Uit de pers
Onzin over de Gereformeerde Bond
Rondom de kwestie-Aantjes is een en andermaal ook de houding van de Bond in de bezettingstijd ter sprake gebracht. Verzet zou in deze kringen, zo werd wel gesteld, eigenlijk taboe zijn. Een lijdelijke houding tegenover de nazi's zou velen beheerst hebben en zou min of meer de verklaring vormen voor de achtergrond van de heer Aantjes, waaruit deze gehandeld zou hebben. Nu laat ik in het midden wie de aanleiding tot dergelijke verhalen > gegeven heeft. En op zichzelf zullen we kritische geluiden aan ons adres niet mogen wegwuiven. Zelfkritiek is vaak niet de sterkste kant. En we zijn er al vlug bij om kritische geluiden van anderen af te zwakken. .
Maar wij behoeven niet te berusten in bepaalde beeldvorming die een beweging een stempel opdrukt dat ze niet gedragen heeft en niet wil dragen. Met andere woorden; onwaarheid mag ook gesignaleerd worden. In Hervormd Nederland van 25 november schrijft ds. M-Groenenberg in de rubriek 'Groen bekeken' dat hij zelden zoveel onzin over de Gereformeerde Bond gehoord en gelezen heeft als er is geuit over de zogenaamde geestelijke achtergrond van Willem Aantjes.
Wat hij gedaan zou hebben zou vooral voortkomen uit het feit dat hij in een gereformeerdebondsomgeving zou zijn opgegroeid. De rubriek 'Brandpunt' van de KRO maakte het het meest bont. Men zou eens wat meer licht verschaffen over de geestelijke achtergrond van Aantjes. Dat is een hele onderneming voor een omroep als de KRO, want het is meoilijk voor buitenstaanders, zeker ook voor rooms-katholieken, om ook maar enigszins de weg te vinden in de doolhof van kerken en kerkjes en stromingen die zich gereformeerd noemen.
Geen wonder dus dat men in de eerste regels op het scherm al potsierlijk uitgleed. Aantjes zou behoord hebben tot het 'kerkgenootschap van de Gereformeerde Bond'! Men Had geen idee dat het ging om een stroming binnen de hervormde kerk. Vervolgens gleed men weer uit door tot twee keer toe een stukje uit Romeinen 13 op het scherm te brengen. Daar hielden de gereformeerdebonders aan vast en zo kwamen ze gemakkelijk tot een foute houding in de bezettingstijd! Volslagen nonsens. Romeinen 13 is geschreven door Paulus en wat hij schreef is voor iedereen (nou ja!) uitgangspunt bij het denken over de overheid.
Dat mensen de Duitse bezetter als een soort overheid zagen kwam in alle kringen voor en heus niet sterker in gereformeerdebondskringen. We moesten altijd weer aan de mensen duidelijk maken, dat onze overheid in Londen zat en dat bovendien de bezetting het tegendeel liet zien van wat de overheid volgens Romeinen 13 moest zijn: de goeden werden niet beschermd en de kwaden werden niet gestraft, maar omgekeerd: de goeden zaten in de gevangenis en de kwaden kregen vrij spel.
Waren er meer foute lieden in de gereformeerdebondskringen dan in andere? Wel nee. De bekendste predikanten die fout waren waren Ekering, Boissevain, Foekenen Van Bart, geen van allen g.b. In het boek 'Het verzet der hervormde kerk', geschreven door ds. H. C. Touw, kan men daarover lezen.
De lijdelijke houding
Dat men in deze gereformeerdebondskringen soms een houding aannam die anderen niet konden volgen had totaal niets te maken met Romeinen 13. Dat kwam voort uit de gedachte dat de oorlog en de bezetting een straf van God was. Dat is de, mijns inziens gevaarlijke en onbijbelse, verklaring van alle rampen, van iedere overstroming, van iedere polioepidemie, van elke oorlog: het zijn straffen van God vanwege de zonden van ons volk of van onze kerk of van wat dan ook.
