De uitlegging van toekomstprofetieën
Naar aanleiding van de artikelen over het' duizendjarig rijk van de hand van ds. Veldhuizen zou ik enkele algemene opmerkingen willen maken in verband met de verklaring van de toekomstprofetieën.
Wanneer het gaat over de uitlegging van toekomstprofetieën, dreigen er verschillende gevaren. Waar er reeds zulk een verscheidenheid of tegenspraak is in de uitlegging van Gods Woord met het oog op de tijd waarin wij nu leven, hoeveel moeilijker is het dan met het oog op de toekomst.
Het is bekend, dat Calvijn geen commentaar gegeven heeft op de Openbaring van Johannes. Dit boek is het boek, dat de Heere Jezus aan Zijn kerk gegeven heeft vooral ook met het oog op de toekomst. Dat Calvijn en in het algemeen de kerken der Reformatie dit boek gesloten hebben gehouden, is niet in overeenstemming met het opschrift aan het begin van dit boek. Daar lezen we toch in hoofdstuk 1 : 3: Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die horen de woorden dezer profetie, en die bewaren, hetgeen in dezelve geschreven is; want de tijd is nabij.',
’Zalig is hij, die leest.' Het kan ook vertaald worden: 'die voorleest.' Dat is, die het voorleest in het midden van de gemeente. Er staat daarom ook bij: 'en zijn zij, die horen de woorden deze profetie.' Het boek moest gezonden worden aan de zeven gemeenten in Klein-Azië en daar worden gelezen in de samenkomsten der gemeente. Telkens klinkt het: 'Die oren heeft om te horen, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt.'
Van de Openbaring van Johannes geldt, wat Petrus ook zegt van Paulus'brieven met het oog op de laatste dingen: 'In welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf. ' Het is te begrijpen, dat velen daarom de leer van de laatste dingen ontwijken, door er over te zwijgen. In de kerken wordt er dan ook zeer spaarzamelijk over gehandeld.
Toch is dit in strijd met de Heilige Schrift. Het moest de kerk iets te zeggen hebben; dat het laatst aan haar gegeven openbaringsgeschrift juist gaat over de laatste dingen en eindigt met de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Een kenmerk van debediening van de Pinkster Geest is toch ook, dat Hij de toekomende dingen bekend maakt, en een onderpand is van de toekomstige erfenis.
Vergeestelijken
Er is echter nog een tweede manier, waardoor de kerken de leer van de laatste dingen eigenlijk in wezen opzij zetten. De Schriftgedeelten, die beloften en profetieën inhouden omtrent de toekomstige dingen worden ook wel uitgelegd en toegepast, maar volgens een bepaalde methode van uitlegging. Dat is dan de methode van 'vergeestelijken'. Het gevaarlijke van deze methode is, dat deze zogenaamde geestelijke uitleg wordt voorgesteld als in het bijzonder naar de mening van de Heilige Geest, terwijl in werkelijkheid het voortkomt uit de bespiegelingen van de eigen geest. We komen hier op een weg, waar de grootste waakzaamheid geboden is. We kunnen menen zeer geestelijk te spreken, vanuit de Schrift, terwijl we in de werkelijkheid de Schrift geweld aandoen en de Heilige Geest tegenstaan.
Ik wil dit met een voorbeeld toelichten uit de profetieën aangaande de toekomst van Israël. Wanneer de Schrift spreekt in verband met het toekomstige heil van Israël, en belooft dat het land van koren en wijn zal overvloeien, dat kudden daarin vermenigvuldigen zullen, dat de regens het land bevochtigen zullen, dan wordt dit verklaard als geestelijke zegeningen. Ook Israël wordt vergeestelijkt tot de Nieuw-Testamentische gemeente, de kerk uit de volkeren.
Het eigenlijke land van Israël en het volk van Israël als nakomelingen van Abraham, Izaak en Jakob, hebben dan niets meer met deze belofte te maken.
Als men door de tekst er nog toe gebracht wordt, om ook nog iets te zeggen over Israël, dan wijst men er op, dat Israël door de verwerping van Zijn Messias Jezus alle rechten lp de belofte heeft verloren. De Nieuw-Testamentische gemeente is daarmee de enige erfgenaam van alle beloften geworden. De Jood heeft geen enkel apart voorrecht meer. Wanneer een Jood Christen wordt en daardoor dus opgenomen word[t in de Christelijke gemeente, dan houdt hij voor wat betreft zijn geloofsleven geheel op een Jood te zijn. Men beroept zich hiervoor ook op de uitspraak van Paulus: In Christus is noch Jood, noch Griek. Overal, waar in de tekst Israël of de Joden genoemd worden, zet men zonder meer daarvoor de gemeente in de plaats.
