De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

17 minuten leestijd

Wie zegt gij dat Ik ben?

De vraag van Christus aan Petrus in Mattheus. 16:15 blijft altijd weer de.kardinale vraag in het kerkelijk gesprek. Wij dreigen in een tijd waarin het politieke spreken van de kerk zoveel aandacht krijgt en allerlei ethische kwesties de gemoederen beroeren wel eens te vergeten dat er een belijdenis is die het hart van de prediking en het kerk-zijn betekent nl. de belijdenis: ezus Christus, waarachtig God en waarachtig mens. De geschiedenis van de kerk leert ons dat aanvallen op dit belijden van verstrekkende invloed zijn op de ontwikkeling van prediking en kerkeljjk leven. Vandaar dat we bij voorbaat op onze hoede zijn als Hervormd Nederland van 26 augustus een artikel publiceert van dr. Th. C. Frederikse onder de titel 'Godheid van Jezus netelig punt dat heroverweging verdient', met als bijschrift: eel nieuwe verrassende feiten.

Nu is het op zich uiteraard niet verkeerd de inhoud van onze belijdenis voortdurend opnieuw te toetsen aan de Schrift en opnieuw te overwegen. Maar in de practijk kwam het vaak tot een reductie van deze belijdenis. Wat wil nu dr. Frederikse? Hij begint met op te merken dat de oude woorden 'God uit God, Licht uit Licht' ons een visie geven op de volheid van Gods daden die we niet kunnen missen. Maar dat tegelijk deze belijdenis de christenheid de eeuwen dóór voor problemen geplaatst heeft. Het bleek de eeuwen door een infectiehaard van twisten en scheuringen, volgens Frederikse. Ik zou hier de kianttekening bij willen plaatsen: Is dat zo? Of kwam het niet veeleer daar tot scheuring waar christenen het geheim, wat de klassieke belijdenis verwoordde, niet onaangetast lieten?

Maar terug tot Frederikse's artikel. Hij memoreert het moderne-wetenschappelijke denken van de vorige eeuw met zijn aandacht voor de verheven mens Jezus, dat bij vele anderen kritiek uiüokte. Enerzijds hield men alleen de vefheven mens over, anderzijds de goddelijke wonderman. Ook hier zou ik willen zeggen: Doet deze tegenstelhng recht aan wat b.v. Kohlbrugge in de vorige eeuw beleed? M.i. niet. Frederikse gaat dan verder met:

Het zijn er ongetwijfeld ontelbaren, die door deze voorstellingen hun geloof voelden ineenschrompelen.

Hoe is de stand nu? Is de infectiehaard gedoofd of zelfs gedood? Men stelle zijn verwachtingen niette hoog. Wel moet worden geconstateerd dat toch met haast aller instemming de stroming weer sterk wordt, die Jezus als mens uit de verf wil hebben. We horen van de Man uit Nazareth, van Jezus als de Mens voor anderen of-iets uitdagender - van Jezus als de partijganger der armen. Zo krijgt de Jezus van het orthodoxe en liberale tijdperk meer bijbelse kleur. Vaak betekent dat ook meer rode kleur. Dat kan een teken van gezond christendom zijn.

In deze sfeer hoort het lied thuis dat snel bekend en geliefd werd.

Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd, is leven van genade, buiten de eeuwigheid, is leven van de woorden die opgeschreven staan en net als Jezus worden die 't ons heeft voorgedaan.

De bijbelse achtergrond van dit Gezang 172 is de verzoeking van de Heer in de woestijn (Mattheus 4). Jezus wordt daar echt als mens getekend. De duivel zegt echter tartend tegen deze mens die honger lijdt: als je Gods Zoon bent... Is Jezus hier nu mens of toch God?

Deugt dat schema van god én mens hier wél of juist helemaal niet? We laten het sein hier even"op rood staan. Dat de toestand toch nog warrig is gebleveri kan men opmerken aan het Liedboek. Naast liederen als het bovengenoemde zingen we njet kerst allen graag het tere gezang 139. O Heer Jesu, God en mense...

De dichter Schulte Nordholt legt ons zelfs in gezang 363 op de lippen:

O God die stierf onschuldig geoogst als wijn en brood... ’

Hij bevindt zich trouwens in goed gezelschap. De Duitse theoloog Jürgen Nloltmann, die voor maatschappelijk zeer progressief doorgaat, heeft, een van zijn boeken de opvallende titel meegegeven

’De gekruisigde God’.

