De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Dirk Adrianus Detmar (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dirk Adrianus Detmar (1)

Zij die bleven (6)

8 minuten leestijd

Eén van de predikanten uit de vorige eeuw die trouw bleven aan Schrift en Belijdenis en tegelijk trouw bleven aan de vervallen vaderlandse kerk, was Dirk Adrianus Detmar. Hij heeft niet zozeer naam gemaakt in de strijd om de belijdenis, zoals zijn tijdgenoten Le Roy, Moorrees, en verschillende anderen, want in die strijd mengde hij zich slechts zijdelings. Maar hij had wel een goede naam als prediker van het Woord: uren liepen de mensen 's zondags over de Velu we (en dat was in die tijd een hele opgave!) om Detmar in Ede te gaan horen. En ook door zijn eenvoudige, praktische geschriften (preken en brieven) spreekt hij nog nadat hij gestorven is.

Zijn jeugd

Wanneer Detmai: in het verhaal van zijn bekering, dat hij zelf heeft geschreven, zijn verwondering uitspreekt over het feit dat de Heere naar hem heeft omgezien, dan looft hij meermalen 'de trouwe Leidsman mijner jeugd'. Het is altijd een wonder voor hem gebleven dat de Heere hem heeft opgezocht en hem niet losHet, hoe hij zich ook verzette... Want een brave Hendrik is Detmar in zijn jeugd niet geweest...

Geboren in Den Haag op 9 aug. 1774 uit godsdienstige, ernstige ouders had hij wel al vroeg indrukken van dood en eeuwigheid en huiverde hij soms bij de gedachte onverzoend te moeten sterven, maar daar leefde hij weer overheen, 's Zondags ging hij trouw ter kerk, 'en volgde de voornaamste Leeraren, welke den meesten toeloop hadden', zoals hij zelf zegt! Op zijn manier genoot hij van de prediking, want hij had een goed verstand en kon een preek navertellen. Op aandrang van zijn ouders deed hij ook belijdenis, maar dat was geen zaak van het hart. Hij streefde er alleen naar de beste van de groep te zijn en wis eigenlijk beledigd dat de predikant op de aannemingsavond hem te weinig vragen stelde, want nu kreeg hij niet de gelegenheid zijn kennis te spuien!

Toch bleef de angst voor het sterven en voor het oordeel hem achtervolgen. Vooral toen zijn vader op een zondagavond, naar gewoonte, een gedeelte voorlas uit de Redelijke Godsdienst van Wilhelmus a Brakel, dat handelde over 'Het laatste oordeel' kreeg hij het benauwd. Toch probeerde hij zijn angstige gevoelens te verdringen door diezelfde avond nog de ouderlijke woning weer te verlaten om zijn vrienden op te zoeken, die hij zelf afschildert als 'jongelingen van eenen zeer slechten stempel, die tot alles wat slecht genoemd kan worden berekend waren en dien het niet genoeg was zelf zo goddeloos te zijn, maar die volijverig poogden anderen zoo niet boozer, tenminste zoo slecht te maken als zij zelven waren’.

Zo werd de jonge Dirk Detmar steeds heen en weer geslingerd. Hij had ogenblikken waarin hij besloot een ander leven te gaan leiden, zijn verkeerde vrienden vaarwel te zeggen en vaker naar de kerk te gaan. Maar dan werd hij weer aangevallen met de gedachte dat 'Gods geboden zeer zwaar waren en Zijn dienst zeer verdrietig'. Zo bleef het totdat de grote ommekeer in zijn leven kwam.

Zijn bekering

Op een zondagmorgen zat Detmar onder het gehoor van 'eenen teeder Godzaligen Leeraar', die elders stond, maar een vrije beurt in Den Haag vervulde. Helaas noemt hij de naam van deze dominé niet, wel de tekst waarover hij preekte: 'Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid en al deze dingen zullen u toegeworpen worden'. Hij voelde zich als het ware met de vinger aangewezen toen de predikant zei dat, indien wij het Koninkrijk Gods niet zoeken, we voor eeuwig verloren zullen gaan. Daardoor werd hij aan zichzelf ontdekt en het werd hem zó benauwd dat hij dacht: ik ben verloren!

Op de avond van diezelfde zondag zat hij weer in de kerk, nu bij een Haagse dominé, die ook anoniem blijft, maar die hij wel vanaf die tijd overal heeft gevolgd. Het was volgens Detmar 'een volijverig dienaar van Christus', die die avond preekte over de tekst: 'Dit is een getrouw Woord en aller aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben’.

