Verhoring
'En hij zeide: Ik riep uit mijn benauwdheid tot de HEERE en Hij antwoordde mij." (Jona 2 : 2)
Jona had het geleerd zichzelf te verloochenen. 'Neemt mij op en werpt mij in zee; zo zal de zee stil worden van ulieden'. En ze namen hem op, ze wierpen hem in de zee en de zee werd stil.
Jona ging - naar eigen gedachten - de dood in. Maar de HEERE had anders gedacht: een grote vis redt Jona van de verdrinkingsdood. 'En Jona was in het ingewand van de vis, drie dagen en drie nachten'.
Jona in de vis. Dat betekent voor u die dit leest: er is voor God de Heere niets te wonderlijk! Zijn hand is niet verkort. Hij is Dezelfde, ' een God Die wonderen werkt.
'Hij kan en wil en zal in nood zelfs bij het naad' ren van de dood volkomen uitkomst geven.'
Zult u dat nooit vergeten en daaraan denken als u in nood bent, lichamelijk en geestelijk? Wat dit laatste betreft, de geestelijke nood, daarover vertelt ons dit hoofdstuk ook. Jona is (tijdelijk? ) van de dood gered. Maar de nood is niet geweken. En dan gaat Jona bidden. De zwijgende vluchteling voor het aangezicht des Heeren gaat spreken: 'en zie. Hij bidt!' De HEERE heeft Jona in verzekerde bewaring genomen en drijft hem nu tot het gebed. Hij gaat roepen. Dat betekent voor u en voor mij dat wij in de nood van ons leven tot de HEERE moeten gaan en mogen gaan. Als uw hart u aanklaagt dat u tégen alle geboden gezondigd hebt en geen daarvan hebt gehouden, roep Hem aan in die dag der benauwdheid!
U zegt misschien: ik gevoel mijn nood niet. Maar ook dat wil de Heere aan u werken Zijn Woord en Geest. Hij leidt Jona's leven. Hij wil ook uw leven leiden, naar de diepte, naar de nood, om daar uw God aan te roepen. Wat een voorrecht dat de HEERE ons onze diepste nood leert zien: dat we - net als Jona - een vluchteling zijn, onder Zi^n ogen vandaan.
Wie daar iets van kent, van de vernedering voor Gods ogen, van het verdriet over onze zonde, hóór het dat Jona roept tot Zijn God! Roep ook u tot Hem, de Heere. Hef het hoofd op, vouw uw handen en roep het: HEERE, help mij!
Laat toch niet moedeloos uw hoofd hangen, vlucht niet voor de HEERE, maar roep Hem aan. Zeg het maar tegen Hem, alles wat in uw leven is: uw angst, uw twijfel, uw kleinheid en uw schuld. Zeg het alles uit.
Dan zult u ervaren dat het waar is wat Jona verder zegt: '... en Hij antwoordde mij'. Goddelijk antwoord temidden van de dood, ja temidden van de grootste doodsdreiging. Tot Hem moet u gaan en de uitkomst zal zeker zijn. Zo ging ook Jona uit het ingewand van de vis roepen én hij heeft het ervaren dat God een hoorder der gebeden is.
De HEERE redt! Wie kan dat begrijpen? Gods wegen zijn onbegrijpelijk. Zondaren worden gerechtvaardigd. Er is barmhartigheid, er is vergeving voor alle kleine, roepende mensen. Hoe moet u roepen tot de HEERE? Luther zegt: 'uit een waar geloof'. Hij voegt daaraan toe: ik moet de toevlucht nemen met mijn hele leven tot God, hoe Hij ook toornt op mij. En dan onder die toorn Zijn genade zoeken. Zo kom ik tot God.
Luther zegt: 'Men moet daarvoor door Zijn toorn. Zijn straf en Zijn ongenade heenbreken als door een bos dat louter uit doornstruiken bestaat, ja als door een woud vol spiesen en zwaarden.'
Dat is pas roepen uit geloof. Op zulk roepen antwoordt God. Zult u dan niet zwijgen voor Hem? Want dan komt er ook geen antwoord! Roep tot Hem. Hij antwoordt!
Roepen uit geloof. Daartoe worden wij allen dag aan dag opgeroepen. Bidt tot Hem: 'trek mij tot U; bekeer mij tot u.' Dat is een gebed waarop u nog wonderen mag verwachten van de Almachtige God. Naar Hem toe, de Rechter van uw leven, dwars door 'het woud vol spiesen en zwaardern'. Ga tot Hem zoals eenmaal Esther ging tot de koning. 'Kom ik om, dan kom ik om'. Als zelfs een aards koning genade liet gelden voor recht, hoeveel te meer uw Vader Die in de hemelen is?
Hij antwoordde mij! Zo geeft de HEERE nog antwoord aan Zijn kind dat tot Hem roept. Er is een God die lééft! Hij hoort de jonge raven als zij roepen. Zou Hij u, kl'eingelovige, dan niet horen? Zou Hij u niet antwoorden?
Dat alles, het horen en het antwoorden Gods is gegrond in Zijn Vaderlijk meedogen. We denken dan in stille verwondering opnieuw aan de andere Jona. Hij riep, maar er kwam geen antwoord. 'Waarom hebt Gij mij verlaten? ' 'Hij van God verlaten, opdat wij nimmermeer van Hem verlaten zouden worden'. Denkend aan deze andere, betere Jona mag u gaan tot de Vader, en in 'het woud vol spiesen en zwaarden' van Zijn toorn over uw zonden komt u toch niet om. Immers, de toorn is gestild, de schuld is verzoend voor ieder die zo tot Hem de toevlucht heeft genomen. Er is een weg gebaand door de Here Jezus Christus tot het hart van de Vader.
En zegt u nu niet: 'Het kan voor mij toch niet meer, dat ik een roepend mens wordt en het reddend antwoord van God mag horen in mijn leven.' Want aan het eind van dit hoofdstuk staat: 'Het heil is des HEEREN'. Wat een hopeloze en ellendige mensen waren wij als het heil van de mens was! Maar nu is het heil des HEEREN, alles is in Zijn hand! Daarom: wanhoop niet! Bent u krachteloos, bij Hem is kracht! Is het duister om u heen, bij Hem is het licht!
Jona in de vis. Roepend om hulp. 'En de HEERE antwoordde mij'. Dat is een reddend antwoord. Want Hij spreekt en het is er, Hij gebiedt en het staat er. 'De HEERE nu sprak tot de vis; en hij spuwde Jona uit op het droge'. Hij is een God die wonderen werkt, ook vandaag.
Bodegraven
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's