Dit spraakgebruik gaf in de jaren zesdg juist aanleiding tot de vreemde God-is-dood-theologie, die van het christelijk geloof alleen maar pure medemenselijkheid wilde overhouden. Zo zie je maar. Dat Jezus-is-God blijft het ons moeilijk maken.

De schrijver plaatst dan drie opmerkingen. Allereerst zegt hij in navolging van Bartb: In Jezus, God met ons, zien we wie God is: een God van mensen, onze Bondgenoot. Wij moeten over God als over Jezus denken. Wat we als typisch goddelijk beschouwd hebben werd het waarachtig menselijke. Voorts leert het bijbels onderzoek ons, zegt Frederikse, dat Zoon Gods nooit kan betekenen: God zelf, maar dat het een titel is die in Israël b.v. aan de koning werd gegeven.

En dat heeft voor kerk en oecumene consequenties

Dit brengt ons tot een opmerking op het gebied van kerk en oecumene. Wij denken bij oecumene altijd het eerst aan de verschillende kerken. In het nieuwe testament is echter het grote oecumenische probleem de verwijdering tussen de joden die Jezus als messias niet aanvaarden, en de joden en anderen die Jezus wel hebben ontdekt als de Christus. Dus synagoge en kerk. Nu is het een algemeen erkend feit, dat voor een echte jood dat merkwaardige leerstuk van een mens die God zou zijn eenvoudig onverteerbaar is. In de middeleeuwen zijn vele rabbijnen, na beruchte disputen, daarvoor op de brandstapel gegaan. Het lijkt dan ook hoogst dubieus, dat de oude kerkvaders met hun 'waarachtige God' joden als Petrus en Paulus, Mattheus en Johannes werkelijk recht hebben gedaan.

Voor ons gesprek met het huidige jodendom lijkt het dringend gewenst, dat we als christelijke kerk op dit netelige punt grondige revisie overwegen. Degene die dit bij ons weten tot dusver het beste heeft gedaan is dr. H. Berkhof in zijn boek 'Christelijk Geloof'. Wat hij daarin de paragrafen 31-37 schrijft is verrassend. Ik heb dit door verschillende kerkelijke woordvoeders wel zonder meer horen afwijzen, maar niet zien weerleggen. Enkele pogingen van vakgenoten daartoe hebben me daarom niet overtuigd, omdat ze al bij voorbaat uitgaan van het geijkte oudkerkelijke schema dat Jezus God en mens is. Wie Vandaaruit zoekt, vindt natuurlijk wel allerlei teksten die in het straatje passen. Het gaat echter om een lezen en luisteren met nieuwe ogen en oren. Het zou, zo menen we, ons allen, kerkelijk en buitenkerkelijk, zeer kunnen heipen.

Een aanval op het klassieke belijden

Hoe voorzichtig Frederikse zijn gedachten ook inkleedt, m.i. behelst zijn artikel een regelrechte aanval op de klassieke belijdenis dat we in Jezus met God zelf te maken hebben. Op een dialectische wijze worden het Goddelijke en het menselijke verbonden..

Maar het resultaat is toch dat Jezus op deze wijze een mens is, zij het dan de ware Mens, die Gods bedoelingen representeert en demonstreert wat het betekent dat God een God van mensen is. Ds. S. Kooistra schrijft in een kritische bespreking van Frederikse's artikel in het Hervormd Weekblad van 5 oktober;

