De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zal men ook de jonge kinderen dopen?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zal men ook de jonge kinderen dopen?

8 minuten leestijd

(2)

De vraag in onze eeuw opnieuw gesteld. Rapport uit 1947

In onze eeuw valt de aandacht op Karl Barth als grote figuur, die de kinderdoop afwijst. We zouden het allicht vergeten onder de veelheid van onderwerpen, die ter Synode behandeld wordt en waarover zij iets gepubliceerd heeft. Maar in de bundel Documenten der Ned. Herv. Kerk 1945-1955 kunt u aantreffen een antwoord dat de Synode in 1947 gegeven heeft aan de Franse gereformeerde kerk (Église reformée de France). Deze Franse zusterkerk zat ook al met de vraag: zal men ook de jonge kinderen dopen? Het was voor haar een ernstig dilernma geworden in verband met Karl Earths negatieve opstelling tegenover de kinderdoop.

De Synode heeft toen een rapport inzake deze vraag laten opstellen door prof. dr. Th. L. Haitjema en dr. G. Oorthuys. Het rapport werd door de Synode aanvaard en namens haar gepubliceerd. De opstellers hebben daarbij hun uitgangspunt gekozen in de eerste vraag van Zondag 25. Deze luidt aldus: aangezien dan alleen het geloof ons Christus en al Zijn weldaden deelachtig maakt, vanwaar komt zulk geloof?

De Catechismus antwoordt: Van den Heiligen Geest, Die het geloof in onze harten werkt door de verkondiging des heiligen Evangelies, en het sterkt door het gebruik van de Sacramenten,

Met dit uitgangspunt meenden de opstellers een goede gespreksbasis te hebben in de controverse met Barth en zijn medestanders. Want het uitgangspunt is in vraag 65 van Zondag 25 inderdaad, dat het Sacrament bestemd is als versterking van het geloof. Nu, dat was juist hetgeen door Barth en de zijnen aan de orde werd gesteld. Zij zeiden: er moet éérst geloof zijn, wil het gesterkt worden. Dus moet het er ook zijn, wil het middel ter versterking zinvol worden geschonken.

Volgens Barth moet er voor het ontvangen van de belofte Gods een 'verantwoordelijke gewilligheid en bereidheid zijn van de dopeling' m.a.w. het geloof en de geloofsbeslissing. De dopeling is niet iemand, die behandeld wordt, maar die handelt. Dat de kinderen onder Israël besneden werden verklaart Barth uit het andere karakter van het verbond met Israël. Dat verbond was gefundeerd in de band des bloeds. Deze speelt volgens hem in de christelijke kerk geen enkele rol meer, maar is vervangen door de band des geloofs. Barth poneert dus een grote tegenstelling tussen het verbond, waaronder de gemeente onder Israël leefde, en het verbond, zoals God ons dat na Christus schenkt.

Kind geen geïsoleerd individu

Intussen ontkent het rapport, dat er bij de kinderdoop geen geloof aan te pas komt. Wel niet in de dopeling. Zeker niet als enige actieve daad. Maar ook niet (althans daar kunnen we in ieder apart geval niets concreets over zeggen) als 'hebbelijkheid', een soort, door de verborgen werking van Gods Geest, ingeschapen geloofsvermogen of geloofshouding. De opstellers onderstrepen sterk, dat het kind de Doop wel ontvangt, maar niet als individueel mensenkindje, los van alle verbanden.

God handelt met ons verbondsmatig

Het kind is opgenomen in de verbondsmatige eenheid van ouders, doopgetuigen en gemeente. Die verbondsmatige eenheid is meer dan sen biologische eenheid. Heel de Verbondsgemeente is, ondanks haar gemengde samenstelling, één groot huisgezin des Heeren. Calvijn wijst er immers op, dat de vrucht van de kinderdoop zowel voor de ouders is als voor de kinderen.

Gods wijze van handelen met ons menselijk geslacht is nu eenmaal verbondsmatig. Dat gold reeds van het werkverbond. Het heeft de enorme consequentie, dat 'wij met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren zijn en daarom kinderen des toorns'. Dat werken Gods in verbanden, die samenhangen, blijkt ook bij de manier, waarop Hij het genadeverbond laat functioneren. Het is niet juist als Barth meent dat het in het verbond met Abraham alleen om een biologische factor gaat. Tot Abraham komt niet alleen de opdracht zichzelf en zijn nakomelingen, te laten besnijden, maar daarbij betrekt de Heere ook de ingeborene van zijn huis, en zelfs de gekochte met geld van allen vreemde, die niet was van Abrahams zaad (Genesis 17 : 12 en 13). Daar is dus een gemeenschap, waarop God beslag legt, en temidden waarvan Hij het handschrift van Zijn verbond neerlegt met zegel en al. Het aanbrengen van dat zegel aan dat handschrift laat God de Heere niet over aan de menselijke beslissingsbekwaamheid en gewilligheid, zoals Barth meent; zodat b.v. God Zijn verbondsbeloften pas in een later stadium voorziet van Zijn koninklijk zegel.

Trouwens het is niet waar, zegt het rapport, dat de weldaden van het verbond met Abraham alleen maar stoffelijk en tijdelijk waren. Ze zijn vol van genade en gerechtigheid. Het is niet Gods schuld, maar die van Israël, wanneer het volk Gods beloften vleselijk verstaat en behandelt.

