De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Dirk Adrianus Detmar (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dirk Adrianus Detmar (3)

Zij die bleven (8)

9 minuten leestijd

Woerden

Detmar was in Woerden als predikant zeer begeerd. Hij had het beroep ontvangen, zoals hij zelf meedeelt, 'begeleid door enige zeer gewichtige brieven van Godvruchtigen in die gemeente' en hij voelde dat 'zijn gemoed al meer en meer tot deze gemeente werd overgebogen'. Aan de andere kant heeft hij er tegenop gezien naar Woerden te gaan, want, zegt hij, 'ik hdd de gemeente van Woerden hooren beschrijven en wel als eene zoodanige, waarin zich vele en zeer bittere vijanden van Gods volk en Zijne dienstknechten bevonden, die dan ook mijn leven daar zeer zouden kunnen verbitteren.' Desondanks had hij tóch het beroep aangenomen.

Detmar was in Woerden beroepen in de vakature van ds. Petrus Buyt, die door de Franse soldaten was vernioord. In november 1813 hadden de wegtrekkende Franse troepen de stad geplunderd en er op een verschrikkelijke manier huisgehouden. Behalve ds. Buyt, die zomaar in het portaal van zijn pastorie werd neergeslagen, werden nog verschillende andere burgers gedood’.

Zijn voorganger was een algemeen geacht en Godzalig predikant. Detmar zag wel in dat het geen kleinigheid zou zijn hem op te volgen. 'Het was nu ook vooral mijne ootmoedige verzuchting: ik mogte, al ware het dan ook maar van verre, de voetstappen drukken van dezen mijnen Godzaligen voorganger’.

Nadat hij op 5 maart 1815 in de morgendienst door zijn plaatselijke collega was bevestigd, deed Detmar 's middags intredp met Hand. 20 : 28. Onder die intredepreek werd een openbare goddeloze, die nooit in de kerk kwam, maar nu uit nieuwsgierigheid gekomen was, krachtdadig bekeerd. Deze man, een zekere K. Visser, is later één van Detmar's meest gewaardeerde ouderlingen geworden. Elke zondagmorgen werd er ook in de gevangenis gepreekt. De predikant die die morgen geen dienst had in de Petruskerk nam de gevangenisbeurt waar. Het was voor Detmar een hele gewaarwording toen hij voor de eerste maal 'den gevangenen het Evangelium moest verkondigen'. Hij deed het 'onder veel gevoel des harten, maar ook onder den bijzonderen bijstand des Heeren'. Zijn tekst was die eerste keer uit 1 Joh. 2 : lb-2a: Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige, en Hij is een Verzoening voor onze zonden.' Detmar herinnert zich later nog dat hij 'nimmer in den tijd zijner bediening eene leerrede had uitgesproken, onder meer diepe stilte en luisterende aandacht dan hier, onder deze gevangenen’.

Op november 1817 - precies 300 jaar na de Reformatie - werd de Kerkhervorming op een grootscheepse wijze herdacht. Het was een 'oecumenische' herdenking - en dat was nogal wat in die tijd! - want 's morgens preekte ds. Van Waenen (Detmar's plaatselijke collega), 's middags de Lutherse predikant en 's avonds Detmar, over Psalm 107 : 20-21. Aan alle drie diensten werd meegewerkt door een kerkkoor en een muziekkorps!

In 1820 kreeg Detmar 'een toeval', waardoor hij geruime tijd werd uitgeschakeld. In de periode van ziekte schreef hij zijn 'Eenvoudige Brieven', die in grote oplagen werden gedrukt en door vele duizenden gelezen. Aangemoedigd door dit succes begon hij aan een groter werk: 'De beproefde Godsvrucht van eenige Bijbelheiligen'. In de eerste vier boeken, die alle tijdens zijn Woerdense periode het licht zagen, behandelde hij het Oude Testament. Later, toen hij in Ede stond, verschenen nog vier boeken over het Nieuwe Testament. Op eenvoudige wijze behandelde Detmar het leven van de bijbelheiligen en paste hij dit toe op het leven der gelovigen van alle tijden.

