De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bernardus Moorrees (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bernardus Moorrees (2)

Zij die bleven (11)

7 minuten leestijd

Nijkerk (1816-1830)

Menselijk gesproken zal het feit dat Moorrees' vrouw zich in Wijk maar slecht thuis kan voelen, een rol hebben gespeeld, daarin dat hij reeds na één jaar een beroep naar een andere gemeente aanneemt. In 1816 verbindt hij zich aan de gemeente Nijkerk op de Velu we. Helaas heeft hij deze periode van zijn leven niet meer kunnen beschrijven. Wij zijn aangewezen op opmerkingen die hij in dè inleidingen van, door hem uitgegeven, preken maakt. Zijn neef, W. J. Geselschap, vertelt ons dat Moorrees dit de gelukkigste tijd uit zijn gehele ambtsbediening noemde. Hij maakte namelijk samen met zijn collega en geestverwant ds. Schoonderbeek in het jaar 1821 daar in Nijkerk een geestelijke opwekking mee. Wie de beschrijving daarvan leest, kan Moorrees' dankbaarheid erover begrijpen. 'Was Nijkerk reeds in eene vorige epuw, onder de bediening van Ds. Knijper, in bijzondere zin het voorwerp van Gods genade geweest door eene geestelijke opwekking Van velen zijner inwoners , ook nu werd deze plaats met eene nieuwe uitstorting des Heiligen Geestes als het ware begiftigd. Velen, die tevoren voor hunne eeuwige belangen onverschillig waren, of alleen voor den tijd schenen te leven, of zich voor de toekomst met het waarnemen hunner godsdienstige en burgerlijke plichten meenden te mogen tevredenstellen, begonnen plotseling te bespeuren en zichzelven te bekennen, dat hun leven ten verderve voerde, en met angst en hooggaande benauwdheid te vragen wat zij doen moesten om zalig te worden. Het kerkgebouw, steeds goed bezocht, kon nu, hoe loiim ook, de opkomende gemeentenaren niet meer bevatten.... velen kwamen dagelijks de pastorieën als het ware bestormen om onderricht in de weg des heils.'

Moorrees houdt er toch oog voor dat niet alles wat zich voordoet als een werk van de Heilige ^eest, dat ook werkelijk is. Er is ook veel elkaar nadoen en elkaar napraten bij geweest. In een, in 1835 uitgegeven leerrede over de algenoegzaamheid van Christus schrijft hij: 'Ik heb ruim veertien jaren in de belangrijke en mij onvergetelijke gemeente van Nijkerk op de Veluwe gearbeid, eene godsdienstige opwekking bijgewoond, die de gehele gemeente bijna in beweging bragt; ik heb het onderscheid tusschen hartstogtelijke opwinding en godsdienstige geestdrift leren kennen, zoo als het van achteren kenbaar wordt en tusschen het ware werk des Heiligen Geestes.'

In deze voorspoedige jaren blijft Moorrees hetleed echter niet gespaard: zijn vrouw en dochter overlijden kort na elkaar. In het jaar 1824 hertrouwt hij met Jannetje Kreulen.

Weer naar Wijk (1831-1851)

In 'Een eenvoudig doch ernstig woord aan al mijn geloofsgenooten' beschrijft Moorrees hoe hij voor de tweede maal in Wijk bij Heusden beroepen wordt.

In juni 1830 moet hij wegens zwakke gezondheid voor een bepaalde tijd emeritaat aanvragen. Als zijn vrouw in diezelfde tijd hem het overlijdensbericht van ds. Schuiling van Wijk voorleest, zegt hij: 'Let erop, ik wordt weer predikant te Wijk; voor de weduwe moet een groot jaar gepredikt worden; een Jaar rust is genoeg voor mij.' Hij spreekt er met niemand dan zijn vrouw over. Op zondag in het begin van 1831 komt zijn dienstbode hem zeggen, dat drie heren hem willen spreken. Dat gesprek tracht hij woordelijk mee te delen: 'Dominee, gij zult het oogmerk van onze komst niet weten."' 'O, ja wel', was mijn antwoord. Hij: 'Ja maar wij wilden gaarne Ü beroepen.' Ik: ^'Ja, dat weet ik wel. Deze zaak is reeds lang voorbereid. Ziet daar, broeders, is mijne hand, ik ben Uw leeraar.’

De enigszins verbouwereerde kerkeraadsleden vertellen dan dat zij, uitgezonden om een rechtzinnige en vrome leraar'te zoeken, op weg waren naar Ds. Montijn van Oldebroek en dat iemand in Utrecht gezegd had: 'Waarom gaat gij niet naar Ds. ^loorrees? ' En deze had hun 'de Boekzaal' getoond, waarin het bericht stond, dat Ds. Moorrees zich weer beroepbaar stelde. Direkt hadden zij besloten naar Nijkerk te gaan om Ds. Moorrees het beroep te brengen.

Deze gang van zaken moet, of door Moorrees óf de beroepingscommissie wel enigszins aangedikt zijn. De kerkeraadsnotulen van Wijk van 25 september 1831 vermelden nl. een zestal predikanten; daaruit wordt een drietal gekozen, waaronder inderdaad Montijn, en tenslotte staat er: besloten werd met eenparigheid van stemmen Ds. B. Moorrees, predikant buiten vaste bediening te beroepen.

