Uit de pers
Christelijke school en democratie'
Het is opvallend hoezeer in allerlei publicaties het christelijk onderwijs de laatste maanden aandacht krijgt. Bevreemdend is het overigens niet, voor wie enigermate op de hoogte is van allerlei ontwikkelingen die er gaande zijn. Zaken als de identiteit van de christelijke school, de betekenis van het reformatorisch karakter, de invulling van de doelstellingen van het onderwijs, de kwestie van de samenwerkingsschool, de relatie tot de maatschappij staan in het brandpunt van de belangsteUing. En wie de grote waarde van onderwijs en vorming beseft, zal er oog voor hebben dat het broodnodig is ons voortdurend te bezinnen op de vraag: Wat betekent in onze tijd de c. van christelijk onderwijs.
In het Centraal Weekblad van 28 oktober schrijft pro/, mr. 1. A. Diepenhorst over de problemen die zich voor het christelijk onderwijs voordoen, waar de roep om inspraak, democratisering, ouderparticipatie zich voordoen. Diepenhorst wijst erop dat zich voor het bizonder onderwijs nogal eens de volgende situatie voordoet: er zijn scholen die voor een aanzienlijk percentage en soms in meerderheid of in ruime mate leerlingen hebben gekregen uit gezinnen waar men tegenover de geest waarin het onderwijs wordt gegeven onverschillig en onbegrijpend staat. Hoe moet dat met de democratie? De overheid wenst ouderinspraak. 'Andersdenkende' ouders willen hun partijtje meeblazen.
Er kan zijn een licht tillen aan voorbande verschillen, omdat men in heel veel met elkaar blijkt overeen te stemmen. Maar evenmin is uitgesloten een geleidelijk aan buigen van leerstof, methode, optreden voor de klas in een richting welke de van huis uit andersdenkende ouders voor juist houden. Oudere leerlingen, zeker studenten, zullen via schoolparlement en universitaire verkiezingen er voor hen uithalen wat erin zit.
Hier raakt Leiden in last als men de zaken over en weer te ver laat komen. Schoolbesturen, die zich niet tijdig rekenschap geyen van een schoolbevolking en een ouderschare die in sterk verminderde mate de 'aansluiting' heeft op het bedoelen der school zullen straks deze nalatigheid moeten betalen. Ouders, die niet tot zich hebben laten doordringen, dat een bijzondere inrichting van onderwijs sommige voor hen lastige kenmerken vertoont, komen later eveneens in wat bewogen water. Uit deze onachtzaamheid over en weer kunnen ernstige stmbbeling en conflict voortspruiten, die bij de zelden vreedzame afwikkeling iets stuitends krijgen voor de buitenwereld.
Men heeft naar duidelijk kan zijn te allen tijde als onderwijsinstelling het recht de grondslag of doelstelling te verbreden dan wel te veranderen. Van een protestantse of katholieke school kan men op een oecumenische school overschakelen. In band met de humanisten is een samenwerkingsschool mogelijk. Het zal evenzeer uitvoerbaar zijn de bijzondere school voor een openbare te laten plaats maken. Ik stip deze oplossing slechts terwille van de volledigheid aan. In het onderhavig verband ligt meer voor de hand een verantwoord overeind houden van de bijzondere school in haar bijzonderheid, met zorgvuldige betrachting van een de democratie funderende vrijheid. Ieder pogen tot geestelijk heersen moet worden afgewezen, juist door hen, die een sterke persoonlijke overtuiging de hunne noemen. Het blijft echter zaak voor het handhaven van een voornamelijk 'wervende' school niet terug te schrikken.
Hier ligt voor menig christelijke school een spanningsveld. Enerzijds vraagt goed uitgeoefend gezag om goede informatiekanalen en overlegstructuren met allen die bij de school betrokken zijn. Anderzijds dient men te waken voor 'uitholling' van de christelijke school. De uitholling kan men m.i. niet tegengaan door een formeel hanteren van een bepaalde grondslag. Veel belangrijkeren wezenlijker is dat zij die bij de school betrokken zijn (bestuur, leerkrachten, ouders, leerlingen) ook innerlijk verbonden zijn met dat wat men in de formulering van "de grondslag inzake het christelijk of reformatorisch karakter belijdt. Dat kan men niet opleggen. Inderdaad voor 'geestelijk heersen' dient gewaakt te worden. En juist als men als christelijke school ook evangeliserend en wervend bezig is, zal alles afhangen van de toon waarop gesproken wordt juist tegenover hen die mogelijk wel hun kinderen naar een dergelijke school sturen, maar afwerend of onverschillig staan tegenover de chr. grondslag. Wijsheid en liefde enerzijds, duidelijkheid en beslistheid anderzijds zijn hier geboden. Men mag het karakter van de school niet laten aantasten. Diepenhorst schrijft in het slot van zijn artikel: 'Terwille . van de waarachtigheid zal men soms - hoe pijnlijk dit ook moge wezen-verschil moeten maken tussen stemrecht dat alsdan te beperken zij en spreekrecht dat er zonder enige belemmering steeds wezen moet.' M.i. zal ook veel afhangen van de houding van hen die wel van binnenuit achter grondslag en doelstelling van de chr. school staan. Helaas moet dan gezegd, dat vélen, als het op bezinning aankomt, het af laten weten, en de zaken maar overlaten aan het bestuur. Een beleven van wat wij belijden, ook in de-schoolwereld, daar gaat wervende kracht vari uit. Daar zullen we binnen het christelijk onderwijs elkaar gedurig op moeten aanspreken.