Welnu, tegen de straffende hand van God mag je je niet verzetten. Daaronder moet je je buigen en je bekeren. Zo'n houding is natuurlijk geen vruchtbare bodem voor verzetswerk. Soms gaat dat buigen zo diep dat men helemaal geen weerstand biedt of hulp verleent. Tenzij men gedwongen wordt iets te doen tegen het geweten. En dat spreekt pas als de zondagsrust in het geding komt. Maar ook in de meest lijdelijke kringen was er geen sprake van dat men ook maar enige verwantschap zag met de nadonaalsocialistische denkwereld. Integendeel. Men wees die volstrekt af. Maar wel liggen er duidelijke verschillen in levenshouding met de gereformeerdheid binnen de gereformeerde kerken. Daarin had Schakel groot gelijk.
Gereformeerden hebben altijd juist het beeld van een sterke strijdlust vertoond. 'Pal staan' was altijd een tekenende uitdrukking. Geestelijk waren zij dus ook veel meer toegerust tot verzet dan degenen die alles zagen als een straf van God waaronder je je moest bukken. Ik voeg er voor alle zekerheid aan toe dat ook uit deze gereformeerdebondskringen duidelijk verzet is voortgekomen. Maar u begrijpt nu dat ik beurtelings in de lach schiet over die opeenstapeling van onzin in de Brandpuntuitzending, en vooral diep verontwaardigd was over wat er gezegd werd over de Gereformeerde Bond.
Deze laster groeide overigens met de dag aan. Via Aantjes kwam de Gereformeerde Bond in de beklaagdenbank! Maar de oorzaak was een totale onkunde over wat de Gereformeerde Bond is en deed en ook een totale onkunde over de werkelijke situatie op kerkelijk gebied ten tijde van de bezetting. Ik meen dat de televisie-voorlichting meer kwaad heeft gedaan dan goed, meer verduistering en verwarring heeft aangebracht dan verheldering.
Wie waren de 'fouten'?
Er zijn maar heel weinig predikanten fout geweest in de bezettingstijd. Die fout waren, werden door de gemeente gemeden. Hun kerken waren leeg. Maar de min of meer fouten zaten niet bij de G.B. Ze zaten veeleer bij de confessionelen. Nu hoop ik , niet dat ik een nieuw misverstand oproep en dat ik bedoel de confessionelen in de beklaagdenbank te zetten. Dat zij verre! Maar onder het kleine aantal 'fouten' was er, vooral voor de oorlog uitbrak, een groot percentage confessionelen.
Amsterdam is een gemeente geweest die een tijd-• lang is overheerst door de confessionele groepering binnen onze kerk. Een flinke groep onder hen neigde wel in de nationaal-socialistische richting. Zij kwamen oj) tegen het regeringsverbod voor ambtenaren om lid te zijn van de NSB. Zij spraken in bijeenkomsten van 'Evangelie en volk'. Dat zal wel terug te brengen zijn op de invloed die mr. ds. Ekering had. Hij was een welsprekend man, die ook grote invloed heeft gehad op de jeugd.
Hij, en zijn medestanders, beriepen zich op Groen van Prinsterer en Hoedemaker. Hoedemaker is de voorman geweest van de confessionelen en niet van de gereformeerdebonders. Degenen die meegingen met Ekering gingen steeds meer aarzelen en toen de inval van de Duitsers begon was het met de sympathie bijna bij iedereen gedaan, al bleef een enkeling de hele oorlog door wankelmoedig. Maar het zou evenzeer onbillijk zijn om de confessionele stroming in de hervormde kerk op die enkelingen aan te kijken als het nu is om de Gereformeerde Bond te bekladden vanwege de enkeling uit hun midden die de verkeerde keus deed. .
Natuurlijk, prof. Visscher is fout geweest, maar hij is ook altijd een dwarsligger geweest binnen en meestal buiten de Bond. Men had, mijns inziens, al lang van te voren toen hij nog niet politiek fout was, met deze man moeten breken, die een onmogelijke lastpak was. Maar dat is een andere zaak. Wat ik dus zeggen wil, is: de predikanten en de gemeenten van de gereformeerdebondsignatuur hebbén zich in de bezettingstijd niet anders gehouden dan alle andere gemeenten en predikanten. De kerk is niet sterk geweest in het verzet. De prediking was in die dagen meer tijdloos dan stimulerend tot verzet.