Zeker Jezus is ook de ware mens, die zowel actief en passief volkomen gehoorzaam is aan de Vader, de gehoorzame Verbondspartner, die in onze plaats de Wet vervult en de vloek der Wet draagt. Maar het heil hangt toch wel terdege aan het beslissend getuigenis van Jezus Zélf, dat Hij Gods Eniggeboren Zoon is. En dat wordt juist niet van de koningen en het volk Israël in het O.T. gezegd. Het is de verdienste van ds. van Dijk in zijn artikel (in het Friesch Dagblad - red.), dat hij in deze dr. Frederikse m.i. duidelijk weerlegt. Ds. van Dijk wijst met name ook op de gegevens van het Evangelie van Johannes (Joh. 1) en vooral ook Joh. 19 : 7, dat Jezus juist door de Joden veroordeeld is, omdat Jezus Zichzelf de Zoon Gods heeft genoemd of volgens hen Zich daartoe heeft gemaakt. Dus het struikelblok voor de Joden was er toen al. Wij hoeven dan niet volgens ds. Van Dijk nu dit struikelblok voor de Joden weg te nemen door Jezus' Godheid te laten schieten. Wel wil ds. van Dijk toegeven, dat de orthodoxie te weinig recht heeft gedaan aan Jezus' optreden als mens op aarde in Zijn prediking, bijv. de Bergrede. Ook prof. dr. J. Veenhof wijst daarop in zijn artikel 'Óver hét belijden van Jezus Christus Vandaag' in het Geref. Weekblad van 4 augustus 1978, als hij met instemming de Berlijnse theoloog Dischneider aanhaalt, dat 'het aardse optreden van Jezus in woord en daad ten onrechte niet vermeld is in het Apostólicum'. Maar mag men nu in reactie daarop enkel de mens Jezus in het middelpunt stellen en het geheim van Zijn Persoon als God geopenbaard in het vlees loslaten? Terecht wijst ds. van Dijk ook op de Goddelijke 'Ik Ben-uitspraken' van Jezus in het Evangelie van Johannes; Ik ben het Licht der wereld. Ik ben het Brood des levens enz... Het is mijn ervaring, dat het altijd moeilijk blijft om het kerkelijk dogma van de Drieëenheid, het" eenswezens-zijn van de Vader en de Zoon en van de goddelijke en menselijke natuur in Christus uit te leggen. Klinkt dit niet wijsgerig-abstract voor de Gemeente? Dit verklaart ook waarom prof. Berkhof en in navolging van hem dr. Frederikse pogen om de Persoon van Christus als mens dichter bij de Gemeente te brengen. Maar tegelijk ben ik met ds. van Dijk wat huiverig voor deze poging, omdat dan toch het geheim van de incarnatie, de vleeswording van het Woord, dat bij God was en Zelf God was, wordt losgelaten. Daarom begrijp ik ook dat telefoontje van de heer v. d. B., die mijn verzocht hierover te schrijven omdat hij terecht het geloof der Gemeente door dergelijke artikelen als van dr. Frederikse wat bedreigd ziet, al bedoelt dr. Frederikse het nog zo goed om kerkdijken en buitenkerkelijken te helpen om te geloven in Jezus als de Christus, de Messias.

Maar vooral in de Kerkgeschiedenis van de vorige eeuw blijkt, dat het loslaten van het kerkelijk dogma als spreekregel voor de Kerk tot ontsporingen in de Christologie leidt, waardoor de Gemeente niet meer in Jezus de Heiland ziet maar eerder de voorbeeldige, volmaakte mens. Zo noemt dr. R. B. Evenhuis in deel V van zijn werk 'Ook dat was Amsterdam' een zekere ds. P. W. Brouwer te Maassluis, die begin vorige eeuw nog voordat de Groninger richting opkwam een boek schreef, waarin hij de leer van de drieëenheid en van de godheid van Christus bestreed... (a.w. pag. 81). En op pag. 80 schrijft Evenhuis, dat de oude dogma's in die tijd niet werden verworpen maar uitgehold. 'Dat Christus eenswezens was met de Vader wilde zeggen dat hij nauw verbonden was met en afhankelijk was van de Vader, waarbij alle nadruk werd gelegd op zijn leer en voorschriften'. Het modernisme gaat dan later veel verder, zodat de vader van de Groninger richting, prof. Hofstede de Groot zelf ervan schrikt. Zo las ik in de rede van

Groen in het parlement over de schoolkwestie, over de band tussen de godsdienst en de volksschool (1855), dat hij deze keer met instemming Hofstede de Groot aanhaalt, omdat déze het geloof in Jezus als de Zoon God steeds meer geloochend zag.

Is dr. Frederikse niet onnodig bevreesd, dat de Gemeente Jezus te veel op één lijn ziet met God? Onlangs zei een bejaarde zieke vrouw tegen mij op mijn vraag naar haar geloof: ik geloof in de Here Jezus. Eigenlijk was de Here Jezus voor haar Dezelfde als God. Dan weet ik wel, dat dit in de Bijbel toch weer even anders ligt. En toch had zij het goed begrepen.. Want wij kennen God slechts door Jezus. Alleen in Jezus zie ik iets van Gods liefde... En al die moeilijke uitdrukkingen van het kerkelijk dogma willen eigenlijk ook niets anders zeggen dan tegenover de dwalingen van die tijd (4de en 5de eeuw) belijden, dat God Zélf in Christus tot ons is gekomen en niet de volmaaktgehoorzame mens.