7 augustus 1831 doet ds. Moorrees voor de tweede maal intrede in de gemeente, die hij vijftien jaar geleden had verlaten.

Twintig jaar zal hij er blijven om er 'met lust en opgewektheid' te prediken. 'Het weerzien van oude vrienden doet hem met nieuw vuur getuigen van de enige Naam tot zaligheid gegeven.’

Een zware slag, die hem treft is het in oktober 1832 overlijden van zijn tweede vrouw. In november van het daarop volgende jaar treedt hij voor de derde maal in het huwelijk met Nennetje van der Flier.

Geschriften

Ongetwijfeld heeft Moorrees de kerk het meest gediend met de geschriften die hij publiceerde. Zij zijn vrijwel alle uitgegeven in de tijd toen hij voor de tweede maal in Wijk stond. Opvallend is daarbij dat hij in zijn uitgaven zichzelf altijd noemt: 'leeraar der Gereformeerde Kerk.' Die oude naam had koning Willem I de vaderlandse kerk ontnomen; Moorrees gebruikt haar opzettelijk, ook tegenover de afgescheidenen die die oude naam nu voor zich opeisten. Daarmee laat hij zijn verbondenheid met de oude, in Dordrecht geconstitueerde kerkorde duidelijk gevoelen. De uitgaven van ds. Moorrees bestaan voornamelijk uit leerredenen en enkele, van omvang zeer bescheiden, boekjes. Gezien het kader waarin deze artikelen staan, het in de kerk blijven van hen die theologisch zich met de afscheidenden verwant voelden, zijn naast die boekjes, die meestal dit punt als onderwerp hebben, ook de inleidingen van die leerredenen van groot belang. Daarin beschrijft hij telkens zijn eigen tijd en de situatie van de kerk van zijn dagen. Hij legt dan bijvoorbeeld uit waarom hij een bepaalde tekst heeft gekozen, op welke hem gestelde vragen hij in de prediking ingaat, enz.

Naar hun inhoud zijn zijn publicaties het beste in twee groepen in te delen. Zijn eerste uitgaven bepleiten alle het behoud van de belijdenisgeschriften en daarmee verbonden kiest hij in de kwestie van het quia of quatenus in de proponentsformule (zie het artikel van ds. Van Gorsel over ds. Ie Roy) zonder enige reserve voor de lezing: quia. In de latere geschriften komt steeds meer de brandende kwestie van de afscheiding~naar voren en, omdat de afgescheidenen steeds weer Moorrees voor hun zaak trachten te winnen, moet hij zich daarin steeds duidelijker verklaren. Hij betoont zich daarin een man te zijn die het verval van de Hervormde kerk erkent en ook duidelijk onderkent, maar die het beginsel van afscheiding als weg tot herstel hartgrondig vanuit de Schrift verwerpt. Wij begeven ons eerst tot de eerste groep van zijn geschriften.

A. Geschriften over de belijdenis

Moorrees heeft 'om het kleine talent, door den Heer der Gemeente mij geschonken, op woeker uit te zetten' enkele leerredenen uitgegeven. Een ongenoemd schrijver stoot zich aan een, door hem in een voorrede gemaakte, opmerking en schrijft dat in een pamflet dat de titel draagt: 'Korte beantwoording der vraag: Wat moet men denken van de leden der Nederlands-Hervormde Kerk, welke in het begrip staan, dat hunne leeraars van de zuivere leer van het Evangelie zijn afgeweken en uit dien hoofde zich aan derzelver prediking onttrekken.' De beschuldiging luidt: Moorrees beschuldigt de N.H. Kerk en daarmee zijn ambtsgenoten van vrijdenkerij zonder het te bewijzen. Morrees antwoordt hierop met zijn 'Afgeperste zelfverdediging tegen de beschuldigingen van eenen ongenoemde schrijver' (1833).

In grote lijnen komt zijn verweer hierop neer: Is de schrijver dan een vreemdeling in Jeruzalem? Nu die onvoorwaardelijke ondertekening van de formulieren van eenheid is afgeschaft (hij bedoelt de invoering van het nieuwe ondertekeningsformulier voor proponenjten in 1816), staat het nu elke leeraar vrij, indien hij slechts denkt dat het met Gods woord overeenkomt, te prediken, te leren en te schrijven, wat hen goeddunkt. En dan, doelend op de titel van het boekje van de sclirijver: Wanneer er een vrijheid van leren is, waarom laat die schrijver de leden der gemeenten geen vrijheid van horen?

De rest van Moorrees' boekje bestaat uit een warm pleidooi voor het behoud van de belijdenisgeschriften met als conclusie: 'Geene Kerk van Christus op deze aarde kan bestaan (ik spreek naar de innerlijke overtuiging van mijn hart) zonder formulieren van eenheid, waaraan leeraars en leden gehouden zijn; niet om deze formulieren van eenheid tot de kenbron der waarheid of regelmaat des geloofs te stellen, maar om voor de wereld te belijden, wat men naar Gods Woord gelooft.’

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Bernardus Moorrees (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's