Zal men ook de jonge kinderen dopen?
(4)
Wanneer wij nu uit de Schrift de gronden voor de rechtmatigheid van de doop aan de kleine kinderen der gelovigen willen aflezen, zullen we niet alleen moeten letten op enkele speciale teksten, waarin sprake is van de bediening van het sacrament, maar zullen we moeten letten op de positie, die aan de kleine kinderen wordt toegekend in het midden der gemeente en in het geheel van het verbond der genade.
Kind en verbond in het Oude Testament
Hoe breed wordt de draagwijdte van dat verbond ons getekend in een gedeelte als Deut. 29 : 9 v.v. Mozes vermaant hét saamgeroepen volk orn te houden de woorden des verbonds. En hij somt op de samenstellende delen van dat volk: e hoofden der stammen, de oudsten en de ambtslieden, alle man van Israël. En dan worden, naast de vrouwen en de vreemdelingen, met name ook genoemd de kipderen ('uwe kinderkens' vs. 11). Daarbij gaat het niet om een puur nationaal bestaan, maar 'om het verbond des Heeren' (vs. 12). En de bedoeling van dit verbond is, dat de Heere dat volk tot een God zij'. Daarbij verwijst Mozes naar jde beloften, die de Heere aan Abraham, Izak en Jacob gezworen heeft. Dus over het Sinaïtisch verbond heen, ziet Mozes de ondergrond van het verbond der genade (vs. 13). Tot dat geheel behoren dan ook de kinderkens. Daarom sluit de profeet Joel ook 'de kinderkens en die de borsten zuigen' in wanneer hij de gemeente in al haar schakeringen oproept tot een boetedag (Joel 2 : 15, 16). Ze behoren tot de gemeente. Zo zelfs, dat wanneer in een tijd van diepe inzinking het volk er toe komen kan kinderoffers te brengen aan de afgoden, de Heere het verwijt, dat het Zijn kinderen geslacht heeft (Ezechiël 16:21).
De kinderen behoren dus onder Israël tot het volk des verbonds en zij dragen daarvan het teken der besnijdenis in hun vlees. Dat teken heeft niet alleen te maken met het feit, dat zoveel het vlees aangaat uit één van de geslachten van dit volk de Messias geboren zal worden. Maar het bezegelt het verbond der genade met al z'n beloften.
Wordt dit in het Nieuwe Testament anders?
Neen, zeer duidelijk niet! Want ook wanneer de Messias, de Heere Jezus Christus gekomen is, zelfs uitgeworpen wordt door Israël, en langs"die weg toch de raad Gods tot verlossing van zondaren uitgevoerd heeft, blijft de apos
tel Petrus in het volle Pinksterlicht het volk Israël aanspreken op die verbondsverhouding tot God. En daarbij worden dan ^opnieuw de kinderen niet uitgesloten, maar met name genoemd in het bekende woord uit Hand. 2 : 39: an u komt de belofte toe, en uw kinderen... Calvijn tekent hierbij aan: deze plaats weerlegt dus overvloedig de Wederdopers, die de kinderen van gelovige ouders van de doop weren, alsof zij geen lidmaten van de gemeente van Christus waren. Zij zoeken een uitvlucht in de figuurlijke opvatting, en verstaan onder kinderen, degenen die geestelijk uit hen voortgekomen zijn.' Calvijn vindt zulk een uitleg 'onbeschaamd' en verwijst naar de fundamentele belofte Gods aan Abraham: k zal uw God zijn, en de God van uw zaad, waaruit blijkt dat alle kinderen in hetzelfde verbond begrepen zijn. In dezelfde geest spreekt hij, met duidelijke verwerping van de opvattingen der Dopers, bij de uitlegging van Hand. 3 : 25: ijliedenzijt kinderen der profeten en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft.