Welk een onjuiste toepassing dit is, blijkt wel, als men dezelfde regel van uitlegging gebruikt voor het verdere gedeelte van deze tekst. Paulus zegt daar verder: daarin is noch man, noch vrouw. Dat zou dus betekenen, dat overal, waar in de Schrift van de man gesproken wordt, het woord 'man' vervangen mag worden door 'vrouw'. Dan kan ik met deze tekst ook de vrouw in het ambt in de gemeente verdedigen.
Het grote gevaar van het zogenaamde vergeestelijken van de Heilige Schrift is, dat men het stoffelijke, tastbare en lichamelijke van geen belang acht. Zelfs dit geheel afschrijft. Zulks wijzen we toch ook af in de vrijzinnigheid, die de lichamelijke opstanding van Christus als feitelijkheid niet nodig acht en zelfs ontkent en zich baseert op de geestelijke opstanding van de Christus in de Zijnen, zodat Hij weer vóór hen gaat leven?
Twee gevaren
De rechte uitlegging van de Schrift wordt door twee grote gevaren bedreigd. In de eerste plaats is daar het gevaar van alles te willen neertrekken in het stoffelijke, zichtbaar waarneembare. De Schrift gebruikt hiervoor het woord 'zienlijk', dat is, wat men ziet.
Bij zulk een uitlegging gaat het alleen om een toekomstig aards paradijs. Wat zien we dit in onze tijd in de kerken ook naar voren komen. Men komt hierbij op een lijn met wereldse ideologieën als socialisme en marxisme. Kerk en wereld strijden dan samen voor een betere wereld. Vanuit deze grondgedachte wordt de Schrift dan uitgelegd, of eigenlijk gezegd omgevormd en verkracht. Zo is daar ook bij adventistisch gerichte secten zichtbaar, hoe de stoffelijke, zichtbare zijde van de beloften overheerst, waarbij de menselijke geest alles pasklaar uit de Schrift meent te kunnen verklaren.
In de tweede plaats is daar het gevaar, dat we reeds aanduidden: het verwaarlozen van het tastbare en ons geheel richten op het geestelijke. De Schrift spreekt hier van de 'onzienlijke dingen'. Dan gaat het alleen om die onzienlijke dingen. De wereld gaat immers voorbij in haar zichtbare vorm. De verlossing bestaat uit het vrijgemaakt worden van al dit aardse. Voor de mens persoonlijk betekent dit, dat zijn heil volmaakt wordt bij de scheiding van ziel en lichaam in het sterven. Het lichaam valt de aarde toe, om in de aarde en eenmaal met de aarde te vergaan. De ziel als het onzienlijke deel van ons leven, dat blijft, vindt dan haar eindbestemming in de hemelse, onzienlijke sferen.
Bij een eenzijdige uitlegging van de Schrift vanuit een van deze twee achtergronden kan men tot een zeer verschillende verklaring komen, al naar gelang het uitgangspunt, vanwaar men uitgaat. Het is dan ook niet te verwonderen, dat er zulk een verwarring is, vooral als het gaat om de toekomstige heilsvervulüng.
Begrijpelijk is, dat de gedachte opkomt, deze zaken maar te. laten rusten en er het zwijgen toe te doen. Wanneer eenmaal de profetieën vervuld worden, zal toch wel zichtbaar worden, wat de juiste uitleg is. Laten we ons maar niet meer vermoeien met al die verschillende uitleggingen, hoe interessant en kanp ze misschien ook gevonden mogen zijn. Tenslotte zijn het echter maar constructies van de menselijke geest, hoe spitsvondig ook opgesteld.
Schriftgetuigenis
Daar blijft echter staan het getuigenis van de Schriften zelf: l de Schrift is van God ingegeven en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is. (2 Tim. 3 : 16). Daarbij zegt Petrus in 2 Petrus 1 : 19: En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een hcht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uw harten.'
Daartoe behoort ook het profetische Woord, ' dat gaat over de belofte van de toekomst des Heeren, waar de apostel in het verdere van deze brief ons bij bepaalt. We wezen ook reeds op de zaligspreking in Openbaring 1 : 3 van hen, die dat profetische Woord aan de gemeente voorleest en verkodigt. Daarmee is ook de zaligspreking verbonden van hen, die het horen en er acht op geven. Juist ook, omdat 'de tijd nabij is.'
Wanneer de kerk dit verwaarloost en nalaat, is
zij ontrouw aan de opdracht des Heeren. Ook dit is een belangrijk onderdeel van de Evangelieprediking. Ook hiervan geldt, wat Paulus zegt in 1 Cor. 9 : 16: Want indien ik het Evangelie verkondig, het is mij geen roem, want de nood is mij opgelegd. En wee mij. indien ik het Evangelie niet verkondig!' De roeping blijft, om niet alleen een gedeelte, maar 'al de raad Gods' te verkondigen. We mogen niets achterhouden. '
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's