Het is èn voor Groenenberg èn voor de confessionelen te hopen dat dit stukje geen aanleiding geeft tot nieuwe beeldvorming, ditmaal met betrekking tot de confessionele vereniging. Overigens zijn we dankbaar voor dit eerlijke geluid, dat poogt mensen en bewegingen recht te doen.
Het bovenstaande illustreert nog eens m.i. welk een geweldige verantwoordelijkheid de programmamakers van de massa-media dragen.-Televisie-voorlichting heeft meer kwaad dan goed gedaan, schrijft Groenenberg. En m.i. geldt dat niet alleen hier.
Voorts laat deze terugblik op het verleden wel zien, hoe groot het gevaar is dat mensen bepaalde demonieën in hun omgeving niet herkennen, en te argeloos zijn. Daarom is de prediking die in de bijbelse zin actueel wil zijn, - wat iets anders is dan gewild-populair of actualistisch - een aangelegen zaak, maar ook een moeilijke opgave. Wij mogen hel Evangelie niet verpolitiseren, dat zien we om ons heen al te dikwijls gebeuren. Maar er is ook het gevaar van een tijdloze prediking, waarin de machten niet gesignaleerd, laat staan ontmaskerd worden.
In de derde plaats denk ik, dat Groenenbergs artikel ons nog weer eens laat zien welke vragen er liggen zodra we nadenken over Gods voorzienigheid, over lijden en straf. Vragen met betrekking tot onze verantwoordelijkheid, onze roeping ook te strijden tegen het kwaad. Dr. H. Jonker heeft in een boekje over de profetie van Jeremia er op gewezen, hoe men soms tot foute conclusies gekomen is uit Jeremia's prediking over de naderende ballingschap als gericht Gods. Als zouden we de duitse terreur deswege moeten billijken. Dan vergeet men dat we maar niet klakkeloos een parallel mogen trekken tussen Juda en Nederland, en bovendien, zo schrijft Jonker, gaan we dan op foutieve wijze politieke doelstellingen met bijbelse gegevens kracht bij zetten. Ook de foute, rechtlijnige conclusies die wel getrokken zijn tussen Jeremia's woorden over de balhngschap en de duitse bezetting betekenen een verpoUtisering van het Evangelie waar we neen tegen moeten zeggen.
De vrouwenhand
Onder dit opschrift haakt Maria de Groot in op een artikel van ir. v. d. Graaf in Trouw naar aanleiding van de zaak-Aantjes. Voor de duidelijkheid geef ik hier het artikel uit Herv. Nederland van 25-11-78 in zijn geheel aan u door. Maria de Groot schrijft het volgende
De algemeen secretaris van de gereformeerde bond in de hervormde kerk, ir. J. van der Graaf, heeft een boekje open gedaan over zijn verleden. Hij deed dat in het kader van de geestelijke achtergrond van iemand anders, over wie al genoeg is geschreven. Ik citeer de secretaris: 'Schuld is schuld, hoogst persoonlijk. Alsik mijn verleden bezie, dan kom ik bij een boom terecht, waarvan een vrouwenhand een verboden vrucht plukte, maar dan kom ik ook bij een paal terecht met een dwarsbalk, waaraan een Man hing, plaatsvervangend.’
Hier zien we het godsdienstig onderdrukkingsmechanisme in optima forma werkzaam. Het is een mechanisme dat zo goed als onbereikbaar is, want
het bevindt zich diep in het verleden van mannen en vrouwen die op godsdienstige gronden nooit hun ogen zullen kunnen afhouden van de plukkende vrouwenhand en de Man aan de dwarsbalk.