Het is wel merkwaardig, dat deze onderstreping van het deelgenootschap der kinderen aan de weldaden des verbonds ons voorgehouden wordt in hoofdstukken als Hand. 2 en 3, die zozeer gedoopt zijn in het licht van Hem, Die met de Heilige Geest en met vuur doopt. Dé 'Geestesdoop' sluit blijkbaar het deelgenootschap der kinderen aan de beloften des verbonds niet uit. Het is bovendien niet waar, dat die beloften aan Abraham en zijn zaad alleen stoffelijke en tijdelijke weldaden tot inhoud zouden gehad hebben. Het zou in Hand. 2 en 3 weinig zin gehad'hetjben zich daarop te beroepen, met de verwoesting van Jeruzalem reeds in het vooruitzicht. Maar de inhoud ook van de verbondsbeloften aan Israël was Christus, Die vrede verkondigt hun die nabij waren (de Joden), en hun, die eertijds verre waren en daarmede vreemdelingen van de toen reeds geldende verbonden der belofte, geen hoop hebbende en zonder God in de wereld (Efeze 2 : 11-22).
Bij de aangehaalde plaats uit Hand. 3 : 25 stemt Calvijn wel toe, dat velen, die naar het vlees uit gelovige ouders geboren zijn, voor bastaarden moeten worden gehouden, omdat ze door ongeloof zichzelf van het heilig geslacht afscheiden. Doch, zo zegt hij, dit verhindert God niet in.het roepen en aannemen van het zaad der gelovigen tot de gemeen schap van Zijn genade. Calvijn noemt dit een algemene verkiezing, die, hoewel zij niet in allen krachtdadig is, toch de deur opent tot de bijzondere verkiezing. (Men kan over de onderscheiding 'algemene' en 'bijzondere' verkiezing misschien twisten, zoals Calvijn zelf die ook niet altijd gebruikt heeft, maar de bedoeling is duidelijk en klaar).
Geen onzekere positie der kinderen
Volgens deze Pinksterprediking is dus het tijdperk van de bedeling, waarin de kleine kinderen erfgenamen waren van de belofte Gods, niet afgesloten en daarom nu waardeloos, maar nog van volle kracht.
Het zou trouwens wel zeer vreemd zijn, wanneer na en dóór het'volbrachte werk van Christus, de kinderen der gelovigen beroofd zouden zijn van voorrechten, die hun voorheen waren toegekend. De kinderen zouden dan een tussenpositie gekregen hebben tussen heidenen, en christenen, tussen mensen binnen en mensen buiten het verbond.
Er zou dan wel een duidelijke uitspraak in het Nieuwe Testament gevonden moeten worden, waarin de doop in tegenstelling met de besnijdenis voortaan voorbehouden werd aan degenen, die, volwassen geworden, éérst openlijk belijdenis van hun geloof'afleggen, voordat God Zijn koninklijk grootzegel gaat hechten aan het handschrift Zijner beloften.
Op dat zegel zouden dan de jonge aspirantleden der gemeente niet mogen zien en pleiten, voordat zij van zichzelf overtuigt waren, dat zij tot het geloof gekomen waren.
Ja maar: zegt men, bij de volwassendoop heeft de, kerk zelcerheid, dat het sacrament juist ten goede komt aan degenen, voor wie het bestemd is nl. aan de gelovigen, tot versterking van hun geloof. Is dat zo? Is het waar, dat de kerk in dat beleden geloof van degenen die tot haar toetreden, genoegzame zekerheid heeft, om op grond daarvan de tijd te bepalen, waarop God de Heere de beloften van het Evangelie wil voorzien van het zegel, dat ze bekrachtigt? Hebben ook Ananias en Saffira geen belijdenis gedaan, en dat onder de hoogspanning van de Pinksteropenbaring en het Pinksterleven? En is hetzelfde niet geschied met . Simon de tovenaar en later met Demas en zovele hypocrieten?
Het is een gevaarlijke zaak de grond voor de toediening van het Sacrament te leggen in de belijdenis van de mens, inplaats van van meet af aan het zegel te laten dienst doen als bekrachtiging van Gods beloften.
