De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

’Godzaligheid te verbinden met de Wetenschap’

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

’Godzaligheid te verbinden met de Wetenschap’

7 minuten leestijd

De bekende theoloog Gisbertus Voetius hield op 21 augustus 1634 aan delllustreSchool (de huidige universiteit) te Utrecht zijn ^veneens bekende openingsrede als rector over 'Godzaligheid te verbinden met de wetenschap'. In deze rede richt Hij zich tot rechtsgeleerden en filosofen, medici en beoefenaars van de studies der talen, geschiedenis, welsprekendheid, en ook van de teheologie, de wetenschap die voor hem de Koningin der wetenschappen was. Hij richt zich tot hoogleraren en studenten, waarbij hij de praktijk der godzaligheid ook sterk verbindt-voor alle wetenschappers - met handel en wandel van elke dag. De Latijnse tek«t van de rede - met daarnaast de Nederlandse vertaling - is recent bij Kok te Kampen uitgegeven, voorzien van een inleiding van dr. Aart de Groot. Enkele passages uit deze rede laten we hier volgen.

Godzaligheid

Het karakteristieke van de godzaligheid verwoordt Voetius met een uitspraak van Cyprianus, 'zeer heilig martelaar Christi', als volgt:

’Nederigheid in de omgang, standvastigheid in het geloof, bescheidenheid in woorden, rechtvaardigheid in daden, in de werken barmhartigheid, in levenswandel tucht; geen kennis hebben aan het bedrijven van onrecht, maar het haar aangedane (onrecht) verdragen; vrede houden met de broeders. God liefheb-' ben van ganser harte. Hem beminnen als Vader, Hem vrezen als God; niets boven Christus stellen, omdat Hij ook niets boven ons, gesteld Keeft; zijn liefde onafscheidelijk aanhangen. Als Zijn naam en eer in het geding zijn, toont zij in het dispuut de standvastigheid waarmee wij belijden, bij een verhoor het vertrouwen waarmee wij strijden, in het sterven het geduld waardoor wij de kroon ontvangen. Dit is het met Christus medeërfgenaam willen zijn, dit is het willen doen van het gebod Gods, dit is de wil des Vaders volbrengen’.

Aangevochten zaak

Ook in Voetius' tijd was de praktijk der godzaligheid niet allerwegen aan de universiteit en naar men mag aannemen in het bredere maatschappelijke leven van zijn dagen te vinden. Men leze daartoe het volgende, gesteld in niet mis te verstane taal:

’Och, of wij met vereende krachten die schandvlek van de academiën de gymnasia en de samenkomsten der studenten eens voor altijd verwijderen mochten! Reeds begint-wij kunnen het zonder schaamte en smart niet zeggen-bij velen, ook allerminst kwalijkgezinden, die edele studentennaam, die nooit zonder eerbied genoemd moest worden (als tenminste daden met woorden overeenkwamen en de zaken met het opschrift), in zo grote verachting te komen, dat studenten bij hen evenzeer geëerd en geacht zijn als onbeschaamde kunstenmakers en harisworsten of als libertijnen en epicuristen, of een troep soldaten zonder soldatenhart, nachtbrakers, ongelukkige kwelduivels van het menselijk geslacht, Belialskinderen (d.w.z. deugnieten), zoals de Schrift zegt, die elk juk verbroken en alle palen der godzaligheid, eerbaarheid en schaamte neergehaald hebben. Want de me­ ning heeft postgevat, dat de meesten, lui als ze zijn en bij ontij bezig met feest vieren, slechts hiertoe geboren zijn, hiertoe zich aan de studiën wijden, om op een slimme manier des te beter de beest uit te hangen, om met des te grotere bevalligheid en innemendheid hun ijdelheid en dwaasheid onder het masker van wijsheid aan de wereld ten beste te geven, om het goed van hun ouders, eertijds met grote inspanning, zuinigheid en spaarzaamheid welverworven, in zo kort mogelijke tijd erdoor te jagen en als beloning voor zovele kosten na lang uitzien niets thuis te brengen dan ijdelheid, hoogmoed, ongepaste grappen, brutaliteit, verkwisting en allerlei onmatigheid, daar zij welhaast alle plichtsbetrachting, alle eerbaarheid, alle wellevendheid inderdaad hebben afgeleerd (om niet te zeggen afgezworen) en niet van beesten mensen, maar van mensen beesten^ zijn geworden, makkers van Elpenor, zwijnen van de kudde van Epicurus, door ik weet niet welke Circaeische toverdranken behekst'.

