'Gij hebt mij in mijn moeders buik bedekt’
’Gij hebt mij in mijn moeders buik bedekt. Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! Ook weet het mijn ziel zeer wel. Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben en als een borduursel gewrocht ben in de nederste delen der aarde. Uw ogen hebben mijn ongevormde klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.' Psalm 139 : 13b-16
David, de dichter van psalm 139, heeft heel wat te stellen met zijn vijanden. Zij beramen moordplannen, willen bloed zien (vs. 19).
Er zit niets anders op dan te vluchten. Het oog en de hand van de vervolgers te ontlopen. Vogelvrij verklaard. Vleugellam geslagen. Benauwd, opgejaagd. Waarheen?
Dit is mijn troost: waar ik ook ben, het oog en de hand van de Héére ontloop ik niet. Hij zorgt nu immers niet minder goed voor mij als toen ik nog in de baarmoeder was. Al vóór mijn geboorte lag ik in Zijn hand* had Hij mij in 't oog.
’Gij hebt mij in mijn moeders buik bedekt'. 'Bedekken', dat is beschermen, als met een schild. Bij U ben ik veilig. Denk ik daarover na, dan kan ik wel zingen: 'IkloofU' (vs. 14). Zingt u mee?
Mijn hoofd staat er niet naar. De Heilige Geest wil uw hart en mond afstemmen op het Woord van God. "k Zal gedenken hoe vóór dezen, ons de Heer' heeft gunst bewezen, 'k Zal de wond'ren gadeslaan, die Gij hebt van ouds gedaan.'
Gods Vaderlijke zorg was er en is er in moeitevolle omstandigheden, in geloofsaanvechting, in duisternis en in diepten.
Zijn Vaderlijke hand hield mij reeds omsloten negen maanden vóór mijn geboorte. David put daar kracht en troost uit.
Hier niet voor 't eerst. Wij denken terug aan psalm 22. In de diepte van verlatenheid roept de dichter: 'Van de buik van mijn moeder aan zijt Gij mijn God. Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij.’
’Mijn gebeente was voor U niet verborgen, toen ik in het verborgene gemaakt ben.' 'Het verborgene' is een schuilplaats, dezelfde veiligheid als waarvan eerst sprake was in het woord 'bedekken'. De Heere is mijn schild en schuilplaats. Wij kennen het woord uit psalm 91: 'Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten...’
Reeds vóór mijn geboorte mocht ik bij U, Heere, schuilen, en vernachten in de schaduw van de Almachtige.
’Toen ik als borduurwerk gevormd werd in de diepten van het aardrijk.' De aarde is hier. beeld voor de moederschoot.
Woordelijk lezen wij: 'Toen ik met allerlei kleuren geweven werd.’
Als een borduurwerk in Gods hand. Misschien leest u dit tussen de bedrijven van uw borduurwerk door. Borduren: ingespannen, nauwkeurig. 'Weven'. Dat staat er óók.
De Heere de Wever. Ons lichaam het weefsel. Wij zijn Gods borduurwerk. Naar Zijn patroon gemaakt.
Borduren kunt ü niet in het donker. t> at kan de Heere wél!
’Ook verduistert de duisternis voor U niet.' Al is het nóg zo donker, de Heere ziet me. En in de baarmoeder is het duister! En nu? Zit u in 't donker?
De Heere ziet me - zegt David - en gaat nauwgezet Zijn gang. Hij borduurt als op klaarlichte dag.
Zo is Hij nóg! Negen maanden heeft Hij ons geborduurd, geweven. Hij werpt daarna Zijn werkstuk niet in de hoek. Hij blijft erop toezien. Hij zorgt en waakt. Zijn werkstuk is en blijft een mesterstuk. Zijn Naam en eer zijn ermee verbonden.
Zijn Naam en eer worden door Hemzelf niet geschonden. Na de schepping lezen we: En God zag hóé goed het was! Na de schending zijn we geneigd töt alle kwaad. Ook dit kwaad dat we ons vergrijpen aan het borduurwerk van de Schepper! Anno Domini 1978: Nederland, Wetsontwerp Abortus. Wij zijn bezig te doen wat kwaad is in Gods oog. Zó heeft de Wever Zijn Meesterstuk niet bedoeld. Zal ook het maaksel zeggen tot zijn formeerder: Waarom hebt gij mij zó gemaakt?
