De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bernardus Moorrees (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bernardus Moorrees (4)

Zij die bleven (13)

8 minuten leestijd

(4)

B. De Afscheiding

De Afscheiding van 1834 laat diepe sporen achter in het Land van Heusden en Altena. Gezelle Meerburg te Almkerk en Van Rhee te Veen volgen in het onrustige jaar 1835 het voorbeeld van hun collega Scholte te Genderen en Doeveren en scheiden zich af van het kerkbestuur. Velen, ook van de leiding van de Hervormde Kerk, vragen zich af wat ds. Moorrees zal gaan doen. Het is duidelijk dat hij het met het ijveren van de afgescheidenen voor de Belijdenisgeschriften en de Dordtse kerkorde eens zal zijn; maar zal hij met de kerk breken?

Moorrees antwoordt al op 23 februari 1835 in het openbaar op deze vraag door het uitgeven van: 'Leerrede over de algenoegzaamheid van Jezus Christus voor allen, die door het geloof met Hem gemeenschap ontvangen met eene voorrede ter openlegging der redenen van mijn gehouden gedrag terzake van de afscheiding door de eerw. heer H. P. Scholte.’

In die voorrede vermeldt Moorrees, waarom hij zich op deze wijze zo openlijk uitspreekt. Valse geruchten doen in de streek de ronde, die zelfs zo ver gaan, dat men zegt dat Moorrees helemaal 'omgedraaid' is en nu een vijand van het oude en beproefde geloof zou zijn geworden. 'De ware oorzaak van deze geruchten', zegt Moorrees, 'is gelegen in mijn gedrag omtrent de afscheiding van ds. Scholte en zijne gemeente', van het tegenwoordige kerkbestuur en het verschil tusschen ons en de wijze waarop wij de zaak der waarheid menen bevorderlijk te moeten zijn.' Niet de ijver van Scholte wordt afgekeurd, maar wel zijn wijze van handelen. Hij wil daifook Scholte in deze voorrede niet weerleggen, omdat hij in de hoofdzaak van de gereformeerde leer het met hem eens is, maar hij wil Scholte en de zijnen voorhouden waarom hij niets heeft gezien in aansluiting bij de Afscheiding. Hij geeft daarvoor vier redenen op:

1. Ik zag er geen heil in voor mij zelven als Leeraar der Kerk.

2. Ik zag er geen heil in voor mijne gemeente.

3. Ik zag er geen heil in voor de Kerk in het algemeen.

4. Ik kon ook de goddelijkheid dezer afscheiding niet inzien.

Steeds weer houdt hij Scholte en de gemeenten voor: Let eens op de verwarring, onrust, twist, verdeeldheid etc, die aan een afscheiding verbonden is. Telkens herinnert hij in zijn argumentatie aan de ervaring van Elia: de Geest Gods was niet in het onweer, de stormwind en de aardbeving, maar in het suizen van de zachte stilte. De hervormers van de zestiende eeuw hebben zich ook niet van de kerk afgescheiden, maar werden er uitgeworpen. De Hervormde Kerk werpt de rechtzinnigen niet uit en zolang is afscheiding onwettig. Ds. Moorrees concludeert dan: 'Wij mogen in de kerk onze stem voor de oude en beproefde waarheid nog luide verheffen met mond en pen zonder gevaar, zoo ver ik weet, om deswegens vervolgd te worden. Dit is een bewijs, dat de kerk nog niet onverbeterlijk verbasterd

is, dat de hoop op herstel nog niet verloren is, dat de kerk in de kerk nog met Gods zegen kan hervormd worden; nu horen wij dus in den weg van Gods voorzienigheid nog krachtig de stem: gaat niet uit van hen mijn volk, maar blijf in deze kerk, ' om naar de gaven aan u, geschonken, elk op zijne wijze te arbeiden, en te bidden voor het heil van de kerk, zoo lang tot dat dezelve onverbeterlijk blijkt te zijn, door het uitwerpen der regtzinnige en vrome Leeraars en leden: dan eerst is het tijd om de roepstem Gods te volgen. En indien het zoo ver komt, dan zal Gods voorzienigheid duidelijke en onberispelijke wegen aanwijzen, om de kerk in hare oude staat te herstellen.’

Het slot van de voorrede is een oproep tot afgescheidenen en niet-afgescheidenen elkaar niet te belasteren. Wat hem zelf aangaat:

’Gaarne reik ik, ofschoon op dit punt (afscheiden of niet) verschillend van gedachten, aan allen de hand van broederschap toe, die met mij in het oude en beproefde geloof vereenigd zijn, en breek van mijne zijde de band der liefde niet.