Ook in Woerden trok Detmar stampvolle kerken en genoot hij de liefde en de achting van velen. Maar een gemakkelijke tijd heeft hij er zeker niet gehad! Tussen 1828 en 1830 waren er voortdurend spanningen en botsingen met de kerkeraad. Deze moeilijkheden vonden hun oorzaak in het feit dat Detmar af en toe weigerde de door de Synode verplicht gestelde vragen voor de bediening van het H. A. voor te lezen, én in het feit dat hij weleens 'vergat' een gezang op te geven... Het is zelfs zó ver gekomen dat zijn eigeti kerkeraad hem daarover aanklaagde bij het Classicaal Bestuur van Leiden.

Ook tussen hem en zijn collega boterde het niet. Ds. Van Waenen, met wi§ hij bijzonder vriendschappelijk had omgegaan, had in 1828 emeritaat gekregen en was nog in hetzelfde jaar opgevolgd door ds. J. Broekman uit Barneveld. De twee dominees lagen elkaar gewoon niet en voortdurend waren er conflicten, tot op de kerkeraadsvergaderingen toe. De gemeente werd erdoor verdeeld in twee kampen, want elke predikant had uiteraard zijn aanhangers. Eén van de ouderlingen had zelfs de kwalijke opmerking gemaakt: 'de grootste ramp voor Woerden zijn onze twee predikanten’.

Jaloezie zal aan deze broedertwist niet vreemd geweest zijn. Detmar trok nu eenmaal veel meer mensen en had ook veel meer catechi santen dan Broekman... Overigens was Detmar een man des vredes, die ondanks de gespannen verhouding nooit op negatieve wijze over zijn collega heeft gesproken. Als het Classicaal Bestuur van Leiden vraagt naar zijn verhouding tot Broekman, dan schrijft Detmar alleen terug dat er tussen hen beiden 'te weinig familiaar verkeer' is. En als hem verweten wordt dat hij een ruziemaker en een oproerkraaier zou zijn, dan adviseert Detmar zijn tegenstanders eens te informeren bij de R.K. pastoor en bij de Lutherse dominé en bij heel de burgerlijke gemeente. Dan zal wel blijken dat de gemeente Woerden over het algemeen hem 'niet als een ramp, maar als een zegen beschouwt en behandelt’!

Inderdaad was Detmar's reputatie in Woerden uitstekend. In 1832 werd de stad getroffen door een uitbarsting van de'gevreesde cholera. Detmar vertrouwde 'dat de Almagtige ook in het midden der besmetting mij konde beveiligen' en was dag aan dag te vinden aan de ziekbedden om de zieken en stervenden te vermanen en te vertroosten.

Ede

In 1833 kreeg Detmar 'eene eenparige beroeping' naar Ede. Minder plezierig was het voor hem dat 24 personen uit die gemeente een brief schreven 'dat zijlieden tegen den wandel

van den aan de gemeente voorgestelden predikant D. A. Detmar bezwaar hebben; vermits het algemeen bekend is dat hij in de gemeente van Woerden in algemene twist en oneenigheid leeft.. 'Bovendien liet de koninklijke goedkeuring die destijds op een beroep was vereist lang op zich wachten, zodat hij pas op 12 oktober 1834 kon worden bevestigd.

Op diezelfde 12de oktober 1834 gebeurde er iets in ons land, dat van vérstrekkende betekenis zou zijn voor de kerkgeschiedenis. In het hoge noorden, in het Groningse Ulrum, bleef de kerkdeur gesloten voor ds. H. P. Scholteuit Doeveren, die als gastpredikant zou voorgaan, waarna Scholte voor een grote menigte in de open lucht preekte. De dag daarna, maandag 13 oktober, tekenden ds. H. de Cock en de Ulrumse kerkeraad de 'Akte van Afscheiding of Wederkering', waardoor de eerste breuk geslagen was in de vaderlandse kerk. In Ede, waar Detmar nog maar een dag predikant was, wist men van deze ontwikkelingen nog niet af. Maar men zou er nog nader van horen.