Opmerkelijk, dat ir. Van der Graaf spreekt over 'mijn verleden', maar dat niet hijzelf daar een verboden vrucht heeft geplukt, doch de vrouw. Het is de Man met een hoofdletter die deze vrouwelijke zonde weer heeft verzoend en nu kan ir. Van der Graaf vrijuit gaan. Zijn geloof gaaf echter nog steeds ten koste van de vrouwenhand. Vrouwenhanden moeten afblijven van de kerkelijke sacramenten. Vrouwenhanden moeten zich bezig hour den met de dingen die de man voor haar bepaalt. Het liefst zou ik nu een groot vuur willen stoken en daar al die drogbeelden inwerpen, zodat ze eens en voor altijd in vlammen opgaan. Ik zou alle vrouwen van wie nu nog de handen gebonden zijn met godsdienstige koorden, willen bevrijden en met haar om dat vuur willen dansen. We zouden de vrijheid vieren zoals nog nooit in de geschiedenis van mensen de vrijheid gevierd is.
Misschien zou het de bevrijding van vrouwen uit godsdienstige kluisters wel uitermate bespoedigen, als we, in plaats van braaf te theologiseren, een reidans zouden houden door alle kerken heen. Ik zie het voor me: de zwarte pakken van de bondsbroeders bestoven door het stof van onze dansende voeten, de mantel van de kardinaal wapperend in de wind van onze tomeloze geestkracht. De keurige dominees van het midden die zo progressief kunnen praten en zo conservatief kunnen doen, op hol geslagen in hun eigen kerk. En wij maar dansen en zingen, zoals Maria Magdalena gedanst en gezongen heeft toen ze het echt tot zich liet doordringen wie daar haar naam had genoemd in het morgenlicht.
Ik leef op de nieuwe aarde en geen zwartgejaste man met plechtige symbolen en dikke folianten haalt mij weer terug naar de oude. Geen volgzame vrouw ook trouwens. Intussen worden de misleidende beelden van de zondige vrouwenhand en de reddende man nog steeds herhaald en als heilige beelden verkocht. Vrouwelijke theologen hebben allang aangetoond, dat zowel de uitleg van het betreffende Genesisverhaal als de daarop gestoelde dogmatiek getypeerd worden door eenzijdigheid en angst, de mannenkaravaan trekt verder. Reden tot veel optimisme is er voorlopig niet. In kerkelijke kringen mogen het weinig interessante achterhoedegevechten zijn die door vrouwen nog tientallen jaren gevoerd zullen moeten worden, in de maatschappij als geheel is ons nieuwe bed ook nog niet gespreid. Waarom, vraag ik mij af, laten vrouwen haar zusters niet vaker voorgaan in belangrijke zaken? De obligate hoffelijkheid van alle dag waarbij een man voor een vrouw de deur openhoudt, strekt zich immers zelden uit tot belangrijke posten in de maatschappij.
Vrouwen zullen vrouwen moeten gaan voortrekken, want dat voortrekken betekent alleen maar iets meer gerechtigheid. Tot mijn genoegen zag ik, dat in de jury van de P.C. Hooftprijs dit jaar drie vrouwen zaten: Margaretha Ferguson, Annelies Brandenburg en AyaZikken. De prijs is terechtgekomen bij een man, Harry Mulisch, een groot schrijver, daar helpt geen moedertjelief aan. Het gaat om de P.C. Hooftprijs 1977, het jaar waarin Mulisch vijftig jaar is geworden.
Ik zou twee schrijfsters kunnen noemen, die ouder zijn dan Mulisch en van wie het werk, op andere gronden dan dat van Mulisch, belangrijk is. De één is dichteres en heeft een poëtisch oeuvre op haar naam staan dat klassiek genoemd mag worden. De ander is de schrijfster van een groot aantal romans en essays en werd dit jaar zestig. Ik kijk met spanning uit naar de toekenning van de volgende P.C. Hooftprijs.
Ik zou hierbij de volgende opmerkingen willen plaatsen:
1. Maria de Groot leidt uit de woorden over de vrouwenhand en de Man af, dat om die reden de-G.B. zich verzet tegen de vrouw in het ambt enz.
