De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zal men ook de jonge kinderen dopen? (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zal men ook de jonge kinderen dopen? (3)

8 minuten leestijd

Het Schriftbewijs

De volmacht om kinderen te dopen zal inder-. daad bewezen moeten worden door de Schrift, die beslissend is voor alle menselijk denken, spreken en handelen, in het bijzonder op het terrein van de kerk des Heeren. De vraag: waar staat dat in de Bijbel, dat de kleine kinderen gedoopt mogen en moeten worden, is niet alleen een wettige, maar ook een noodzakelijke vraag. Wel moet die vraag dan ook in alle ernst gesteld worden en niet met een oppervlakkig schijnbaar geconstateerd gebrek aan bewijs, van tafel geveegd worden. Daarbij komt ook al dadelijk een andere vraag aan de orde nl.: Wat verstaat men onder de doop?

De calvinistische Reformatie heeft een belangrijke karakteristiek van alle sacramenten (besnijdenis en pascha, doop en avondmaal) gegeven, door die te omschrijven als teken en zegel. Een heef belangrijke Schriftplaats is daarbij het Woord uit Rom. 4 : 11: n hij (Abraham) heeft het teken der besnijdenis ontvangeif tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs. Calvijn tekent daarbij aan: voorts hebben wij hier een zeer schone plaats voor het gemene gebruik der sacramenten (dus van datgene, wat alle sacramenten gemeen hebben). Want zij zijn naarPaulus' getuigenis zegelen, waardoor de beloften Gods enigerwijze in onze harten gedrukt worden en de zekerheid der genade bevestigd wordt.

Dat ze in de verworpenen dood en onnut zijn, betekent niet, dat ze hun kracht en natuur niet altijd zouden behouden. Want al is het dat onze ongelovigheid ons van de kracht der sacrarrienten berooft, zo wordt nochtans de Waarheid Gods niet aangetast en uitgeblust.'

Het Schriftbewijs is inzake de kinderdoop daarom zo belangrijk, omdat ons daarin niet alleen een treffend beeld gegeven wordt van de onreinheid onzer zielen van onze geboorte af aan en van de afwassing der zonden doorhet bloed en de Geest van Jezus Christus. Maar meer nog omdat het Sacrament Gods Koninklijk zegel is om het handschrift Zijner goddelijke beloften van Zijnentwege te bekrachtigen. Als God geen beloften geeft voor de kleine kinderen-, hoe zal de kerk dan naar Zijn zegel durven te grijpen, waar God Zelf in Zijn Woord niets belooft; dus in strijd met Zijn bedoeling?

We mogen immers Woord en Sacrament niet van elkander losmaken en op geen enkele manier het sacrament los van het handschrift apart stellen, ook niet ten dienste van een aparte belevenis in onze verhouding tot God.

In de tijd van de Reformatie is de vraag naar het Schriftbewijs zeer nadrukkelijk gesteld. De brede beweging van de Wederdopers heeft de Hervormers er met de neus op gedrukt. Ze hebben er zich ook niet op een gemakkelijke manier van afgemaakt met een beroep op een eeuwenoude traditie.

Gemak'lijk kón het antwoord ook niet zijn, omdat er niet zo maar ergens één of twee Schriftplaatsen te vinden waren, waar in een simpel zinnetje te lezen stond: tot nog toe werden wel de jongetjes op de achtste dag besneden en de meisjes daarin begrepen geacht (Jacobs dochter Dina behoort bij het besneden geslacht van Abraham, en Jezus noemt in Lucas 13 : 16 de vrouw, die Hij geneest 'een dochter Abrahams'), maar na Golgotha is alle schaduwachtige bloedstorting vervallen. Daarvoor komt nu de doop in de plaats. Ook voor de jonge kinderen. Zowel jongens als meisjes.'

Dat zou eenvoudig en duidelijk geweest zijn. Het spaarde ons de moeite van het dieper graven en nadenken. Ik moet er wel bij zeggen, dat dit een. manier van 'noteren' zou geweest zijn, die we in het Woord Gods nauwelijks tegenkomen. Zo vlak en goedkoop pleegt het Woord ons niet de grote gaven Gods aan te dragen. De Heere dwingt ons a.h.w. met diepere belangstelling dé Schrift te onderzoeken. In verband daarmede komt de vraag;

Hoe lezen we de Schrift?

Het is nl. mogelijk dat we de Bijbel gaan lezen als een verzameling van mededelingen omtrent feiten, die geschied zijn, heerlijke daden Gods en slechte van de mens; van eisen, die God stelt en beloften, die Hij schendt; en dan daartussen door ook een soort kerkorde. Dan wordt de Bijbel voor ons een boek met teksten zoader. diepere, levende eenheid.

We noemen die manier van bijbellezen wel biblicistisch of fundamentalistisch. Men plukt dan de enkele tekst uit het verband van de tekstomgeving en uit het levende geheel van het lichaam der Schrift.

Laat ik een paar voorbeelden noemen.

