De Geest en zijn gaven
De Verhouding Woord en Geest
(1)
Eenheid en onderscheid
In de vorige hoofdstukken is uitvoerig stilgestaan bij het werk van de Geest in de gelovige. Zowel zijn werk in het hart, de innerlijke geloofservaring, alsook de vrucht van de Geest in de vernieuwing van het leven naar buiten kregen de aandacht. In aansluiting hierop is het nodig om ook te letten op de gavert van de Geest. Deze gaven staan wel direct met het inwendige werk en de vrucht van de Geest in de heiliging in verband maar dienen er toch van te worden onderscheiden. In de bevindelijke geloofservaring door de Geest ontvangt de gelovige deel aan het heil in Christus. De persoonlijke toeëigening van Christus en zijn weldaden staat hier centraal. Het is de geloofsgeschiedenis die de Geest met ons houdt en waarin de heilsgeschiedenis van Gods grote daden in Christus a.h.w. op de wijze van de Geest in ons leven opnieuw zich voltrekt.
Bij de vrucht van de Geest hebben wij te maken met de vernieuwing van het mensenbestaan in al zijn relaties. Zijn omgang met God niet alleen, maar ook zijn omgang met de naaste en met de dingen en de dieren, ja met Gods hele schepping, wordt door de Geest vernieuwd. Hij wordt een mens met een nieuwe gezindheid. En deze gezindheid openbaart zich in het concrete leven van denken, spreken en doen. Daarom heeft de vrucht van de Geest, zoals Paulus hierover spreekt in Galaten 5, te maken met het hele mensenbestaan, en dat heel concreet.
Genadegaven
Daarnaast spreekt de Schrift echter apart over de gaven van de Geest. Wij noemen o.a. 1 Cor. 12 en Rom. 12. Het griekse woord voor deze gaven is charismata. Het woord betekent letterlijk: genadegaven. Dat woord alleen al wijst op het genadekarakter van deze gaven en van het bezitten ervan. Ze horen dus bij het ene grote genadewerk van God, in het bijzonder bij het ene grote genadewerk van de Geest. Het is belangrijk om dit laatste goed in het oog te houden. Want dit sluit een paar dingen in. Vooral wijst dit erop, dat deze gaven van de Geest geen moment kunnen of mogen worden losgemaakt van het andere werk van de Geest. Met het toepassend werk van de Geest en'de vrucht van de Geest behoort het tot het ene heilswerk des Geestes. Dit heeft naar twee kanten zijn gevolgen. Aan de ene kant blijkt het gevaar te bestaan om de gaven van de Geest op zichzelf te plaatsen en een eigen leven te laten leiden. Dat leidt dan meestal daartoe dat mensen zich erop laten voorstaan, dat zij deze gaven van de Geest bezitten, terwijl laatdunkend en veroordelend wordt neergezien op anderen, die deze gaven niet blijken te bezitten.
Verabsolutering
Wij vinden deze houding reeds in de Bijbel. Met name denken wij dan aan de gemeente van Corinthe. De gaven van de Geest werden verzelfstandigd. Er ontstond zelfs een soort concurrentiestrijd rondom de vraag, wie de meeste en de hoogste gaven bezat. Het gevolg hiervan was, dat er twist en tweedracht ontstond. De eenheid van de christelijke gemeente als het ene lichaam van Christus liep gevaar. Terwijl daarnaast het gevaar dreigde, dat men op een vleselijke wijze omging met de dingen des Geestes (de pneumatika, 1 Cor. 12 : 1).
Het merkwaardige is, dat bij deze gezindheid de meest opvallende gaven van de Geest ook het meest in aanzien zijn, en het meest worden begeerd. Het spreken in tongen en de gaven der genezing b.v. waren erg in trek. Terwijl de eenvoudige, minder opzichtige, schijnbaar gewone gaven van de Geest nauwelijks in tel waren.
