Bernardus Moorrees
Zij die bleven (10)
(1)
Eén der markantste figuren van 'hen die bleven' is ongetwijfeld ds. Bernardus Moorrees. Hij is van degenen, die de Belijdenis lief hadden, maar weigerden met de Hervormde kerk te breken, waarschijnlijk wel de predikant geweest die het meest in de openbaarheid getreden is. In prediking, verschillende geschriften en adressen aan de synode roept hij de dwalende Hervormde kerk op tot wederkeer tot het geloof der vaderen en met beslistheid roept hij allen, die zich, vanwege haar liberale prediking, van haar hebben afgescheiden tot terugkeer op naar deze 'zieke moeder'. Beter haar met liefde, zorg en gebed te omringen, dan haar los te laten en alleen te laten lijden en tenslotte sterven.
Voor de gegevens over zijn leven zijn wij voornamelijk aangewezen op het door zijn neef W. J. Geselschap (predikant te Heemstede) uitgegeven boekje: Bekeering en eerste levensjaren van wijlen den wel-eerw. zeer geleerden heer B. Moorrees, in leven leeraar der Hervormde Kerk, door zijn eerwaarde zelf beschreven... In dertien brieven beschrijft Moorrees zijn eigen leven. Helaas maar tot 1816; tijdens het schrijven van zijn autobiografie is Moorrees nl. gestorven. De rest van zijn leven wordt kort door de neef beschreven.
Jeugd en studie
Bernardus Moorrees werd 1 augustus 1780 in Kuik bij Nijmegen geboren als zoon van Mr. Jan Gerrit Gabriel Moorrees. Zijn vader verliest in 1795, omdat hij een felle voorstander van het Oranjehuis is, zijn funktie van landsschrijver van Neder-Betuwe en vestigt zich als advocaat in Tiel. Zijn moeder, Johanna de Jong, overlijdt als Moorrees vier jaar oud is. 'Zó komt het dat hij op zijn zevende jaar al op een kostschool in Dodewaard zit en, als hij negen is, bij zijn grootvader in Oirschot gaat wonen, waar hij drie jaar het instituut van de heer Zoontjes bezoekt. Als zijn vader hertrouwd is, keert hij terug naar Tiel en bezoekt daar de Franse school.
In 1794, als hij veertien (!) jaar oud is, neemt hij uit vurige liefde voor het Oranjehuis dienst om tegen het revolutionaire Frankrijk op te trekken. Tot het jaar 1800 zwerft hij als cavalarist in Duitsland rond, bezoekt de Latijnse school in Eindhoven en studeert enige tijd mathesis en natuurkundige wetenschappen aan de hogeschool van Duisburg. Dan krijgt hij echter een aanstelling als cadet-sergeant bij het corps van de erfprins van Oranje, de latere koning Willem I, op het eiland Wight. Als hij wordt opgeroepen voor een zesjarige dienst in Engeland, voelt hij zich door zijn vaderland en Oranje verkocht en deserteert. Na een avontuurlijke tocht keert hij in 1801 in de ouderlijke woning te Tiel terug; voor de veiligheid besluit hij bij zijn oud-oom in Leerdam te gaan wonen; na enige tijd kan hij terugkomen naar Tiel. Hier maakt hij nu een diepe religieuze crisis mee en na vele gesprekken met zijn vriend Bisschop, student in de theologie, besluit hij predikant te worden. Daartoe bezoekt
hij vanaf februari 1802 gedurende bijna tweeënhalf jaar het instituut van ds. Schults te Nordhorn om zich op de theologische studie voor te bereiden.
In 1804 gaat Moorrees theologie in Utrecht' studeren en loopt hij colleges bij Prof. Bonnet, Royaards en Heringa, later ook bij Van Oort. In zijn studententijd is hij bevriend met Dirk Molenaar, later predikant in 's-Gravenhage. Met dankbaarheid beschrijft hij de grote verandering in zijn geloofsleven, die hij als student meemaakt. Tot nog toe had hij vooral onder de 'gestaltelijke' prediking van ds. Schults zekerheid gezocht in gevoelens en gestalten. Maar vooral door de colleges van prof. Royaards, die hij steeds meer gaat waarderen, in het bijzonder die over de rechtvaardigmaking, voltrekt zich langzamerhand die verandering. 'Het leven op mijn gevoel en mijne gestalten maakte plaats voor een leven uit het geloof in de Heere Jezus Christus en aan zijn dierbaar Evangelie, en ik ontving nu mijne vastheid en sterkte niet meer uit mijne gestalten of mijn gevoel, maar uit den persoon des Zaligmakers en uit hetgeen Hij voor mij leed en deed, uit zijn woord en zijne beloften'. In 1807 wordt hij proponent voor de classis Utrecht en op 6 september door zijn neef ds. Ernst van Gorinchem als predikant bevestigd in de Vuursche. Enige weken na zijn bevestiging treedt hij in het huwelijk met Everarda Maria Kemink, dochter van de boekdrukker Kemink te Utrecht.
De Lage Vuursche en Bovenkarspel
Moorrees' voorganger in de gemeente De Vuursche was ds. Detmar. Hoewel zij beiden ïiiets anders willen zijn dan predikers van Jezus Christus en Die gekruisigd, vallen in hun prediking de accenten duidelijk verschillend. Bij Moorrees is het meer de objectieve zijde van het heil dat nadruk ontvangt; bij Detmar valt sterker de klemtoon op'het subjectieve, zodat hij sterker dan Moorrees in de prediking op het gevoel van de hoorders werkt. Dat geeft in het begin spanningen met de onder Detmar 'opgewekten'.