Het beviel Detmar in Ede goed. De mensen die zich verzet hadden tegen het beroep waren al spoedig voor zijn prediking gewonnen. Vooral met de kerkeraad waren er nauwe geestelijke banden. 'Het was mij', zo schrijft hij. later, 'zoo verblijdend dat ik hier eenen kerkeraad vond, die niet alleen de zuivere leer der waarheid was toegedaan, maar dat ik daaronder broeders leerde kennen en beminnen waaraan de Heere Zijne genade had grootgemaakt'. In de gemeente had Detmar ook een goede ingang. Als hij preekte was de kerk overvol en de mensen van andere plaatsen hadden er uren lopen-voor over om hem te horen. Hij sprak er ook zijn verwondering over uit dat zijn catechisanten zo trouw kwamen, zelfs in de winter, hoewel sommigen van hen een uur en langer moesten lopen, en dat, terwijl de wegen in dit seizoen nauwelijks begaanbaar waren.

Ondanks verschillende beroepen naar elders is Detmar tot zijn dood in Ede gebleven. De gemeente had in de vorige eeuw nog maar één predikantsplaats, hoewel zij toch in Detmar's tijd al meer dan 2500 zielen telde en de gezinnen bovendien zeer verspreid woonden. Èen hele opgave voor een dominé, die bij zijn intrede de 60 jaar al gepasseerd was...

Zijn achteruitgaande gezondheid belette hem echter niet met liefde en ijver zijn werk te doen. Zelfs werd onder zijn.leiding nog een commissie in het leven geroepen om de kerk van Ede van een orgel te voorzien. Dat orgel is er ook gekomen, in 1845, maar ds. Detmar heeft dat niet meer mogen beleven.

De laatste jaren van zijn ambstbediening was Detmar niet meer in staat om staande te preken. Ook het laatste Avondmaal dat hij met zijn gemeente mocht vieren moest hij zittend bedienen. Op 23 juni 1844 ging hij voor de laatste maal voor in de bediening van het Woord. Hij preekte toen over Filippus en de kamerling. En het woord waarmee deze geschiedenis eindigt, gold ook voor hem: Hij reisde zijn weg met blijdschap.

Dood en begrafenis

Na deze laatste dienst verminderden zijn krachten snel en tenslotte verloor hij ook zijn spraakvermogen. De gemeenteleden, bij wie hij zeer geliefd was, zagen zijn einde naderen en kwamen in groten getale afscheid nemen. Velen waren verwonderd dat hij tot het laatste toe zo helder van geest bleef.

Op maandag 5 augustus 1844 kwam het einde. Toen ging voor Detmar in vervulling wat hij zelf eens had gezegd aan het slot van een preek: 'De Heere zal u aan het einde van uw aardsche loopbaan brengen, daar waar gij geene behoeften en geene zorgen meer kennen zult; waar gij verzadigd zult worden met het goede van Zijn huis, met het heilige van Zijn paleis; waar gij eeuwige rust en blijdschap smaken zult en waar God alle tranen van uwe oogen zal afwisschen.'

Op de dag waarop hij 70 jaar zou zijn geworden, 9 aug. 1844, werd Detmar onder grote belangstelling op hetkerkhof van Ede teraarde besteld. Op zijn graf staat een eenvoudige gedenknaald met het opschrift:

'Door zijne vrienden, Aan D. A. Detmar, Laatst Pred. te Ede, Geb. 9 augustus 1774, Overl. 5 augustus 1844, Openb. 14 vs 13'

In de muur bij de preekstoel in de Oude Kerk van Ede is later een gedenksteen voor ds. Detmar ingemetseld. En onder zijn portret staan de veelzeggende woorden:

'Veel zondaars in te winnen voor 't Rijk van zijnen Heer

Is Detmar's grootste lust, zijn blijdschap en zijn eer’.

P.S. De gegevens over de Woerdense periode van Detmar zijn voor een deel ontleend aan het onlangs verschenen boek van dr. •J. Haitsma, 'Hoofdstukken uit de geschiedenis van de Hervormde (Gereformeerde) Kerk van Woerden van 1953 t/m 1963', Uitgave Zuijderduijn, Woerden, 1978.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1978

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Dirk Adrianus Detmar (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1978

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's