Tot de theologen

Uit zijn toespraak aan het adres van de theologen het volgende:

’Wat zal het baten subtiel over God, over zijn werken 'ad extra' en 'ad intra', over de Triniteit der personen en dergelijke mysteriën te hebben gedisputeerd, als wij de ware ootmoed hebben gemist en alzo aan de Triniteit mishaagd? Wat zal het baten definities en distincties inzake de zonde te hebben opgesteld en van de zonde niet bekeerd te zijn? Of menen wij, dat de eeuwige en eengeboren Zoon van God, onze grote God en Zaligmaker Jezus Christus, Zijn bloed heeft gestort, de eeuwige verlossing teweeggebracht, zichzelf een gemeente geheiligd, uit de schoot des Vaders al de raad Gods tot, zaligheid aan de mensen geopenbaard en de theologen met een hemelse zending bij de mensen heeft willen belasten - met geen ander doel, dan dat wij door het houden van redevoeringen, door het uitdragen van het licht van het evangelie in schitterende welsprekendheid een rustig leventje zouden leiden en onze hongerige buik zouden vullen met wat ons karig tractement ons oplevert en dat wij, wat die bekende (auteur) in zijn 'Veile Sardiërs' (de titel van een satire) verwijtend heeft gezegd, 'een vrouw trouwen en kinderen grootbrengen met het uitzicht niet op ontwikkeling, maar (sarcastisch gezegd) op een hongerbestaan'? Dat zij verre, verre van ons, geliefde broeders: het dierbaar bloed van Christus, de kostelijke koopwaar der zielen aan ons (om het zo eens uit te drukken) als kooplieden - toevertrouwd, onze roeping, de verwachting der kerk, eisen stuk voor stuk iets anders. Tenzij wij (als wij niet, v. d. G.) onze zielen overgeven om zielen te winnen, tenzij wij door woord en daad stichten, zijn wij huurlingen, zijn wij verraders, die zo al niet altijd anderen, zeker onszelf en onze zaligheid verraden.(...)

Meent.niet, zeer gewaardeerde toehoorders, dat ik, als ik zoveel in het belang der godzaligheid spreek, paradoxen opeen hoop en bepaalde nieuwe en ongewone zaken onder uw aandacht breng alsof het verbinden van godzaligheid met wetenschap hetzelfde zou zijn als het paren van grijpvogels met merries of het aanleggen van pakzadels aan een os of het veranderen van alle studenten in monniken. De naam van student alleen al werkt ten aanzien van wat wij verlangen, overtuigend. Dit tochjs de ware omschrijving van een student, dat hij namelijk iemand is, die zich toeleggend op de studie van de belangrijkste zaken zich met Gods en der mensen hulp voorbereidt om de hoge ambten in staat of kerk te bekleden. De ware wijsheid, wier voedsterlingen en beoefenaars zich bevinden op de gymnasia, is die, die niet slechts het verstand verlicht, maar ook het hart verwarmt, die niet slechts blote begrippen der waarheid en vluchtige beelden •in de hersenen ^ of op het oppervlak ervan - schildert, maar ook innerlijk doordringt tot de binnenste kernen van het gemoed en de gevoelens. Zij heiligt geheel en al, zij bekeert op zeer krachtige wijze, zij maakt de mensen niet alleen geleerder, maar ook beter (...)’.

Slotgebed

Aan het eind van de rede gekomen sprak Voetius het volgende slotgebed uit:

'Zo wenden wij ons wederom tot U, o God, Vader, Zoon en Heilige Geest, die onze Schepper, Ontfermer, Verlosseren Heiligmaker zijt. Wij bidden U, verlicht Gij ons verstand op een krachtige en (tegelijk) lieflijke wijze, buig Gij onze harten, wijs onze begeerten terecht, kruisig ons vlees, scheld de wereld en Satan, die ons verzoeken en aanvechten. Bekeer ons (tot U), zo zullen wij bekeerd zijn. Trek ons tot u en wij zullen (U) nalopen. Werk, opdat wij werken. Geef, wat Gij beveelt en beveel dan wat Gij wilt en Gij zult niet tevergeefs bevelen. Ontferm u over ons vaderland, ontferm u over de kerk, ontferm u over ons Gymnasium. Bekeer de ongelovigen, versterk de gelovigen en richt ons allen op de weg des vredes naar het vaderland der eeuwige heerlijkheid. U zij de lof, de eer en de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen’.

v. d. G:

Uit: Gisbertus Voetius: 'Godzaligheid te verbidden met de wetenschap'; Uitgave J. H. Kok, Kampen, 112 pagina's, ƒ 25, 50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

’Godzaligheid te verbinden met de Wetenschap’

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's