Luthers stelling over de boete
Bij de Reformatieherdenking
Hervormingsdag
Wanneer Hervormingsdag nadert komt Luther in gedachten. De herdenking der Hervorming is onlosmakelijk verbonden met het optreden van de monnik Luther die in 1517 zijn sindsdien beroemde stellingen aansloeg.
Het zal ons niet mogen ontgaan dat de eerste van deze stellingen niet gaat over de aflaat maar over de boete. Hoewel de stellingen naar aanleiding van de aflaathandel van Tetzel zijn opgesteld, ligt toch niet Luthers hoofdinteresse bij deze aflaat maar elders.
Als het waar is, en daar is veel voor te zeggen dat Luther reeds in maart 1513 zijn grote ontdekking deed, dat de gerechtigheid Gods die in het Evangelie wordt geopenbaard niet een eisende maar een schenkende gerechtigheid is, zodat zij een ander woord is voor de genade Gods, dan heeft hij tot 1517 de tijd gehad om dit gegeven, dat van centrale betekenis is voor heel het geloofsleven, voor zichzelf te verwerken en op dit punt tot grotere klaarheid te komen. Dat Luther inderdaad in de jaren 1513-1517 deze ontwikkeling heeft doorgemaakt is merkbaar in zijn 95 stellingen en met name in de eerste stelling die over de ware boete gaat.
De eerste stelling
Wij geven nu eerst een vertaling van deze eerste stelling; de stellingen zijn nl. opgesteld in het Latijn. Deze vertaling luidt als volgt: ' Wanneef onze Heere en Meester Jezus Christus zegt: Doet boete, dan bedoelt Hij dat het hele leven van zijn gelovigen op aarde één gedurige boetedoening moet zijn.
Om deze stelling in haar ware proporties en vérstrekkende betekenis beter te kunnen begrijpen is nodig dat wij eerst iets zeggen over de traditionele boete-opvatting waar Luther mee te maken had en waartegen hij zich in deze stelling afzet.
Roomse boeteleer
Sprak men in de dagen van Luther over boete (poenitentia) dan had men een sacrament voor ogen. Men sprak van het 'sacrament der boete'. Men verstond daaronder hetzelfde sacrament dat ook met het woord 'biecht' kan worden aangeduid. Dit sacrament bestond uit de volgende handelingen: men beleed zijn zonden voor de oren. van de priester (daarom oorbiecht genoemd), men deed dat met berouw; daarna schonk de priester vergiffenis; maar tevens legde hij de zondaar of zondares een aantal boetedoeningen op. De aard en hoeveelheid van deze boetedoeningen verschilden alnaargelang de ernst van de overtreding. Heel gebruikelijk was dat een bepaalde geldsom moest worden betaald; dat ook een aantal gebeden moesten worden gedaan, b.v. van het Paternoster (Onze Vader) of van het Ave Maria. Was de gebiechte zonde een ernstige dan kon een bedevaart naar een of andere Heilige plaats worden opgelegd. En dan waren er ook nog de boetedoeningen of straffen in het vagevuur.
Nieuw inzicht
Tegen deze boeteleer nu én haar navenante praktijk keert zich Luther in zijn stellingen en hij begint daar zijn stellingen mee.
Er was in Luther een nieuw inzicht gegroeid in wat de Schrift leert over de boete. Hij was toen hij zijn stellingen opstelde al sinds 5 jaar hoogleraar in de theologie te Wittenberg. En vooral aan hem was het te danken dat de heidense wijsgeer Aristoteles die tot dus ver in het universitaire onderwijs een schier onbeperkte heerschappij had uitgeoefend, had moeten plaatsmaken voor het onderwijs in de Schrift.
Reeds had Luther heel de Romeinenbrief en ook de Galatenbrief doorgeworsteld en hij was gekomen meer en meer tot het inzicht wat het ware christenleven is. En dat kwam er voor hem anders uit te zien dan de kerk hem steeds geleerd had. Aan het begrip 'boete' maakt hij dat duidelijk in zijn stellingen.
Mattheus 4, 17
De tekst die Luther in zijn eerste stelling heeft aangehaald vindt men in Mattheus 4, 17. In de Statenvertaling zegt Jezus daar: Bekeert u. Maar in de Vulgata, de Latijnse vertaling van het NT, die door Luther gebruikt werd, staat: Doet boete. In het oorspronkelijke Grieks van het NT staat een werkwoordsvorm waarin het woord 'metanoia' zit. En metanoia betekent letterlijk: verandering van gezindheid. Luther wist dit, en hij heeft er ook mee gerekend! Boete ofwel bekering is voor hem nu primair een zaak van gezindheid. Zij is een innerlijke verandering of vernieuwing. En als zodanig niet een zaak van een dag maar van het hele leven. Niet iets wat opgaat in bepaalde uiterlijke dagen, maar wat een zaak van het hart is. Nu kon Luther, dank zij dit inzicht, niet anders meer dan kritisch komen te staan tegenover heel de biecht-en boete-praktijk van zijn kerk. Hij doorzag hoezeer men de boete 'veruitwendigd' had, door haar te laten opgaan in bepaalde uiterlijke daden. Hij doorzag ook hoe zij 'verwettelijkt' was, doordat zij niet meer gave Gods, nl. werk van de Geest in het hart van de zondaar was, maar prestatie van de boeteling.