Wie serieus kennis néémt van wat er door de Bond over deze zaak geschreven is, kan dit toch niet volhouden. Het is denkbaar dat men het met onze visie niet eens is. Maar willen we het gesprek zuiver houden, dan zullen we de argumentatie zuiver moeten weergeven en niet moeten werken met insinuerende opmerkingen als: 'Zijn geloof gaat nog nog steeds ten koste van de vrouwenhand... enz.’
2. Wil de schrijfster niet begrijpen, wat Van der Graaf met zijn opmerkingen over schuld en verzoening bedoelt? Of kan zij het niet omdat alle woorden vanuit de feministische theologie geduid worden?
3. Wat bedoelt Maria de Groot met haar opmerking dat de uitleg van het Genesis-verhaal getypeerd wordt door angst en dat de mannenkaravaan verder trekt? Is het niet de dwaasheid gekroond om aan de uitdrukking 'vrouwenhand' te ontlenen dat dus bedoeld zou zijn dat de Man de vrouwelijke zonde verzoend heeft (m.a.w. de zonde zou volgens V. d. Gr. dan op rekening van de vrouw geschreven moeten worden, en de Man van smarten zou deze verzoend hebben)? Op deze wijze wordt de bijbelse prediking van zonde en verzoening in een concurrentieschema man-vrouw geplaatst dat noch door Van der Graaf bedoeld is noch zo in de Schrift voorkomt. Genesis 3 spreekt over de verleiding van de vrouw door de slang. Moeten we dat terwille van een strijdlustige feministische theologie wegwerken en herinterpreteren? Mag de Kerk niet meer spreken in navolging van Jesaja 53 van de Man van smarten en moeten we dat vervangen door vrouwelijke beelden? Komt men zo niet in strijd met wat de Schrift getuigt?
4. Maria Magdalena wordt als kroongetuige aangevoerd omdat haar naam genoemd is in het morgenlicht. Vermoedelijk zinspeelt de schrijfster op Joh. 20. Maar gaat het in de ontmoeting van Christus met deze vrouw om een bevrijding a la het feminisme of om de liefde van Hem Die Zijn volgelingen, mannen en vrouwen, in de ruimte van Zijn heil en vergeving zet? Ik meen: het laatste.
5. Er zit in deze feministische theologie een stuk krampachtigheid en tegelijk wordl het Evangelie hier verwrongen tot een revo'iutionaire bevrijdingsideologie, 't Gevolg is: welk onderwerp men ook aansnijdt, altijd weer wordt de plaats van de vrouw in het geding gebracht. En wie een Bijbelgedeelte als Genesis 1 uitlegt in verband met de zorg voor het milieu en vergeet te spreken over de bevrijding van de vrouw haalt zich de toorn van de feministische theologen op de hals, zoals Hans Bouma in Wending ervaren heeft van de kant van dezelfde Maria de Groot.
6. M.i. bewijzen deze dames hun eigen zaak een slechte dienst en lopen zij gevaar op de duur nauwelijks serieus genomen te worden, door de drammerige manier van schrijven en exegetiseren.
7. Tenslotte: Wij willen gaarne uitspreken dat de Bijbel positiever en rijker spreekt over.positie en taak van de vrouw in en buiten het huwelijk, in samenleving en gezin, dan onder ons vaak gebeurt. Mogelijk hebben we wel eens eenzijdig de ambtsvraag benadrukt en de kwestie van de genadegaven waarin God vrouwen en mannen laat delen verwaarloosd. Maar wie het bijbels getuigenis inzake de vrouw tot zijn recht wil laten komen zal aan de kaders van de Schrift niet mogen voorbijgaan. Dat kader is anders dan dat van de feministische theologie. Vaak krijg ik het gevoel dat men de teksten laat buikspreken om zo het stokpaardje weer te kunnen berijden. Te vrezen is dat men zo verzeilt in de zo beruchte 'kretologie' en kerl< : en theologie een slechte dienst bewijst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's