Oproep tot wederzijdse liefde en eenheid

In 1837 schrijft Moorrees over hetzelfde onderwerp. Nu uitvoeriger (het wordt zijn meest omvangrijke boekwerkje:92 pagina's): Een eenvoudig doch ernstig woord aan al mijne geloofsgenooten, in deze donkere en treurige dagen, zoo aan degenen die zich van de thans bestaande kerk hebben afgescheiden als aan degenen, die nog in de kerk gebleven zijn.' Nu de Christelijk Gereformeerde Kerk ontstaan is, wil ds. Moorrees zich nogmaals duidelijk uitspreken. Van zijn voorrede hoefthij niets te herroepen en over het zich afscheiden van de kerk is hij niet anders gaan denken. Hij spreekt nu zelfs veel negatiever over de afgescheidenen: Tot heden is mij in deze omtrek geen bewijs bekend, dat de geest des Heeren, zich in die afgescheiden gemeente in de harten openbaart, om ware armoede des geestes, geloof en bekeering te werken.' De Hervormde Kerk is echter niet beter; het liberalisme krijgt meer en meer de overhand. Daar had tegen opgetreden moeten worden door de kerk in de kerk te hervormen. Waren de afgescheiden leraars toch maar in de kerk gebleven. Nu is de eendracht, die macht maakt, tussen de voorstanders van hetzelfde geloof verbroken en is aan de tegenstanders gelegenheid gegeven om, met voordeel, op hen aan te vallen en de zaak des Heeren en zijn waarheid in ons vaderland de dodelijkste slagen toe te brengen. De klok kan echter niet teruggezet worden en een ongedaan maken van de Afscheiding lijkt haast onmogelijk. Het doel waartoe Moorrees zijn boekje uitgeeft is dan ook niet direct de terugbrenging van dwalenden, maar bevordering van de broederlijke liefde.

Hierna gaat Moorrees over tot het bespreken van de bezwaren die de afgescheidenen hebben tegen de Hervormde Kerk. Hij vat deze als volgt samen: 'De thans bestaande Kerk is een Heidendom, de Kerk kan in de thans bestaande Kerk niet meer hervormd worden; de Baal wordt in de Kerk gediend, de Geest Gods is uit de Kerk geweken; men moet niet meer ter Kerk gaan, zelfs bij de regtzinnige Leeraars niet meer, ook deze zijn Baaipriesters; men moet zich van de Kerk afscheiden, de Kerk der afgescheidenen is de eenige ware Kerk, bij deze Kerk moet men zich voegen; die dat niet doen wil, is een vijand Gods, hij staat tegen God en Zijnen Gezalfde op, en kan niet behouden worden: haast u, spoed u, om uws levens wil.’

Met spijt cohstateert Moorrees dat de bezwaren van de afgescheidenen voor een groot deel van de Hervormde Kerk wel opgaan, maar men mag het in geen geval van de Kerk in haar geheel zeggen. Er zijn nog .predikanten, die trouw blijven aan hun beloften zich te zullen houden aan de belijdenisgeschriften; en dezen mogen nog vrijuit spreken.

ledere keer blijkt zijn liefde voor de Hervormde Kerk, als hij de afgescheidenen, telkens met andere woorden, hetzelfde voorhoudt: 'Waar staat dit, dat een diep gevallen kerk niet kan worden opgericht? Zou de hand des Heeren verkort zijn? ’

Zolang de bezwaren van de afgescheidenen niet de Hervormde kerk in, haar geheel gelden, mag men zich als afgescheiden kerk, nooit de enige ware noemen; men mag zich dan zelfs niet van de Hervormde afscheiden.

Vooral die aanspraak van de afgescheidenen, de enige ware kerk te zijn, is een doorn in Moorrees' oogy die hem erg zeer doet. Fel vaart hij uit: 'Hetgeen ik hoor en zie van de afgescheidenen in deze omstreken is niet geschikt om mij te overtuigen dat de Geest Gods met u gegaan is. Boven andere kerkgemeenschappen verdient onze oude Gereformeerde Kerk (zo blijft hij de Hervormde Kerk toch het liefst noemen) de naam der ware kerk van Christus op aarde.’

Met voorbeelden uit de bijbel toont hij aan dat het moet gaan om zuivering, herstel van de vervallen godsdienst; nooit om verwoesting en bederf. Als hij de Afscheiding hieraan meet, moet hij concluderen: dat de Afscheiding onbijbels is en hij vreest (op een goede wijze wordt hij nu wat voorzichtiger in zijn uitspraken) dat de satan als een engel van het licht door de Afscheiding werkzaam is om aan de kerk de dodelijkste wonde toe te brengen. Persoonlijk spreekt Moorrees de afgescheidenen toe: 'Gelooft dat gij dwalen kunt met betrekking tot Uwe afscheiding.' Hij roept op, waar mogelijk, terug te keren tot de getrouwe dienaars en goedgezinde leden der kerk.

Wat hij tot zijn geloofsgenoten, die in de kerk gebleven zijn, zegt, laat zich raden: Ga niet uit deze kerk, maar blijf erin, totdat de Heere, in de weg van Zijn voorzienigheid, zowel uitwendig als inwendig, roept: Ga uit van hen! Moorrees geeft zichzelf en zijn lezers de opdracht: Belijdt Gods Naam, door woord en wandel, en bidt voor deze kerk. Alles moet gericht worden op het grote doel: het herstel van de vervallen kerk. Maar dan telkens het Schriftwoord gedenkend: niet door kracht, niet door geweld, maar door de Geest des Heeren zal het geschieden.

Ds. Moorrees heeft met zijn boekje stellig bij velen gehoor gevonden. Immers zijn adres van 1841, dat het herstel van de Hervormde kerk op het oog heeft, wordt door meer dan 8.500 mensen ondertekend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1978

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Bernardus Moorrees (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1978

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's