Detmar blijkt een man te zijn geweest met een emotioneel karakter. Voortdurend spreekt hij over 'een vloed van tranen', 'een overstelpt gemoed', 'de hevigste aandoeningen', enz. Jaren later, wanneer hij dit alles vertelt in de Brieven aan een vriend, merkt hij nog op dat hij een en ander niet kan neerschrijven zonder 'hevige ontroering'. Ondanks dit sterk gevoelsmatige element is de bekering van Detmar zéér bijbels en Christocentrisch. Hij heeft vóór deze tijd wel verschillende waarschuwingen gekregen: eens was hij hevig geschrokken van een donderslag, op een andere keer had hij weer een benauwde droom. Maar het was uiteindelijk het Woord waardoor hij stilgehouden werd en het was óók het Woord waarin hij de weg des behouds vond. Vooral toen de predikant in genoemde avonddienst zo ruim en uitlokkend sprak over de liefde van Jezus tot de grootste der zondaren ging héél zijn hart open.

Van die tijd af kreeg hij andere vrienden en bezocht hij de gezelschappen, waar over de wegen des Heeren gesproken werd. Daar was soms, zo vertelt hij, 'iets van de eerste Christentijd. Onze zielen waren geestelijk verbonden en die oprechte en eenvoudige liefde, die er onder ons heerschte, vooral in den eersten tijd, deze kan niet beschreven worden. Wij waren in nadruk één hart en één ziel voor den Heere, welken het behaagde om Zich dikwijls in ons midden te vertegenwoordigen. O hoevele liefdetranen werden er niet gestort, wanneer zij, die door Goddelijke genade (sommigen in hunne jeugd) de dienst der wereld verlaten hadden, tesamen hunne knieën bogen. Welk liefdevuur werd er in de hartelijke taal van hen die in het gebed voorgingen, niet bespeurd; er was als geen scheiden als wij tesamen waren; en als wij waren gescheiden verlangden wij al weder naar elkander, zoo drong de liefde van Christus ons tot wederliefde’.

Toch was Detmar nuchter genoeg om ook op te merken: 'Het verkeer was op verre na niet zonder gebreken, dit behoef ik niet te zeggen, er had wel veel overdrevenheid plaats, gelijk dat niet zelden in den eersten tijd, na de verandering des gemoeds, bij menschen die tevoren de zonden openbaar gediend hebben, plaats heeft'. Anderzijds mocht hij ook met diepe dankbaarheid zeggen dat hij nooit zo'n zalige tijd beleefd heeft als toen. 'De Geest van het ware, onopgesmukte, ongemaakte, eenvoudige Christendom was over onze gezelschappen in eene ruime mate uitgestort’.

Gods eer en des naasten heil

Detmar heeft ook verder zijn geestelijke levensweg tot in bijzonderheden beschreven. Hij deed dit overigens op dringend verzoek van een vriend tegen wie hij het eens had verteld en die het allemaal nogeens wilde nalezen. Maar hij kon er niet over spreken als hij dat wilde: 'Men treft menschen aan die daar altijd toe gereed zijn en zulks is bij mij het tegendeel’.

Ook heeft hij zijn eigen levensverhaal en ervaringen niet aan het papier toevertrouwd om er zelf iets mee te worden of voor anderen een maatstaf aan te leggen. Hij wilde juist 'ieder die mijn geschrijf mocht lezen, vooral datgene wat de verandering van mijne keuze en levenswijze betreft, onder het oog brengen dat dit geschreven is tot eere Gods en tot aansporing en opwekking van mijnen medemensch, maar niet, volstrekt niet, om dezen weg tot richtsnoer te stellen, zoodat iemand, die misschien al verder in jaren gevorderd is, zou deiiken: ik moest ook in mijne jeugd veranderd zijn, nu is het te laat; of dat eenen anderen zou zeggen: zulk eene leiding moet ik ook hebben, anders is het niet oprecht en in waarheid met mij; dit zoude ongeoorloofd en zeer nadeelig zijn. Ik heb het altoos in Godvruchtigen moeten afkeuren wanneer zij den weg in welke de Heere hen geleid had, tot eenen maatstaf voor anderen zochten te stellen - of menschen welke de Heere anders had gelieven te leiden, durfden veroordelen, welk gedrag van onverstand en hefdeloosheid nooit kan vrijgepleit worden'. Detmar zelf is erg 'gunnend' en doet niets liever dan anderen aansporen om de Heere te zoeken, vooral in hun jeugd, en hen die aangevochten en bestreden worden of 'hun werk wel in waarheid is', bemoedigen en vertroosten. 'Houd maar moed', schrijft hij, 'bedrukte zielen! Jezus ziet u. Hij kent u. Hij hoort uw klagend kermen en Hij zal u niet uitwerpen, verbeidt Hem maar, zoo Hij nog wat vertoeft. Hij zal gewisselijk komen en niet achterblijven’.

En aan de vriend aan wie zijn brieven zijn gericht schrijft hij tenslotte dat ze eenmaal samen 'op grond van Jezus' genoegdoening, en daarop alleen, daar zullen zijn waar HIJ is, waar wij ons eeuwig over de leidingen Gods storeloos verheugen zullen’,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1978

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Dirk Adrianus Detmar (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1978

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's