Innerlijke verandering
Wat in de mond van de Heere Jezus bedoeld is als een oproep om zich door Hem en zijn Geest innerlijk te laten veranderen, om zich tot Hem ' te keren, te bekeren, is door de kerk van Rome gemaakt tot harde eis om zich door boetedoeningen weer de gunst van God te verwerven. Deze 'boetedoeningen' heetten, heel kenmerkend, satisfactiones, voldoeningen. In de handen van mensen wordt het gelegd God te voldoen. De voldoening van God door Christus is op de achtergrond geraakt. De christelijke religie is op deze wijze ontaard in wetticisme en legalisme.
In zijn stelling zegt Luther: Het hele leven van de christen op aarde moet één gedurige boetedoening zijn. De innerlijke vernieuwing van ons hart.en van heel ons leven is een gedurige opdracht. Daar komen wij niet rriee klaar. Wat Rome eiste leek zwaar, in werkelijkheid was het zo zwaar niet. Wie maar zijn gebedjes opzei en andere boetedoeningen volbracht, was klaar. Die kon het voldaan gevoel hebben zijn 'voldoeningen' te hebben volbracht. De massa vatte het zo ook op. Koesterde zich in een valse gerustheid. En toch, telkens werd deze gerustheid verstoord. Zij was geen ware ' gerustheid des harten. Telkens zondigde men opnieuw en moest men met zijn boetedoeningen weer van voren af aan beginnen. En bovendien was er permanent het dreigende vooruitzicht van men-wist-niet-hoeveel jaren in het vagevuur te moeten verkeren. Vandaar de gretigheid waarmee men aflaten kocht.
Een ander geloof
Door zijn nieuw bijbels inzicht in wat de ware boete of bekering is, kwam Luther volkomen haaks te staan in zijn opvattingen maar ook in zijn persoonlijke beleving van het christelijke geloof, op de leer en de praktijk van de kerk van Rome.
Zijn stellingen zijn niet slechts geboren uit een zekere lust tot disputeren, een lust die in die tijd heel sterk was, ook niet alleen maar uit een 'serieuze behoefte om de zaak van de aflaat eens aan de orde te stellen, omdat er door Tetzel en zijn soortgenoten zulk schrikbarend rifiisbruik van werd gemaakt, maar veeleer uit een geheel anders denken, geheel anders geloven en geheel anders beleven van de christelijke religie. Alleen wie dit voor ogen heeft, zal ook een verklaring hebben voor het feit dat deze stfellingenzo 'aansloegen', niet alleen bij de academisch gevormden maar ook bij het kerkpubliek. Er woei een zachte lente-wind van het Evangelie doorheen. Wij die op een afstand staan zien er ook nog wel wat herfstbladeren in, maar die waren niet beslissend; beslissend was het nieuwe. En aangezien de zielen gebukt gingen onder het juk van de Wet, daar men zelfs van het Evangeliewoord van Christus: Bekeert u, een zware wettisfche eis had gemaakt, hebben duizenden die deze stellingen voor het eerst lazen een rilling door zich voelen /heengaan, een rilling van nieuw leven.
Evangelie, niet Wet
Christus' eis der bekering is geen Wet maar Evangelie. Hijzelf stelt Zich voor als Degene in wie het behoud is en vraagt dan dat men zich "tot Hem wendt en zich door Hem laat behouden en geheel en al vernieuwen. Wij die machteloos zijn onszelf te vernieuwen, want wij zitten in de kluisters der zonde gevangen, mogen ons door Hem laten vernieuwen. En dat is een zaak van het hele leven, zoals Luther gezegd heeft.
Altijd weer is er het gevaar van het Evangelie een Wet te maken. Dat gevaar is niet tot Rome beperkt gebleven._ Dan wordt de mens op zichzelf geworpen. Maar wat moet hij beginnen? Hij wordt of hoogmoedig of wanhopig. Meermalen heeft Luther in zijn preken voor deze, twee uitersten gewaarschuwd. Rorhe kweekte beide soorten van mensen. De hoogmoedigen. Toen zij de stellingen van Luther lazen, en vooral over wat hij zegt over de ware boete, rees in hen een krachtig verzet. Zij bleven liever bij hun boetedoeningen; om het daar van te verwachten! Maar er waren ook de (schier) wanhopigen; mensen die vastgelopen waren met hun boetedoeningen-zonder-eind of in elk geval daar een verontrust geweten bij behouden hadden, en in radeloosheid zich van vele aflaten hadden voorzien. Die ruimden zij nu op, nu zij Luthers stellingen lazen, en zij kozen voor een bétere voldoening, in het Evangelie ons verkondigd, en leerden van genade leven.
Reformatorisch zijn in de geest van Luther is nog altijd: van genade leven!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's