Bernardus Moorrees (3)
Zij die bleven (12)
In 1838 wijdt Moorrees een hele voorrede van een door hem uitgegeven leerrede aan de zaak van de belijdenis. {Leerrede over de heerlijkheid Gods, zigtbaar in de vrijmagtige bedeeling zijner genade aan de kinderkens, met voorbijgaan van wijzen en verstandigen met eene voorrede ten betoge der volstrekte noodzakelijkheid van het behoud der formulieren van eenheid, ter instandhouding van de leer der gereformeerde kerk). Hierin geeft hij systematisch de redenen 'waarom wij steeds en vooral in deze dagen ons moeten hechten aan de drie formulieren van Eenheid onzer Kerk'. De eerste reden is, 'omdat deze formulieren de kenmerken der geloofsbelijdenis onzer Gereformeerde Kerk uitmaken, waarop onze Kerk gegrond is, en waardoor zij zich onderscheidt van andere Christelijke Kerkgemeenschappen.
Ten tweede: wij hechten ons aan de formulieren van Eenheid onzer Kerk, omdat dezelven eene geloofsbelijdenis behelzen van die grondwaarheden, welke ons in Gods Woord duidelijk worden geleerd.’
Voor het bewijs hiervan verwijst hij de lezer naar het adres van zijn vriend ds. D. Molenaar uit 's-Gravenhage.
Ten derde: 'wij hechten ons aan de formulieren van Eenheid onzer kerk, omdat de Heilige Geest steeds getuigenis aan deze onze geloofsbelijdenis gaf, en deze belijdenis overeenstemt met het geloof der uitverkorenen, door den Geest Gods in hunne harten gewerkt, door middel van het Evangelie.
Ten vierde: wij hechten ons aan de geloofsbelijdenis onzer Kerk, omdat zij opgesteld is in eenen tijd, waarin de Heer eene ruime bedeeling van Zijnen H. Geest aan de Kerk geschonken had.
Ten vijfde: wij moeten ons hechten aan deze formulieren van Eenheid, omdat deze geloofsbelijdenis proefhoudend bevonden is in leven en sterven, en als methetbloed van vele vrome martelaren geverfd is.
Ten zesde: wij moeten ons hechten aan de formulieren van Eenheid onzer Kerk, omdat wij de band onzer Eenheid zijn in het geloof, en het beste bolwerk tegen ketterij en afval in de Kerk.
Ten zevende: wij moeten ons hechten aan onze formulieren van Eenheid, omdat het loslaten van dezelven, vooral in onzen tijd, hoogstgevaarlijk is.’
Hij spitst dit zevende punt toe door te vragen: 'Waardoor is onze Gereformeerde Kerk in deze jammerlijke toestand gebragt, waarin wij haar thans aanschouwen? Waardoor anders dan door het loslaten van onze formulieren van Eenheid? ’
Vervolgens bespreekt hij de in zijn tijd vooral door de mensen van de Verlichting aangedragen bedenkingen tegen de belijdenisgeschriften. In verband met de situatie in de Kerk (na de Afscheiding; zie daarvoor het vervolg) zegt hij: 'Zoo lang deze formulieren nog niet verworpen zijn, is de Kerk, niettegenstaande haar diep verval, nog de Gereformeerde Kerk, en is de hoop nog niet verloren op herstel van de Kerk, bij het ontwaken van eenen beteren geest; doch gaat onze Synode nog eene schrede verder, verwerpt zij de formulieren van Eenheid, dan is de roepstem Gods daar: Gaat uit van hen, mijn volk, verlaat deze Kerk, die van mij verlaten is.’
Adres aan de synode
Om deze betere geest te doen ontwaken en om de synode voor deze fatale stap te bewaren schrijft Moorrees in 1841 zijn bekendste werkje: adres aan mijne gereformeerde geloofsgenooten in ons vaderland. In dit geschrift herinnert Moorrees aan het adres van zijn vriend Molenaar, die had aangedrongen op een wettige scheiding tussen de twee partijen'in de Hervormde Kerk: de liberalen en de gereformeerden. De kerk is totaal veranderd: 'men heeft ons, geliefde geloofsgenooten, op eene zeer listige wijze van het dierbaarste dat wij bezitten, ons heilig geloof in onze belijdenissen uitgedrukt, beroofd en wij zijn, zonder het te weten en te willen en zonder tot eene andere gezindheid over te gaan, in eene liberale Kerk, die de onze niet is, overgebragt en die veel verder is afgeweken van de zuivere leer onzer Kerk dan de Remonstranten, die door onze vaders zijn uitgeworpen’.
