Zal men ook de jonge kinderen dopen?
(7)
Verwijt van geesteloosheid
Op de grote vraag die ons bezighoudt zeggen dus de Hervormers, de belijdenisgeschriften en de reformatorische liturgie duidelijk 'ja'. Toch klinkt nog steeds hardnekkig het 'neen' daar tegenin. Naast kleinere groepen en individuele gevallen, zijn er geestverwanten van Karl Barth, maar vooral de grote groepen als die van de Baptisten en de Pinksterbeweging. We willen naar hen met belangstelling luisteren, vooral omdat sommige namen uit die kring onder ons een goede klank hebben en hun werken graag gelezen werden (Bunyan, Philpot en Spurgeon). We denken ook aan de E.O. als ontmoetingspunt met mensen, die door de Pinksterbeweging zijn beïnvloed.
Het gemeenschappelijke belangstellingsveld ligt in het werk van de Heilige Geest; de vruchten, die uit dat werk voortvloeien en de gaven, die Hij verleent. Een nevenfacor is het moedige verzet van bepaalde Baptisten in Rusland (de ondergrondse kerk). Dat alles beneemt ons de lust tot scherpslijperij, al zijn er vaak onbillijk kritische geluiden uit bepaalde baptistische of Pinksterkringen jegens de kerk, waarbij ook mannen als Augustinus, Calvijn en de Dordtse vaderen het duchtig moeten ontgelden. Maar hoe verschillend bv. de Baptistengemeenten ook zijn (veelal zijn ze Arminiaans), sedert plm. 1640 zijn zij begonnen in Engeland zich te verzetten tegen de Anglicaanse kerk, die meer 'kerk van Engeland' dan 'kerk van Christus' scheen te willen zijn. Ambt en sacrament, zoals men ze daar waarnam, schenen alleen bij een geesteloze vormendienst te kunnen behoren. De kinderdoop lijfde kritiekloos geslacht na geslacht in bij de gemeenschap der kerk met mooie woorden en gestyleerde vormen. Maar de praktijk van veler leven vloekte daartegen.
Vandaar bij de zgn. Dissenters en o.a. dus bij de Baptisten een zwaar accent op wedergeboorte, bekering en een heilige wandel. Niet alle Dissenters overigens, die met de Anglicaanse kerk braken, verwierpen de kinderdoop. Maar de Baptisten oordeelden, dat het nieuwe leven eerst maar eens openbaar moest worden. En dan kon de doop zulk een mens inlijven in de gemeente en daardoor ook diens geloof bevestigd worden.
Bij de Pinkstergemeenten is er ook de begeerte naar een bewogener en beweeglijker kerkelijk en geestelijk leven dan in de Reformatorische kerken veelal aangetroffen wordt. Zij hunkeren naar een leven, dat zich met duidelijke kentekenen manifesteert. Zij verwijten de kerken, dat deze in de regel geesteloos en daardoor krachteloos zijn, te weinig ook de niet-ambtsdragers tot hun recht laten komen. Dat ze teveel het verstand en te weinig het gevoel laten spreken en dat zij bepaalde Geestesgaven verwaarlozen.
Tegenover een schijnbaar geesteloos gebeuren als het bedienen van de waterdoop aan een kind, dat nog geen bewustzijn heeft van zonde en genade, plaatst men het aannemen van Christus als zijn persoonlijke Zaligmaker en het beoefenen van allerlei toch ook in de Schrift voorkomende gaven en krachten, ook door niet-ambtsdragers.
Is de kinderdoop een geesteloze zaak?
Ik zou ook kunnen vragen: hebben de Reformatoren zo ernstig misgetast, toen zij de radicale, ongeduldige Wederdopers bestreden? En dragen de belijdenisgeschriften uit die bloeitijd der kerk de kwalijke sporen van deze vergissing?
Ik kan niet ontkennen, dat het opnemen van reeksen van geslachten in het geheel der kerk
het gevaar medebrengt, dat zich een brede 'zoom' van onherboren-, vleselijk leven vormt. Zo was het onder Israël. Zo is het ook in de Nieuw-Testamentische gemeente. Maar de schuld daarvan ligt niet daarin, dat het verbond der genade bezegeld wordt tot in vele geslachten. Maar daarin, dat de ouders schromelijk in gebreke blijven hun eigen doop te beleven, en hun kinderen in de betekenis van wat God hun schonk, 'breder te onderwijzen', of dat de kinderen, ofschoon zij van hun privilege wisten, zich afkeerden.
In een kleine brochure, die mij dezer dagen werd toegezonden, werd de kerk verweten met de kinderdoop 'parelen voor de zwijnen te werpen'. Dat kan soms gebeuren. Wanneer bv. de kerk, zonder enige tucht (een geestelijk gebeuren, dat altijd begint met het persoonlijk gebrachte Woord) het genadeverbond bevestigt aan mensen, die zich openlijk als ongelovige en goddeloze mensen aanstellen. De kerk heeft de taak het haar toevertrouwde pand hoog en heilig te houden. Maar zij mag daarom het nageslacht van gelovige en godvrezende ouders 'van het verbond niet uitsluiten', deze kleine kinderen niet buiten de gemeente houden in een soort niemandsland (tussen Christendom en heidendom). Dan ontaardt het accent op persoonlijk geloofsleven (op zichzelf volkomen juist) tot individualisme. Men verliest dan uit het oog:
Ie dat God, zoals reeds eerder is gezegd, de uit de Schepping en voorzienigheid' stammende samenlevingsverbanden niet ongebruikt Iaat. 2e dat het leven der kerk met zijn hoogte-en dieptepunten zich afspeelt op de onveranderlijke bodem van het verbond der genade. Wie binnen de kring van dat verbond het leven mag ontvangen en daarin mag opgroeien is daarmede niet ontslagen van de eis van geloof en bekering. Dat is niet in tegenspraak rhet de zeer positieve bewoordingen, waarin bv. het doopformulier de betekenis van de kinderdoop samenvat. De verantwoording van 'de kinderen des Koninkrijks'(!) is zoveel groter dan die van degenen, 'die buiten zijn' (Col. 4:5). De eersten kunnen 'buitengewórpen worden' (Matth. 8 : 12). Indien ergens dan blijkt ook juist in de gemeente, dat het Evangelie des kruises een reuke des levens ten leven en een reuke des doods ten dode is.