Ook in déze nood en schuld is de Heere schild en schuilplaats. 'Uw ogen hebben mijn ongevormde klomp gezien.’
’Vormloze massa', staat er. Wij zeggen: 'embryo'. De vrucht in de baarmoeder. Het beeld verspringt, maar het gaat om dezelfde zaak: een leemklomp in de hand van de pottenbakker. 'Ziet, gelijk leem in de hand van de pottenbakker, alzo zijt gijlieden in Mijn hand, o huis van Israël' (Jer. 18). Een pottenbakker ziet reeds vóór zich wat hij maken wil. In zijn hand is nog slechts de leemklomp, vormloze massa. Hij gaat aan de slag.
Zó ook de Heere. Reeds van het uur van mijn ontvangenis aan. Hij werkt Zijn plan uit. 't Staat in Zijn boek. Oók de dagen van de embryonale fasen. De Werkmeester slaapt noch sluimert. Dag en nacht gaat Hij door. In het 'verborgene', in 'duisternis'. Op Zijn tijd wordt het meesterstuk onthuld. Het gaat als met een groot kunstenaar, die geen mens toelaat in zijn ateher, zolang zijn werkstuk niet gereed is. Wat het geworden is, nlogen we komen zien, later.
Zo kijken we in de wieg, zo ook kijken we achterom: 'Wonderlijk zijn Uw werken.'
Hier staat hetzelfde woord als in Psalm 118: 'De steen dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden; dit is van de Heere geschied en het is wonderlijk in onze ogen.'
De nood waarin David verkeert, heeft alles te maken met de beloofde Zóón van David. De nood van de dichter is de nood van Israël en van Hem Dien Israël verwacht. Wij weten van de aanslagen op het volk van God. Denk aan de moord van Farao op de kinderen in Egypte. Aan de plannen die Haman smeedde. Komplot tegen Christus! Hij mag niet komen.
Nochtans: door oordelen, gerichten en aanslagen heen bereikt de Heere Zijn doel. Hij borduurt verder. De Pottenbakker werkt door.
Wee die mens of dat volk die (dat) Hem de voet dwars zet. Alle eerstgeborenen in Egypte sterven. Haman eindigt aan de galg.
Christus is geboren. God geopenbaard in het vlees. Jezus, ontvangen van de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria. Advent. Hij negen maanden in moeders buik. Beeld van God, Christus. Plaatsvervanger van A-Z om al onze schuld te verzoenen. 'Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.' Dat belijden wij. Er is vergeving!
Om Jezus' wil: ook Hij ging de weg van het embryo! Door dood en graf heen is Hij het Léven. Onze tekst is in en door Hem vervuld. Zegt de vleeswording van het Woord ons niet genoeg terzake het voornoemde wetsontwerp? Uit de tweede eeuw dateert een 'brief van Barnabas'.
Wij lezen: 'Wie het ongeboren kind doodt, vernielt het Beeld Gods.' En de 'noodsituatie' dan, waarvan sprake in het wetsontwerp? En onze tekst dan? En Christus dan? En het geloof en de liefde?
God is geen toeschouwer, die lijdelijk aanziet waf 'men' met zijn kunstwerk doet. In principe gaat het om de 'autonome mens', die gelooft in zichzelf. Of: om de gelovige mens. Duidelijk zal worden hoe zwaar de 'C' van de christelijke politiek weegt.
De barmhartigheden der goddelozen zijn wreed. Het zwaartepunt van'het menselijk bestaan wordt verlegd van de hemel naar de aarde.
Wanneer de Overheid niet ingrijpt, zal de Heere het Zélf doen. Want Hij handhaaft Zijn Wet.
Kom, Schepper Geest en leer ons psalm 139 verstaan.
’Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart...' (VS. 23).
Laten wij bidden voor ons volk, de kerk, zwangere vrouwen, medici, vrouwenartsen, maatschappelijk werk(st)ers, verplegers en verpleegsters, voor onze Ministerraad en de volksvertegenwoordiging, opdat wij de 'noodsituatie' verstaan.
David heeft óók gezegd toen de Heere zijn zonde bezocht: 'Mij is zeer bange; laat mij toch in de hand des HEEREN vallen, want Zijn barmhartigheden zijn zeer vele, maar laat mij in de hand der mensen niet vallen.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's