Ik meen dat in dit laatste woord de beslissing valt. Is Jezus het vleesgeworden Woord? Is God zelf in Hem tot ons gekomen? Of staat Hij in feite aan onze kant? M.i. heeft dat ook voor de visie op het heil geweldige consequenties. Want wat wilde het klassieke belijden: waarachtig God en waarachtig mens, zeggen? Toch vooral dit: Dat het heil geheel en al van God komt. Terwijl in de nieuwe visie, zoals die door Frederikse verwoord is, de mens via de mens Jezus (die demonstreert dat God een God van mensen is, een God die öns opneemt in een partnerschap), toch ook zijn inbreng heeft. Want Jezus is als de ware mens, Gods Zoon, zegt Frederikse, die het waar moet maken dat Hij Gods uitverkoren werktuig is. En dan komen we toch weer in de sfeer van het lied: een mens te zijn op aarde... is leven van de woorden die opgeschreven staan en net als Jezus worden die 't ons heeft voorgedaan.

Dat is volstrekt iets anders dan wat de kerk der eeuwen beleden heeft en belijdt. Het impliceert een andere heilsopvatting. De poging tot heroverweging die Frederikse doet betekent volgens hem een hulp voor kerkdijken en buitenkerkelijken om in deze tijd het Evangelie te verstaan. Wij vrezen echter, dat we veeleer moeten zeggen: Wie de klassieke belijdenis (en dat is wat anders dan 'een geijkt schema') loslalat, doet tekort aan de diepte van het Evangelie. Want dat is het Evangelie dat God zelf reddend ingrijpt en dat heil helemaal en totaal van de Here is. Daar gaat het om in de belijdenis van Petrus: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. Wie (op m.i. zeer aanvechtbare gronden) in de woorden 'Zoon Gods' niet meer wil lezen dan een titel, ter aanduiding van een speciale roeping, heeft geen verweer tegen een heilsvisie waarin Jezus ten diepste niet meer is dan een mens, zij het ook een bizonder mens.

Over Bijbeluitleg

In Opbouw van 29 september wijdt drs. H. de Jong een kritische beschouwing aan de huidige mode om via een marxistische maatschappij-analyse de bijbel te gaan lezen en uitleggen. Materialistische exegese pleegt men dat te noemen. Men zegt dan: we moeten er op letten wie de mensen waren die het geschreven hebben. Stonden ze aan de kant van de rijken, de onderdrukkers, of aan de kant van de armen, de verdrukten? De maatschappelijke tegenstelling in klassen wordt dan de sleutel tot het verstaan van de Bijbeltekst. De Jong laat aan de hand van epn voorbeeld zien hoe simplistisch en scheef een dergelijk uitgangspunt is.

Ik wil er nu een voorbeeld van geven, hoe we ons kunnen vergissen met deze marxistisch aandoende benadering van de bijbel. Het voorbeeld is gekozen uit Gen. 21 de verdrijving van Hagar en Ismaël uit de tent van Abraham. 'Jaag die slavin met haar zoon weg.' Als we dit gedeelte marxistisch bekijken, zijn we snel uitgepraat. Dan hebben we hier een zeer sprekend voorbeeld voor ons van een maatschappelijke tegenstelling die in het voordeel van de sterkere tot een 'oplossing' wordt gebracht. Natuurlijk, Ismaël gaf aanleiding, maar hoe gering was die? Zijn lachen - het was de stok om de hond, de underdog, te slaan. Hagar en Ismaël moesten weg: verdrukking! ..

Nu, misschien moeten we dit gedeelte dan ook wel voor 'n verdrukkende tekst houden, zoals er wel meer in de bijbel te vinden zijn, - zal men mogelijk tegenwerpen. Er wordt toch wel meer in de bijbel verteld wat niet door de beugel van de bijbelse normen kan? Maar dat zou betekenen dat heel Israël er vanaf dat moment gekleurd op staat. Immers gaan hier in Gen. 21 eigenlijk twee volken uiteen, de Israëlieten en de ismaëlieten, en Israël zou zijn zelfstandigheid als volk aan een aparte daad van verdrukking te danken hebben? Dat zou alles wat later binnen Israël over het recht der armen gesproken is, bij voorbaat ongeloofwaardig maken. Het zou dus wel erg ongelukkig zijn, als we juist in Gen. 21 met een verdrukkende tekst te maken zouden hebben, gesteld even dat die er zijn