Maar dat mag niet leiden tot een beperking van de lichtkring van het Evangelie. God de Heere wil in Zijn gemeente ons daarmede begeleiden; letterlijk 'van de wieg tot het graf'. Hij legt het van stonde aan naast het jonggeboren leven van de kinderen des verbonds. Hij wil ook in het midden der gemeente Zijn grootzegel voor de (hopelijk) verbaasde ogen van de doopouders aan dat Evangelie bevestigen. Dat veronderstelt niets positiefs in dat jonge leven op zichzelf. Integendeel: het stelt vast, wat ontwijfelbaar zeker is, dat deze kinderen 'kinderen des toorns' zijn, die nodig hebben wedergeboren te worden. De kinderdoop bekrachtigt alleen op een bijzonder sprekende wijze de 'benevolentia Dei' - de welwillendheid Gods jegens ons en onze kinderen. Zo heeft God tot Abraham gesproken: 'Ik zal u tot een God zijn, en u w zaad na u.' Hoewel dat zaad er nog niet eens was! Laat staan zich daarvan bewust was, en daarmee kon instemmen. Heel de verbondssluiting gaat alleen en geheel van God Zelf uit. Hij is de Eerste. Hij is die God, die naar de mens vroeg zelfs eer er een woord van schuldbelijdenis uit diens mond gehoord werd. God heeft die mens eigener beweging de moederbelofte meegegeven op zijn donkere weg in een wereld, die door diezelfde mens vaneen paradijs tot een woestijn van doornen en distels gemaakt was. Het genadeverbond is van huis uit eeüzijdig. Toen en altijd weer.
Genadeverbond en Heilige Geest
Dat God de Heere door de besnijdenis de belofte bekrachtigde, dat Hij het zaad Abrahams 'tot een God wilde zijn', behelsde meer dan alleen maar een assortiment van aardse vleselijke goederen, zoals in reeds genoemd brochuretje werd gezegd, en waarin het 'vleselijke' verbond met Abraham in Gen. 17 werd onderscheiden van het eigenlijke genadeverbond met Abraham in Genesis 12. De besnijdenis zou dan in de lijn liggen van het verbond van de Sinaï. Daarbij zit de schrijver dan wel met Rom. 4:11, waar het teken der besnijdenis in verband gebracht wordt met de rechtvaardigheid des geloofs en daarvan een zegel genoemd wordt. Maar de schrijver redt er zich uit door hiervan een particulier geval te maken, dat alleen Abraham persoonlijk betrof! Maar hoezeer de verbondsbelofte van Gen. 17 geestelijk gevuld is, zij is geen Goddelijke garantie, dat alle besnedenen hoofd voor hoofd God zullen vrezen. Israels historie, de profeten en de psalmisten kennen inderdaad tweeërlei kinderen des verbonds. Er zijn onder Israël godvruchtigen maar ook goddelozen. Zo ook onder ons.
Als ons doopformulier zegt, dat God onze jonge kinderen tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt, ze wast van al hun zonden en bij hen wonen wil, ja dat er zelfs 'een eeuwig verbond der genade met God is', waarop een gedoopte, die uit zwakheid tot grove zonde kwam, mag terugvallen, dan betekent dit alles niet een geruststellend generaal pardon.
Het is er mede als met de ranken aan de wijnstok in de bekende gelijkenis uit Johannes 15. Er zijn ranken die geen vrucht dragen en in het vuur worden geworpen. Toch waren ze aan de wijnstok verbonden. Jezus zegt: 'allerank, die mM//geen vrucht draagt, die neemt Hij weg.' Wij zouden geneigd zijn te zeggen: een niet vruchtdragende rank is nooit in Christus geweest. Maar Jezus zegt: 'zo iemand in Mij niet blijft, die is buitengeworpen.' Dat'kunnen mensen zijn, die als kind gedoopt werden. Maar dat kunnen ook mensen zijn, die volwassen gedoopt werden. De gemeente leeft in het spanningsveld van degenen, die door de kracht van Woord en Geest wel geraakt worden, maar zich op een of andere wijze daartegen verharden; én van degenen, die niet bijna, maar geheel zich gewonnen'geven. , Het formulier peilt de weerstanden in het hart van de mens, die een geboren zondaar is dieper, dan veelal geschiedt bij Baptisten en Pinkstermensen. Heel het formulier schreeuwt juist om de doorwerkende kracht van de Heilige Geest. Deze wil inderdaad bij ons wonen, ons tot lidmaten van Christus heiligen door ons toe te eigenen wat wij in Christus hebben. God geeft Hem immers in de belofte van het Evangelie. Maar dat toeëigenen moet daarom nog wel geschieden! Daarover volgende keer meer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's