeschreven heeft.
Ook een dominee?
Hij schrijft: 'Kan ook een dominee zalig worden? '
Dat is zo'n vreemde vraag nog niet. De dichter Dante schrijft hoe hij in de hel hooggeplaatste geestelijken, zelfs Pausen zag. Nu is dat fantasie.
Maar zelf vroeg ik vaak, net als Paulus, aan de Heere, dat ik niet zelf verworpen zou moeten worden, terwijl ik het e^J'angelie aan zo vele anderen gepredikt heb. Is dat niet om benauwd voor tè wezen? Anderen te zien binnengaan in de eeuwige heerlijkheid. Jij er buiten voor eeuwig. En dat door eigen schuld. Ik heb als jongen van 18 jaar de schrik van mijn leven gehad. Ik kon geweldig schaatsenrijden en was, veel te gauw, in mijn eentje, heerlijk aan de gang op de Breek, uitgebreide plassen en meren in Noord-Holland, bij Landsmeer. Plotseling brak het ijs, ik klampte me vast aan de randen, maar die brokkelden af. zwemmen kon ik als de beste. Maar mijn zware kleren en schaatsen belemmerden me. En... ik kon niet op de rand komen! In doodsnood schreeuwde ik over die verlaten vlakte. Ver weg, aan de Dorijsstraat zag een vrouw bij het dekensschudden uit het bovenste raam, een zwart stipje. Ze waarschuwde. Mannen kwamen met touwen en ladders. Met moeite werd ik gered. Thuis gekomen vertelde ik eerst niets. Maar mijn moeder zag ineens dat ik vreemde ' kleren aanhad. Toen veranderde mijn hart. Ik was als gymnasiast opstandig en wild. Liep de vergaderingen van de Vrijdenkerij af. Wou, tot verdriet van moeder, niet ter kerk. Ik zocht God. Kwam terug op het pad waar mijn opvoeding me had gezet. Ik dacht: Nu ben ik bekeerd.
Maar 'wat kwam daarna? Zoveel goddeloosheid, ongerechtigheid, losbandigheid' niet te beschrijven. Weer werd een halt me toegeroepen. Theologie studeerde ik al; eerst deed ik oude talen, latijn en grieks. Ik was erg jong al student. Via veel innerlijke strijd kwam ik tot geloofsbelijdenis. Wat was ik daar ernstig mee bezig! En de eerste keren datje avondmaal vierde. Om nooit te vergeten. In de Amstelkerk, waar ds. J. H. F. Remme voorging. We zongen Ps. 43: 'Dan klimt mijn bange ziel gereeder ten berge van Uw heiligheid.' Hoeveel indrukken. Hoeveel ervaringen. In mijn eerste gemeente een ernst en een ijver. Daar op een onverwacht moment besefte ik voor het eerst: Wat zal het zijn als je nu voor God moet komen? Voor eeuwig verloren? Een benauwdheid! De angst der hel.
Daarna de jaren van een erg druk domineesleven. Oorlogstijd. Werk in de grote steden Rotterdam en Amsterdam. Toen het heerlijke, maar veel tijd eisende Bennebroek bij Haarlem. Wat ik niet schrijven mag uit al die jaren: hoe heeft God mij zien zwerven, dwalen, zondigen. O, niet om te vertellen. En hoe heeft de Heere dat goddeloze mannetje toch geduld. Vastgehouden, niet opgeroepen! Vorig jaar, toen ik voor die grote operatie lag, kwam alles bij me boven. De Heere bepaalde mij bij mijn zonden. Hoe ik Hem vertoornd had en bedroefd. Ik kwam in de engte. Droefheid tot God. Radeloos. Is er nog enig middel om de straf te ontgaan en weex tot genade te komen? Ineens hoorde ik duidelijk mij voorzeggen: Jezus, Middelaar Gods en der mensen. Dat zei ik telkens en telkens na. Later aanvankelijk hersteld, zoals we ten onrechte dachten, was ik diep dankbaar en wilde iedereen de dienst des Heeren aanprijzen. En toch... schrik niet: die bekering op jonge leeftijd, dat belijdenis doen, ernstige indrukken, zelfs die stem: Jezus, Middelaar Gods en der mensen, zijn geen grond om zalig te worden. Als we daarop bouwen, zullen we ons voor eeuwig hebben vergist. Denk u dat eens in.
Dit heeft God mij bijgebracht: een sterk besef van mijn verlorenheid, mijn doemwaardigheid. Al die zonden (en God ziet ziet er veel meer in mij, dan ik ze ooit kan overzien), brachten me in een poel, een put, waar geen bodem in is. En maar zinken en denken: ben ik er nu nog niet? Nu, ik ben er niet en zal nooit
op de bodem zijn. Eeuwig zinken. En - net of er een zware stenen kogel van boven af in de put werd neergelaten. Geen ontkomen meer. Voor altijd in de duisternis. En dat naar Gods heilig recht. Het moet maar echt voor je weze, n! Denk aan de psalm: ik schatte mij geheel .verloren. Toen! En nu opgelet: bij dat vreselijk besef: ik kom nooit Gods koninkrijk binnen, bracht God mij te binnen: Jij, Henk Simon Jan, bent gedoopt . Dat moest. Want dat duidt dan op jouw onreinheid; hoe vuil je bent van top tot teen. Datje gewassen moet worden of anders: weggeworpen. In Adam al de verdoemenis onderworpen. En dat is zo. Ik doe niet alleen maar zonden. Ik ben zondaar. En dan daarachteraan heel mijn zondig leven.met zijn afgrijselijke afgronden van gemeenheid en vuil.