Nee, we zullen ons niet blind moeten staren op het woord 'slavin' dat we verschillende malen in dit tekstverband tegenkomen. Want daarmee zijn we volstrekt niet de tegenstelling op het spoor, die deze tekst beheerst. Sara, hoewel meesteres, is hier de verdrukte partij. Het lachen, het uitlachen van Ismaël is maar niet een kwajongensstreek die door Sara wordt aangegrepen als stok om de hond te slaan. Het is het lachen van het ongeloof dat Gods werk in deze wereld en het geloof er in bespot. Dit lachen klinkt iedere gelovige bekend in de oren. In de mate waarin hij gelooft, krijgt hij het van de kant van de wereld te horen. Ismaël heeft met z'n lachen de meerderheid op zijn hand. Hij is maatschappelijk slechts de zoon van een slavin, maar geestelijk is hij met de grote hoop mee de verdrukker van het geloof. En daarom zegt Sara tot Abraham: n de wereld hoor ik dat hoongelach meer dan genoeg, 'mijn ziel is meer dan verzadigd van de spot der o vermoedigen, de verachting der hovaardigen' (Ps. 123 : 4) - in mijn eigen huis wil ik het niet ook nog horen. 'Jaag die slavin met haar zoon weg, want de zoon van deze slavin zal niet erven met mijn zoon, met Isaak.' En hiervan zegt God: ara heeft gelijk. Zeker is God hierin weer, zoals steeds, 'de partijganger der verdrukten', zoals men tegenwoordig graag zegt, maar het is simplistisch en vooringenomen om die verdrukking alleen maar economisch, politiek of maatschappelijk te zien. Hier faalt de marxistische benadering van de bijbel zichtbaar. De verdrukte is Sara "en niet Hagar.

Wat altijd al een gevaar was, blijkt in onze dagen ook weer een gevaar te zijn. Dat we buiten de bijbel om al een vooropgezette mening hebben gevormd, waarin dan achteraf het bijbelwoord moet passen. Nog vóórdat het geschreven Woord aan het woord komt, zijn dan de beslissingen al gevallen. Daarom pleit ik er voor dat het Woord - het bijbelwoord maar dan in navolging daarvan ook ons eigen woord - zijn eigen uitlegger zal zijn. Dat het evidentie in zichzelf moet hebben. De omstandigheden waaronder en de situatie waarin en de persoon door wie iets gezegd wordt - ze kunnen wel ter verklaring bijdragen, maar wat er gezegd wordt en wat er staat is het belangrijkste. Als iemand zegt: 'black is beautiful', dan wil ik dat eerst als uitspraak-voor-zich beoordelen, ongeacht of die komt uit de mond van iemand die oranje of pimpelpaars van kleur is. En als iemand klaagt: 'mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten', dan wil ik informeren wat er aan de hand is, ook al komt die klacht van iemand die sociaal boven mij staat. Het zou bijvoorbeeld een koning kunnen zijn, zoals het opschrift van de psalm zegt. Het alternatief.is toch, dat niemand iets nieuws meer kan zeggen? Dat iedereen alleen maar die dingen zegt die van hem verwacht kunnen worden? Met écht gesprek is het dan gebeurd. Met echt luisteren trouwens ook. - Het is werkelijk funest wanneer de beslissing over de uitleg van iemands woorden buiten de tekst om genomen wordt.

De Schrift dient zijn eigen uitlegger te zijn. Ik meen, dat we juist nu riiet genoeg nadruk kunnen leggen op dit gereformeerde principe van Bijbeluitleg.

Wat De Jong schrijft, schijnt een geheel ander onderwerp te zijn dan het voorgaande. Toch is dat m.i. schijn. Want de nieuwe visie op Jezus met haar ingrijpende kritiek op het klassieke belijden blijkt in de praktijk vaak wonderwel aan te sluiten bij een dergelijk neo-marxistisch Bijbellezen. Jezus wordt dan de partijganger van de armen die door dSTrijken worden uitgebuit, de koploper in de messiaanse revolutie. En de discussies rondom de gift aan het Patriottisch front laten zien hoe een dergelijke visie op Jezus en op het heil, én een dergelijke wijze van Bijbellezen conseqenties hebben tot in de' politieke verantwoordelijkheid van de kerk toe. De huidige praktijk van hen die een synthese tot stand proberen te brengen tussen evangelie en revolutie staat niet los van de theologische visie. Daarom blijft het geboden dat de kerk de wacht betrekt bij wat haar in de belijdenis der kerk geschonken is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's