Uitgangspunt en grondslag voor de beantwoording van de vragen rondom de kinderdoop is dus de wezenlijke éénheid van het verbond der genade in Oud-en Nieuw Testament. Paulus bevestigt die eenheid in Gal. 3; de schrijver van de brief aan de Hebreeën in Hebr. 8. Het verbond van de Sinaï neemt daarin vóóf Christus een tijdelijke plaats in, maar het wordt omlijst door het verbond met Abra'ham, waarvan we met Psalm 105 nog altijd zingen, dat het bevestigd wordt van kind tot kind. Vandaar de kinderzegening door Jezus Zelf (Matth. 19 : 13-15 en Marcus 10 : 13-16). Daar betrekt Jezus niet alleen de toen aanwezige kinderen er bij. Hij zegt niet: aat die kinderen tot Mij komen. Maar veel breder: e kinderen. Ons Doopformulier beroept zich op deze geschiedenis als grond voor de kinderdoop. Calvijn is hen hierin voorgegaan. Hij begint zijn commentaar op deze plaats aldus: dit verhaal is zeer nuttig voor ons omd"at het ons leert, dat Christus niet alleen dezulken aanneemt, die, door een heilig
verlangen en geloof gedreven, uit eigen beweging tot Hem komen, maar ook dezulken die vanwege hun leeftijd nog niet gevoelen kunnen, hoezeer zij Zijn genade behoeven.' Wel zullen vele theologen (ook wel Galvijn) wijzen op de mogelijkheid dat zeer jonge kinderen met den Heiligen Geest vervuld geworden zijn en van de moederschoot af geroepen (met heenwijzing bv. naar Jeremia en Johannes de Doper), maar een mogelijkheid kan nooit de laatste grond zijn voor het sacrament, maar Ae zekerheid van de belofte. Ik zal u tot een God zijn en uw zaad na u. Niet iets in de mens wordt gezegeld maar het woord der belofte, opdat te zijner tijd het geloof in de belofte er door versterkt zal worden.
Als de kinderen in de tempel hun Hosanna's zingen, is dit voor Jezus de vervulling van Psalm 8 en ziet Hij ook daar de eenheid van Oud en Nieuw Verbond.
Opmerkelijk is ook de plaats uit 1 Cor. 7 : 14. In een 'gemengd' gezin, waarvan één van beide ouders christen is, is het gehele gezinsverband geheiligd. Dat geldt uitdrukkelijk ook de kinderen. Zo handelt God de Heere nu eenmaal met de door Hemzelf gewilde samenlevingsverbanden.
Vandaar ook de grote betekenis van de zgn. oikos-teksten (oikos is huis, huisgezin). U denkt met mij aan woorden als Hand. 16 : 15 (Lydia en haar huis) en Hand. 16 : 33 (de stokbewaarder enal de zijnen). De betrekking tot het hoofd van de gezinsgemeenschap bracht met zich mede, dat God hen allen in Zijn verbondsgemeenschap opnam. (vgl. Gen. 17 : 13 'de ingeborehe uws huizes’).
Hetzelfde verband vinden we in Hand. 18 : 8, Hand. 11/:14 en 1 Cor. 1 : 16, al tekenen de Statenvertalers bij Hand. 11 ':14 terecht aan: voorzover gij die (nl. de woorden Gods) met waar geloof aanneemt.’
En nu tenslotte nog het veel omvattende woord uit Col. 2 : 11 en 12 : 'in Welken gij ook besneden zijt met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus; zijnde met Hem begraven in de doop, in welke gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft.’
Het werk van Christus in de harten der Zijnen wordt hier een 'besnijdenis' genoernd. Daar komt geen mens aan te pas. Christus Zelf zet het mes in dat hele zonde complex (hchaam) van deoude mens. Alleen door het geloof in die krachtige werking Gods worden de Colossenzen de afsterving van de oude en opstanding van de nieuwe mens deelachtig. Maar bezegeld werden deze weldaden Gods niet langer door het oude bloedige, schaduwachtige sacrament van de besnijdenis, hoezeer dat oude teken.een scherpe duidelijke schaduw gaf; maar door het niet minder duidelijke, bij het volbrachte werk van Christus passende teken en zegel van de doop. Om met ons oude doopformulier te spreken: de doop is in de plaats der besnijdenis gekomen. Maar de draagwijdte van het verbond der genade met z'n weldaden, is niet verminderd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's