In dit verband is met het oog op tegenwoordige discussies merkwaardig een passage als de volgende: 'ongetwijfeld wilde het vleselijk Israël Gods verbondsbeloften steeds vleselijk aanvatten; en als Baal meer bood, dan probeerden zij het met Baal. Gelijk duizenden onder het Nieuwe Verbond dan pas geloven zouden als Jezus een rijk van sociale gerechtigheid en aardse vrede en welvaart tot stand bracht. Wet en profeten hebben sociale gerechtigheid gepredikt en het vrederijk aangekondigd, maar tegelijk God Zelf en Z'n Messias verkondigd als Israels rijkdom en heerlijkheid' (Documenten 1945/1955 blz. 34/35).

Het rapport onderstreept de betrouwbaarheid van het verbond als een eeuwig verbond. Zelfs een tussen mensen gesloten verbond wordt niet verbroken zegt Paulus in Gal. 3 : 15. ïn hetzelfde verband zegt hij, dat het verbond met Abraham met zijn beloften zelfs door de wet niet wordt teniet gedaan. Ook onder Israël rustten de verbondsbeloften op Christus (Gal. 3 : 17).

Het verbond met Abraham had wel betrekking op een volk, maar was toch geestelijk van aard (Koopmans).

Vandaar dat het oude Doopsformulier met volle recht naast Gen. 17 : 7 het woord uit de Pinkstergeschiedenis Hand. 2 : 39 plaatst en de doop ziet als Nieuwtestamentisch equiva­

lent (gelijkwaardige grootheid) van de besnijdenis. 'De besnijdenis was ook reeds een teken en zegel van een geestelijke genade (Rom. 4 : 11).' Zo bedoelden de Oudtestamentische profeten het ook (Jesaja 1, Joel 2, Deut. 10 : 16 en 30 : 6, Dom. 2 : 29).

Continuïteit besnijdenis en doop

De continuïteit tussen besnijdenis en doop is groter dan de discoijtinuïteit. D.w.z. de overeenkomst en de eenheid tussen beide is sterker dan het verschil in bedeling en bediening. Zowel onder het Oude als onder het Nieuwe Testament is het genadeverbond naar het wezen geestelijk; en uitwendig is het natuurlijk naar de vorm. Het water is zowel bij de doop van volwassenen als bij de kinderdoop een gewone natuurgave en toch beide malen betrokken op een geestelijke zaak. Zo is het ook het geval met die lijn der geslachten en met de parallel tussen Abraham en zijn huis en verschillende nieuw-bekeerden in het N. Testament en hun huis.

In die samenhangen werkt het genadeverbond als een zuurdeeg, zonder een indrukwekkende aardse verschijning na te streven. (Mem^enkë daarbij aan het verwijt, dat de kinderdoop iets te maken zou hebben met het zgn. 'corpus christianum' na Constantijn de Grote - een kerk met groot vertoon ook van getal in de wereld). Uitvoerig wordt de vloeiende overgang van doop naar besnijdenis in Col. 2:11 besproken. Ik hoop daar later op terug te komen en daarbij ook aandacht te schenken aan allerlei ook in het rapport genoemde plaatsen in het N. Testament.

Het rapport ontkent, dat de klassieke Gereformeerde doopsbeschouwing zou hangen aan 'de dunne draad' van de zgn. oikos - (d.w.z. huisgezins-)teksten in de Handelingen, zoals Barth beweert.

Als Barth verwijst naar Joh. 1 : 12: zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft hij macht gegeven kinderen Gods te worden', dan wordt de daarin verkondigde waarheid door het rapport vanzelf niet ontkend, maar ook niet in mindering gebracht op hetgeen de kinderen met hun ouders bij de doop ontvangen. Daarbij wordt uitdrukkelijk verwezen naar Calvijns Institutie IV hoofdstuk 16 (zie b.v. par. 32 daarvan).

Voortgaande verwerping van de kinderdoop

Ondanks dit officiële rapport is de afwijzing van de doop door allerlei groepen in en buiten de kerk voortgegaan. De hele gezagscrisis, waarin wij leven, de neiging om de fouten en feiten van overheidsorganen eenzijdig onder de loupe te nemen, het wantrouwen tegenover alles wat institutair en ambtelijk is zowel in de kerk als in de wereld, de humanistische tendenzen, die onze westerse wereld doortrekken, de lust om alles 'van onderop' te benaderen en de weerzin tegen alles wat 'van boven' komt, al wordt dat woordje Boven zelf met een hoofdletter geschreven, de onderwaardering van huwelijk en gezin en van alle goddelijke ordeningen voor de menselijke samenle^ ving, dit alles en nog veel meer bevordert de verwerping van een sacrament, waaraan de mens zelf beslist helemaal niet te pas komt, nl. dë bezegeling van het verbond der genade aan een nog onbewust levend klein kind. Men wil hem later 'zelf laten kiezen', zoals men zegt. Daarmee verwerpt men reeds apriori een geweldige openbaring van Gods genadig handelen met Zijn gemeente. Verder zijn er nog de bekende bezwaren van reeds oudere datum van de kant van de zeer vele groepen Pinkster-

gemeenten en van de velerlei soorten Baptisten. Ik hoop hen te betrekken bij een poging om onder de ogen te zien, waar toch die telkens terugkerende verwerping van de kinderdoop vandaan komt en ons eigen manco in de gelovige aanvaarding en beleving van het be­ zegelde genadeverbond. Wel wordt van alle kanten telkens terecht gevraagd: waar staat dat in de Bijbel, dat je kinderen moet dopen? Daarom eerst de vraag: hoe lezen we de Bijbel?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Zal men ook de jonge kinderen dopen?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's