Wie aan de oppervlakte blijft weet geen raad met de duidelijke uitspraken over de rechtvaardiging van de goddeloze, zonder de werken der Wet zoals Paulus daarover spreekt in Rom. 4 (speciaal vers 5, vergelijk ook Rom. 3 : 28); en daarnaast een woord als van Jacobus: braham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd als Hij Izaak zijn zoon, geofferd heeft op het altaar? (Jac. 2 : 21).

Toch is hier geen tegenstrijdigheid. Als wé" maar voor ogen houden, dat de strijd van Paulus zich richt tegen de dode gerechtigheid van vleselijke werken, die niet voor God bestaan kan; terwijl Jacobus zich kant tegen een geloof, dat geen levend geloof is.

Door beiden, Paulus en Jacobus, zich zo volledig te laten uitspreken, dwingt God de Heere ons Zijn Woord dieper te onderzoeken, om de eenheid te verstaan van beide waarheden nl., dat" de werken nooit de grond van het geloof kunnen zijn; maar dat ze wél de onmisbare vrucht des geloofs zijn. De 'werken' zijn dan ook in beide gevallen totaal verschillend van aard - zo verschillend-als dood verschilt van leven.

Zo is er ook geen tegenstelling tussen de vermaning van de Heere Jezus, dat wij moeten wordenals de kindereninpretentieïoosheiden hartelijk, eenvoudig vertrouwen, en het woord van Paulus, dat we niet meer als de kinderen zouden zijn, die gemak'lijk in onkunde door schijowijsheid worden misleid (Efeze4 : 14).

Nog een voorbeeld: ij vieren de eerste dag van de week, niet de zevende zoals ogenschijnlijk het vierde gebod ook van ons eist. Wie consequent is in dat zgn. biblicistische lezen van de Schrift als een soort reglement, moet dan ook eigenlijk naar de zevende dag terugkeren evenals de Zevendedagsadventisten en sommige, vooral in Amerika reeds sedert de 17de eeuw voorkomende. Baptisten. Maar de verschuiving van de zevende dag naar de eerste heeft een diepe grond. Het vierde gebod herinnert aan Gods scheppingsorde en aan Zijn scheppingsrecht. De rust kan immers eerst intreden, als Gods schepselen in hartelijk vertrouwen op Zijn wijsheid en liefde en in kinderlijke gehoorzaaheid wandelende in Zijn spoor, zich mogen verlustigen in Zijn werken en daarop en daarin oog en hart mogen laten rusten (Ps. 92 : 6).

Dat vertrouwen en die levende gehoorzaamheidzijn wij kwijt. We zijn het spoor bijster en zijn onmachtig en zelfs onwillig daarin terug te keren.

Nu heeft diezelfde God in de volheid des tijds Zijn Zoon gezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de Wet, opdat Hij degenen, die onder het veroordelende en daardoor verlammende oordeel der Wet lagen, verlossen zou. Dat prediken ons het kruis en de opstan-A ding van Jezus Christus. Die opstanding bekrachtigt het kruiswoord: et is volbracht. Maar Pasen betekent niet alleen opstanding uit de doden, maar ook 'opgewekt worden' tot onze rechtvaardigmaking (Rom. 4 : 25). Pasen op de éérste dag betekent ook God& voldaan tekening onder-het werk van de Knecht des Heeren.

Zoals God de Heere met welgevallen Zijn oog liet rusten op hetgeen Hij geschapen had en zag, dat het alles zeer goed was, zo rust Zijn goddelijk hart nu met welgevallen in het werk Zijn Zoons. En het Evangelie is nu niet anders dan de roeping, die God tot de zondaar doet uitgaan, opdat deze, altijd weer veroordeeld door het heilige, alles doorlichtende oordeel der Wet, niets vindende, waarin hij zou kunnen rusten, toch weer rust zou kunnen vinden. Maar dan in het werk, dat Christus voor hem volbracht heeft, 'overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.' Die geloofsgemeenschap met Hem betekent ook de anders onmogelijke kruisiging van onze oude mens, en de wandel in nieuwigheid des levens (Rom. 6). Niet dat het geloof daartoe een kracht is, maar zo, dat het alle kracht van diezelfde, ongedeelde Christus ontvangt.

Wie nu nog de Zaterdag zou. houden, zou de zin van het vierde gebod missen, er een puur uiterlijke tijdsbepaling van maken, en hij zou doen alsof het werk Gods in Christus nog aanvulling behoefde en er buiten Hem een kracht zou zijn, waardoor het recht der wet vervuld zou kunnen worden 'in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest'. Dan missen we de adem van de eeuwige sabbat, die reeds in ^it leven aanvangt (Zondag 38).

De teksten, waarin in het Nieuwe Testament gesproken wordt over de eerste dag der week als de dag des Heeren, waarop de gemeente placht samen te komen (Hand. 20 : 7, 1 Cor. 16 : 2, Openb. 1 : 10) zijn alleen een bevestiging van de ingrijpende en beslissende wending, die in de volheid des tijds, het keerpunt der tijden, heeft plaats gehad. Zo nu is het ook gelegen als het gaat om het Schriftbewijs betreffende de doop van de kleine kinderen der gelovigen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Zal men ook de jonge kinderen dopen? (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's