Maar God zegt: Jij, zo vuil als je bent, bent gedoopt. Niet toevalhg, dat jij uirdie ouders geboren bent. Jij wél gedoopt, zovelen niet. Maar datje gedoopt bent op zichzelf, dat redt je niet. Die doop is voor een verloren mens, die het bitter moest leren dat hij zijn zaligheid buiten zichzelf moet zoeken, een teken en zegel. Op naam. En je slaat maar met je vuist op tafel, in al je nood: Heere: Ik ben gedoopt, want in die Doop betuigt de Drieënige God dat Hij om je heen staat. Die drie heilige Personen, de Vader, de Zoon en de Geest staan om me heen, zo dat ik wel in elkaar soms zakken kan, maar niet omkomen. Daar betuigt God de Vader: Ik richt een eeuwig verbond van genade op met u. Proef elk woord daarvan. God richt dat op. Uit eigen beweging. Niet op mijn verzoek. Niet allereerst om mij te redden. Maar tot eer van Zijn Naam. Ik heb niets besloten, niets beslist, niets aangenomen. God kwam mij voor! Terwijl Hij weet wat voor één ik ben! Een eeuwig verbond der genade. Dat zegt, dat van zijn kant niets wordt verwacht. Geen ernst; geen goed, kerkelijk leven en zo meer. Alleen wel het oprecht bekennen van almijn zonden. Hij zal als Vader mijn verzorger van alle goed zijn. Alle kwaad van mij weren. Of te mijnen beste keren.... ik ben aangenomen tot een kind van Hem. Ik mag Hem de liefste naam geven. Als ik dat niet durf, zal de Heilige Geest net zo lang het mij voorzeggen tot ik zelf zeg: Abba, lieve Vader.
Maar dit wonder is bewerkt, gewrocht, verricht. Hoor nou goed. Een Ander heeft dit voor mij verdiend. Zo zeker als ik gedoopt ben, mag ik, zondaar, in het geloof God aan Zijn belofte houden. Ook deze: God de Zoon verzegelt ons dat Hij ons wast met Zijn bloed van al onze zonden. Dat Hij ons inlijft in de gemeenschap van Zijn dood. En van Zijn opstanding. Zo, zodat ik van al mijn zonde bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend word. Nu zie ik Hem, die hoge Zoon van God, die daarvoor zich bekleedde met ons stof, ons vlees en bloed; mens is geworden. Om Zelf als mens te lijden, te sterven, ja van God de Vader aan het kruis verlaten te worden. Om zo te dragen, mijn straf, mijn schuld, mijn vloek. Beladen, met al die vuile zonden van mij, aan wie Hij toch zeker niets verplicht is. Eerder omgekeerd. Nu zie ik Hem, gaande door het land, wonderen doende, heerlijke en bestraffende woorden richtende tot de mensen. Heel dat leven, en dan... dat einde op Golgotha. Hij, mij wassen, met Zijn bloed?
Ik kan er niet boven uit. Ik wou altijd zeker zijn van de bereidwilHgheid van Jezus, om niet alleen andere zondaren, maar zelfs mij te zaligen. En die zekerheid vond ik. Hier: In Gods belofte. In die belofte van het evangelie, waar Gods Woord vol van is. Dus in de Bijbel, waaraan ik mij houden mag en moet. En dan het ongetwijfeld teken en zegel van de Heilige Doop. En niet minder van het Heilig Avondmaal. Zo zeker als ik dat stukje brood gebroken zie en eet, zo zeker is Zijn lichaam voor mij verbroken en Zijn bloed voor mij gestort. Dit, belooft de Heilige Geest, zal Ik u blijvend kunnen brengen. Ik kom in u wonen en leer u toe-eigenen wat wij in Christus hebben. Dat heeft Hij mij geleerd. Het rijkste wat mij overkomen kon. Verzoend met God. Door de dood van Zijn Zoon. En daarvan zeker! Leg je hand op Zijn belofte. Op de Doop. Op naam gesteld. Dat is geen automatisme. Dat automatisme let alleen op het gedoopt zijn en verwacht van dat teken zélf iets. IJdel, bedriegelijk geloof van duizenden. Want nu ben ik zeker, dat Christus' gerechtigheid de mijne is. Niet dooi mijn aannemen ervan... Maar dank zij de zekere belofte des Heeren. Die ik in het geloof toe-eigenen mag. Met een dappere greep. Alles alleen uit .Hem. In dat geloof - word ik zalig. Al word ik nog zo bestreden. En al is mijn ziekte en pijn nog zo erg. Zo dat Hij mij telkens weer onderworpenheid moet geven om eenswillend met de Heere te zijn.
Maar boven het lijden van nu gaat de heerlijkheid uit van die wondere vrede, die God geeft aan mensen, naar Zijn eeuwig welbehagen. Uit vrije wil. Maar wie ongewassen door het bloed van Christus het er op aan durft te laten komen, om zo voor Gods troon te verschijnen, wordt voor eeuwig afgewezen. Uit genade zalig. Door het Lam dat ons kocht met Zijn bloed.
Het is alleen voor zondaars.
Waarvan ik de voornaamste ben.
Zahgheid, om niet over op te houden!'
Er is geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn. Dat leert ook dit geestelijk testament van een hoog begaafd prediker.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's