Het zou veel billijker zijn als de liberalen, die ontrouw geworden zijn aan de eed van hun' belijdenis de kerk zouden verlaten. De vraag wordt: Wat is de wettige weg voor zo'n scheiding? Echte scheiding vindt Moorrees alleen dan verantwoord als alle hoop op herstel van de Kerk totaal vervlogen zal zijn. Zo ver is het nu gelukkig nog niet. Voorlopig weet hij nog een andere weg: 'Ons eenparig, zoowel leeraars als^leden der Gereformeerde Kerk, die getrouw zijn gebleven aan hunne eed en pligt en hunne belijdenis of tot deze trouw terugkeeren, te wenden tot de synode der Hervormde Kerk, bij gelegenheid van hare aanstaande vergadering in de maand July; dit zou kunnen geschieden afzonderlijk of in gemeenschap van allen.’
Acht zich echter de synode, evenals de vorige malen, onbevoegd om zich als een synode van de Gereformeerde Kerk te gedragen, volgens haar roeping en plicht, dan voege men daar een tweede verzoek bij, namelijk: Tracht te komen tot een wettige scheiding van liberalen en gereformeerden, die nu gedwongen in dezelfde kerk verenigd zijn. (Zoals ds. Molenaar in zijne adres had voorgesteld). Als onderstreping van dit verzoek lijkt het Moorrees dienstig de koning een 'eerbiedig' adres te sturen om hem te vragen er pp toe te zien dat de synode aan het tot haar gerichte verzoek zal willen voldoen.
Twee middelen wijst hij tenslotte af:
A. Het gebruik van geweld.
B. Het zich van de kerk afscheiden.
Wij hebben de taak te arbeiden, bidden en smeken voor herstel van de kerk.
Moorrees' voorstel vond in Nederland gehoor en, hoewel ds. Molenaar en ds. Detmar zich, door middel van een brochure, van het voorstel distantieerden, ondertekenden 8.790 gemeenteleden en 5 predikanten (waarvan één zich later terugtrok) met Moorrees het adres aan de synode en dat aan de koning.
Het adres aan de koning werd zelfs niet eens door hem beantwoord. De synode benoemt een commissie van rapport, waarvan de motor I. J. Dermout is. Het adres wordt door de commissie als volgt samengevat:
’Dat de Hooge Kerkvergadering de Gereformeerde Kerk herstelle óp hare oude en vaste grondslagen, door het handhaven der formulieren van Eenigheid, door hetherstellen van het oude formulier tot onderteekening van aankomende Leeraren, en herziening der kerkelijke Reglementen en Verordeningen, ten einde dezelve in overeenstemming te brengen met Gods Woord en de Kerkenorde van Dordrecht'.
Zeer uit de hoogte antwoordde de synodale commissie: De handtekeningen dragen de kentekens van minbeschaafden en dus van onbevoegden om in deze zaken te oordelen. Eigenlijk zouden de ondertekenaars vermaand moeten worden; zij beschuldigen de Her-Vormde Kerk van liberaal zijn, zonder bewijzen.
De synode sprak dan ook als haar eenparig oordeel uit:
’De algemene Christelijke Synode der Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, ontvangen en overwogen hebbende een adres van B. Moorrees, predikant te Wijk in het land van Heusden, benevens hem nog vier predikanten en vele andere personen geteekend, heeft met voorbijzien van al hetgéne in dit adres ongefundeerd gesteld, onbewezen getuigd, en voor het wettig bestaande Kerkbestuur beleedigend gezegd is.