Een boerin komt bij de nieuwe dominee klagen omdat zij wegens haar tranen onder Detmars prediking meende bekeerd te zijn. (Zie het artikel van ds. van Gorsel over Detmar.) Nu mist zij alle kenmerken van het nieuwe leven. Zijn voorganger niet afvallend, geeft IV^orrees haar een pastoraal antwoord:
’Als jong predikant, zonder genoegzame kennis en ondervinding, wist ik inderdaad niet regt wat te antwoorden, doch er moest geantwoord worden en de zaak was van groot gewigt. Ik antwoordde dus: 'Vrouw! ik wensch U daarmede geluk, dat gij eene bèkeering verloren hebt op loutere hartstogtelijkheid gegrond, want niets is gevaarlijker dan te bedenken bekeerd te wezen en het niet te zijn; maar meenen wij niet bekeerd te wezen, dan staat de weg om het te worden aan '"s Heeren zijde voor ons open, die ons roept tot bekeering en ons de bekeering geven kan en wil.’
Na een verblijf van negentien maanden vertrekt hij uit De Vuursche en wordt predikant in Boven-Carspel, waar hij zes jaar en drie maanden blijft. In zeer sombere kleuren schildert hij deze tijd af: De Franse overheersing, het verval van de kerk, de saaiheid van het dorp, maar vooral de situatie van zijn gemeente. 'Had ik mijn eerste gemeente zeer gevoelig voor de godsdienst gevonden, hier trof ik meer ongevoeligheid aan; daar was warmte, hier was het over het algemeen ijskoud.' Toch roemt hij Boven-Carspel om zijn getrouwheid in vergelijking met de rest van Noord-Holland. Over opkomst etc. hoeft hij niet te klagen, alleen: 'Alles blijft binnen de muren der kerk. Daarbuiten houdt alle godsdienst op, bijna nooit hoorde men van eene leerrede goed of kwaad spreken of van de godsdienst verder enig gewag maken.' Het moeilijke werk in deze gemeente stimuleert hem tot studie en zo wordt Boven-Carspel 'zijn tweede hogeschool'. In 1815 neemt hij een beroep naar Wijk bij Heusden aan en wordt zo voor de tweede maal de opvolger van ds. Detmar, die van Wijk naar Woerden vertrokken was.
Morrees’ eerste periode te Wijk. (1815-1816)
Morrees beschrijft de Wijkse gemeente als volgt: in het algemeen bevond ik haar, zoo als ik haar verwacht had: gehecht namelijk ^an de oude regtzinnige belijdenis onzer kerk en overtuigd van de noodzakelijkheid der bekeering. Ik vond hier verscheidene kundige en beproefde christenen en vele heilbegeerige zielen, welke opene ooren en harten hadden om onderwijs en besturing te ontvangen, maar tevens diep onkundig waren ten aanzien van het Evangelie en van den waren aard van het geloof. Deze laatsten spraken allen van gestalten en werkzaamheden alsof dezen Christus zelf en daarin de gronden van het geloof en hoop te vinden waren. Zoals Moorrees verwachtte trof hij daar dezelfde verschijnselen aan, die hij in De Vuursche had bestreden, alleen nu in veel heviger mate: 'Ds. Detmar had hier acht jaren gepredikt en zijne hartstogtelijke predikwijze had hier veel beweging veroorzaakt, zoodat er eene menigte van menschen was, die opgewekt schenen te zijn en zich voor geheel of half bekeerd hielden. Men kwam op gezelschappen te samen, waar soms vijftig tot zeventig menschen bijeenkwamen. Twee zulke gezelschappen vond ik hier, een aan het eene en een tweede aan het andere uiteinde van deze uitgestrekte gemeente'.
Ook nu treedt hij op dezelfde wijze als in zijn eerste gemeente deze mensen tegemoet: 'Velen waren onder de prediking van ds. Detmar gewoon.geweest tranen te storten en hoopten dit nu weder te kunnen doen, maar werden hierin teleurgesteld. Zij hoorden daarbij uit mijnen mond, dat geene gestalten of werkzaamheden, geen bidden of tranen storten de grond onzer hoop op regtvaardiging en zaligheid kon zijn, ja dat, schreiden wij eene. zee van tranen, deze aan Gods geregtigheid niet kan voldoen; datalleen de geregtigheid en genoegdoening van Christus de grond onzer regtvaardiging voor en aanneming bij God kon wezen, en deze alleen door het geloof in Jezus Christus de onze werd; dat tranen op zichzelven nog geene bewijzen waren van ons geloof, van onze wedergeboorte of heiligmaking, en wij er dus niet te veel gewigt aan moesten hechten. Zoo brak ik af, wat zij gaarne opgebouwd zagen. Spoedig ontdekte ik, dat sommigen, die vroeger zoo zeer met mij waren ingenomen, stroef en onvriendelijk
waren geworden. Ik deed alsof ik het niet zag en hield vol.’
Overigens voelt Moorrees zich als mens bijzonder thuis onder de Wijkers. Het jaar 1816 is voor de boeren daar een rampjaar; het gehele voorjaar en de zomer regent het, met als gevolg een totale misoogst. Het roggebrood stijgt in prijs van zes of zeven stuivers tot een gulden per acht ponden. Moorrees beleeft deze ramp als een oordeel Gods over land en volk wegens de Verlichting en vooral wegens het doordringen van de verlichte denkbeelden in kerk en prediking.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's