Christelijk onderwijs en evangeliserende taak
Hierboven was al sprake van evangeliserend bezig-zijn. De vraag kan overigens gesteld worden: Is de christelijke school primair onderwijsinstituut, al dan niet voor gelijk gezinden, of heeft ze ook een evangeliserende taak? Zo luidt, althans de formulering van de vraag die drs. H. v. 't Veld in Wapenveld van mei/juni aan enkele onderwijsdeskundigen voorlegde. Dr. De Ru, rector van het Reviuslyceum (Doorn) ziet een christelijke school vooral als onderwijsinstituut en kent haar, alselke andere school een beperkte taak toe. Daarnaast is er een aanvullende taak die het evangeliserend element meer tot uiting laat komen, waarbij De Ru die evangeliserende taak duidelijker ziet voor een 'open christelijke school', dan voor een school voor gelijkgezinden. Drs. M. Burggraaf (Guido de Bres-scholengemeenschap, Rotterdam) wijst erop dat de school vormend poogt bezig te zijn. Als zodanig heeft een christelijke school als onderwijsinstituut, een evangeliserende taak. Maar het Woord klinkt, is er een wervende taak. Dr5. C. VerhoeffGSA, Ede) wijst het of-of in de vraagstelling af. De evangelisatorische taak mag niet naast de doelstelling komen te staan. 'Wij kweken geen christenen, maar bieden aan jongeren het materiaal óm hun christen-zijn gestalte te geven.' De heer C. V. Iterson (docent 'Felua', Ede) noemt de chr. school een school voor de kinderen der gemeente en voor '^llen die verre zijn'. Hij maakt onderscheid tussen een evangeliserende taak die de school wel heeft, en een evangelisatie-instituut, dat zij niet is. Ook hij wijst op het gevaar dat door verandering van samenstelling in het leerlingenbestand en door gebrek aan waakzaamheid het christelijk karakter van binnen uit wordt uitgehold. Tot schade van hen die buiten zijn.
Christelijk onderwijs en hedendaags cultuurpessimisme
Over dat onderwerp schrijft de historicus drs. H. G. Leih in het aan het christelijk onderwijs gewijde oktober-nummer van Credo. Hij attendeert erop dat de doelstelling van het christelijk onderwijs ('de kinderen brengen bij de Goede Herder') vandaag nog geldt, evenals in de vorige eeuw, maar wel gerealiseerd dient tê worden in een wereld die in menig opzicht anders is dan die van ouders of grootouders. Allerlei waarden zijn in de krisis geraakt. Leih noemt met name godsdienst, traditie en gezag. Deze krisis der waarden brengt onzekerheid teweeg. Wat is, in wat verloren ging, waardevol? Wat blijkt, achteraf bezien, met het wezenlijke christelijke, weinig te maken te hebben gehad?
Ouderen kunnen in die krisis, aldus Leih op twee manieren reageren: door op heilloze wijze te weeklagen over de ontwikkeling, maar daarmee helpen we de jeugd niet. Of door op vruchtbare wijze in de krisis een weg te wijzen, waarop voor de jonge mensen van nu de zin van het leven weer zichtbaar wordt. Dat is de allereerste functie van de christelijke school: de leerlingen weer iets te leren zien van de zin van het leven, de zin die gelegen is in de belofte van het Evangelie.
Ligt hier niet de zin van het leven, die wij onze jonge mensen mogen voorhouden?
Is het niet de tragiek én onze zonde dat wij zelf het perspectief, - dat wij nog verantwoordelijkheid kunnen en mógen dragen, zijn kwijtgeraakt? En worden onze kinderen niet zo heel vaak de dupe van de onzekerheden en twijfels van veel ouderen, van wie zij - terecht — iets verwachten? Omdat die ouderen toch gegrepen mogen heten door Gods unieke belofte?
Als velen de zin van het leven zijn kwijtgeraakt, als velen de zin der geschiedenis niet meer bespeuren, is het einde een dodend pessimisme, een moordende levensangst. Is het niet de eerste taak van de christenheid de zingeving weer te vinden? Een zingeving die ons door de Bijbel in overvloedige mate wordt geboden: God heeft ons verlost zó dat wij weer in staat zijn gesteld iets van Zijn wil op aarde te realiseren. Belofte leidt naar bevrijdende menselijke verantwoordelijkheid.
Is niet vandaag dé taak van de christelijke scholen, uit te gaan van het wél zinvolle van het leven van de mens en van de geschiedenis, ook al lijken wij de schijn volledig tegen te hebben? Is niet vandaag de taak van de christelijke scholen zó te appelleren bij onze jongeren dat zij de zinvolheid der dingen ook werkelijk gaan beLEVEN?
Inderdaad, dan zullen wij, ouderen, nog knap wat last krijgen van onze jeugd, maar dan is het een last, 'ons ten goede', ten goede wellicht ook van andere mensen. Er is bij vele jongeren een schreeuw om echtheid en waarachtigheid; zij smeken om die echtheid en waarachtigheid juist bij gelovige christenen.
De christelijke school, zonder pretentie maar diep dankbaar, omdat ze iets mag doen. Want God leidt de geschiedenis door Zijn Heilige Geest, die mensen aan het werk zet om ook vandaag van Gods goede eigenschappen iets moois te maken, in het
licht van de door Hem alleen geschonken unieke verlossing.
De laatste zinsnede (... van Gods goede eigenschappen iets moois maken), begrijp ik niet. Ze is m.i. voor misverstand vatbaar. Want Leih bedoelt niet, dat blijkt uit het gehele stuk - dat wij de pretentie mogen hebben een nieuwe wereld te scheppen. Daarvoor spreekt hij te nadrukkelijk van Gods unieke verlossing. Het pleidooi echter voor de herontdekking'van de zin van het leven in het licht van Gods beloften en geboden is duidelijk. Christelijk onderwijs heeft in deze tijd van krisis en verwarring een grote taak.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's