Deze bijbelse situatie is ook nu nog aan de orde. Wij kennen nog steeds het verschijnsel van de verzelfstandiging van de gaven. En verzelfstandiging dreigt dan al gauw verabsolutering te worden. Bepaalde gaven gaan het persoonlijke geloofsleven en het gemeenteleven beheersen. Zij worden de hoogste maatstaf, waarnaar het geestelijk peil van de mens of de gemeente wordt gemeten; En hoe meer bijzonder hoe meer indrukwekkend en betekenisvol.
Dienstbaar zijn
In dit verband is het nodig om te wijzen op de eenheid van het werk van de Geest. De gaven van de Geest staan niet op zichzelf. Zij mogen daarom ook niet worden verabsoluteerd, maar zij nemen hun plaats in binnen het grote geheel van het ene werk van de Geest. Daarom zal het ontvangen van de gaven nooit los staan van het ontvangen van het heil in Christus en van het leven in waarachtige heiligmaking. En juist wanneer de gaven zo zijn ingebed in dit hele werk van de Geest krijgen zij hun juiste betekenis en functies. Dan zal het gevolg daarvan niet zijn, dat de persoon, die de gaven bezit, hierdoor op de voorgrond komt te staan, maar dat juist de gemeente, waarin deze mens mag leven en arbeiden hierdoor wordt gediend. Wij ontvangen de gaven van de Geest niet om onszelf te verheerlijken maar om God in Christus te verheerlijken en om de ander te dienen, om toegerust te zijn in de dienst des Heeren.
Daarom zal in dit juiste verband gesteld het ook nooit een zaak van concurrentie worden, welke gaven wij van de Geest hebben ontvangen. Wij zouden hier vooral 1 Cor. 12 willen verbinden met Rom. 12. In beide hoofdstukken gaat het over de gaven. In 1 Cor. 12 wordt y genoemde concurrentiestrijd verondersteld: het streven naar de hoogste gave. Paulus stelt daartegenover, dat alle gaven van Geest genadegaven zijn en dat zij functioneren in en ten behoeve van het ene lichaam van Christus, de gemeente. Juist de gewoonste, onopvallendste gave komt dan de meeste eer toe. Dus precies de omgekeerde weg. Wat dat nu positief inhoudt, daarop wijst Rom. 12. Het gaat erom, dat ieder zijn eigen gave van de Geest heeft ontvangen, en dat hij deze gave heeft te gebruiken in dienst van de gemeente. In Rom. 12 komt dan ook niet allereerst het bijzondere, het spectucalaire naar voren, maar het gewone, het meest functionele. Niet belangrijk is hoe bijzonder of opvallend de gave is, maar hoe nuttig zij is en hoe goed zij wordt besteed, tot eer van God en tot opbouw van de gemeente.
Opbloei en diepgang
Het heeft dus vergaande consequenties, wan neer wij de gaven van de Geest min of meer losmaken van het gehele werk van de Geest. Wat daarvan het gevolg kan zijn, leert ons de Schrift, en leert ons ook de concrete situatie van de gemeente in deze tijd. Met name in de groepen en bewegingen is dit reëel aanwezig. Zeker is dit één van de redenen, waarom voor velen deze groepen juist zo aantrekkelijk zijn. Het opvallende ervan boeit en maakt indruk. Het geeft de gedachte, dat daar de Geest (alleen) is. Maar in het licht van de Bijbel ontdekken wij juist ook in deze kring het gevaar van de verzelfstandiging en verabsolutering van de gaven. De opbloei van de gaven gaat dan niet hand in hand met de diepgang van het bevindelijke geloofsleven. De opwas is onevenredig groot vergeleken met de verworteling. En dan is het gevaar acuut dat de mens met zijn gaven in het middelpunt komt te staan. Men is onder de indruk van mensen, vanwege hun bijzonderheid. Zo komt het geestelijke dicht in de buurt van het vleselijke en herhaalt zich de situatie, waarop Paulus in zijn Corinthebrief reageert.
Toch is dit slechts de ene kant. Niet minder, en voor ons zelfs een veel groter gevaar is, dat wij op een andere wijze de gaven van de Geest losmaken van het totale werk van de Geest. Daarover een volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's