Vooreerst, geoordeeld, dat de oude en vaste grondslagen der Gereformeerde Kerk, bij de tegenwoordige kerkinrigting, op geenerlei wijze zijn losgerukt.
Ten tweede, verklaart zij, uit hoofde daarvan, met bekrachtiging der Reglementen en Verordeningen, die van haar zijn uitgegaan, de vorderingen der Adressanten voor Onaannemelijk; en heeft zij
Ten derde, goedgevonden, van dit een en ander aan den eersten der Adressanten, en verder door middel van de Boekzaal, of Het Tijdschrift voor de Protestantsche Kerken in Nederland, aan allen die het aangaat, openbare kennis te geven'.
Hiermee is dus het adres van de tafel geveegd en had het op zich zelf weinig invloed op de synode. Maar onbedoeld gaf de synode in haar antwoord een interpretatie van het ondertekeningsformulier voor proponenten (het. oude punt van de kwestie van het 'quia of quatenus').
De synodale commissie schrijft namelijk op pag. 10 van haar rapport, dat het formulier van na 1816 alleen handhaving van de leer vraagt 'gelijk die in haren aard en geest het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van de Belijdenis der Hervormde Kerk'.
Deze zin, die dus spreekt over het wezen en de hoofdzaak der Belijdenis, zou nog een stapel adressen op de tafel der synode brengen, waarvan het beroemdste geworden is: Het adres van de 'zeven Haagsche Heeren'. Deze
heren (D. van Hogendorp, M. B.H. W. Gevers, A. Capadose, G. Groen van Prinsterer, P. J. Elout, J. A. Singendonck en C. M. van der Kemp) vragen de synode hoe toch wel het wezenlijke en het hoofdzakelijke te bepalen is.
Nader adres
Ook Moorrees legt zich niet neer bij het antwoord van de synode. Nogmaals richt hij zich totzijn geloofsgenoten in: ' nader adres aan al mijne gereformeerde geloofsgenooten in ons vaderland, na het openbaar uitgeven van het besluit der synode, gegrond op het rapport der synodale commissie, op het ingediend adres aan de synode.' Hierin roept hij op te protesteren tegen het synodale besluit. En inderdaad, het protest kwam: Protest tegen het rapport der synodale commissie en het besluit der synode van den negentiende july 1841, terzake van het adres van den predikant B. Moorrees CS. enz. ingeleverd aan de synode der Hervormde Kerk in Nederland, welke gehouden zal worden in de maand july 1842. Het protest wordt ondertekend door Moorrees en Bah Ier (predikant te Aalst) en weer een groot aantal (oud-)ouderlingen, diakenen .en lidmaten. Hierin wordt geprotesteerd tegen:
1. de afschaffing van het oude en de invoering van het nieuwe ondertekeningsformulier en tegen de verordeningen en reglementen, die strijdig waren met de Dordtsche Kerkenorde.
2. het besluit van de synode van 1841.
3. de in het rapport der synode voorkomende stellingen, die in strijd waren met de gereformeerde leer.
Weer doet een synodale commissie een 'beknopt verslag' en de synode handhaaft haar besluiten en uitspraken van het vorige jaar. In de dan volgende jaren speelt, de wat zijn gezondheid betreft snel zwakker wordende. Moorrees geen rol meer, deHaagsche Heeren nemen het van hem over.
In een, in 1843 uitgegeven, leerrede ter herdenking van de Kerkhervorming spreekt Moorrees er nog zijn grote dankbaarheid over uit, dat de zaak waaraan hij heeft meegewerkt wordt overgenomen en voortgezet door die 'zeven strijders, mannen van hoog aanzien, grote geleerdheid, uitnemende Godsvrucht, gaven en talenten'. Hij heeft hoop dat de Hervormde Kerk nu snel weer hersteld zal worden. Hun schrijven 'aan de Hervormde Gemeente in Nederland' vindt hij een meesterstuk van ware geestelijke wijsheid. Moorrees kon tóen nóg niet weten hoelang die strijd nog zou duren, maar hem komt toch de eer toe met overtuiging de zaak van de belijdenis weer onder de ogen van de (helaas tot een bestuur gedegradeerde) synode gebracht te hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's