De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Opgang uit de hoogte

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Opgang uit de hoogte

9 minuten leestijd

In het rijk der natuur wordt het opgaan van de zon voorafgegaan door het gezang van de vogels. Zo wordt in het rijk der genade de komst van Christus, de Zon der gerechtigheid, aangekondigd door lofzangen. Behalve de engelenzang vermelden de eerste hoofdstukken van het Lukasevangelie de lofzangen van Maria, van Zacharias en van Simeon.

De lofzang van Zacharias is vol van toespelingen op het Oude Testament. De geest van de oude profeten leeft op in de Judese priester, als hij op de naamdag van zijn zoon zijn zolang verstomde mond weer opent om God te loven. De geboorte van Johannes is echter niet Het voornaamste onderwerp, waarover de bejaarde priester-profeet gaat zingen. Christus is de hoofdzaak in dit loflied. Met slechts een paar woorden wordt Johannes ingeschoven, van wie het dan dadelijk weer overgaat op Hem, van Wie Johannes de voorloper zal zijn, namelijk de Zaligmaker Jezus. Deze zal Zijn volk kennis der zaligheid geven. De zaligheid bestaat in de vergeving der zonden door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods. Met deze barmhartigheid bekleed heeft de Opgang uit de hoogte ons bezocht - en zal Hij ons bezoeken - 'om te verschijnen aan degenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods, om onze voeten te richten op de weg des vredes' (Luk. 1 : 77-79).

In deze woorden ligt duidelijk een zinspeling op Jesaja 9:1: Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in hel land van de schaduw des doods, over dezelven zal een licht schijnen.' Duisternis en schaduw des doods. Het licht komt tot mensen, die in zulk een duisternis zijn, dat ze niets weten, niets zien en niets hopen. En in schaduw des doods. De dood staat over ons heengebogen, en al slaat zijn hand nog niet toe, toch valt zijn vale schaduw over ons. Huiver overvalt ons, als we aan het verleden denken, en vrees, wanneer we aan de toekomst denken.

In duisternis gezeten zijn houdt meer .in dan: zich in duisternis bevinden. De mens, die in duisternis gezeten is, gevoelt, dat zijn situatie hopeloos is. Hij onthoudt zich als het ware van alle verdere activiteit en drukt zich plat tegen de grond. Het beeld is ontleend aan een groep verdwaalde en door de nacht overvallen reizigers, die zich als een verkleumde kluwen tegen elkaar drukken. In hun reisdekens gewikkeld wachten ze in doffe gelatenheid het mórgenkrieken af. Vrees voor de afgrond, wilde dieren en vijanden weerhoudt hen verder te gaan. Duisternis is het zinnebeeld van ellende, verdriet, eenzaamheid. Godsvervreemding. Buiten het paradijs op een gevloekte aarde voortreizend op ons levenspad voelen we al gauw, dat we een pak van zorg en smart hebben te dragen. Van nature wil de mens dit weglachen, maar zijn vrolijkheid klinkt als 'het gekraak van doornen onder een pot'. Bij'de wereld is er meer amusement en verstrooiing dan hoop. Over de grootste aardse vrolijkheid van de mens, die geen band heeft met God, blijft er steeds een schaduw van smart hangen. En als een donkere ondertoon, die het gehele muziekstuk blijft doorkliiiken, is er een gevoel van eenzaamheid en leed in elk mensenleven, buiten God.

Het licht is echter voor de rechtvaardigen gezaaid en vrolijkheid voor alle oprechten van hart. In onze duisternis heeft Immanuël ons bezocht. In Jakobs droom te Bethel bleef de Heere bovenaan de ladder staan. De engelengestalten, die verschenen, waren tijdelijk en voorbijgaand. Doch in Christus verbond God Zich met menselijk vlees in een personele unie. Hij kwam neder om hier onze zaligheid uit te werken gedurende een aardse lijdensweg van drieëndertig jaar lang. Wat anders dan een innerlijke beweging der barmhartigheid kon de grote God ertoe brengen om ons van zó nabij te. bezoeken, dat de Tweede Persoon in het Goddelijk Wezen waarlijk onze natuur aannam? 'Hij droeg onze smarten'. Het komt wel voor, dat een koning een bezoek brengt aan zijn onderdanen, maar hij zal er toch niet overpeinzen om hua ellende, armoede, ziekte en leed op zich te nemen. Maar toen de Heere hierheen kwam, kwam Hij in ons vlees met alle gebreken van dien, uitgenomen de zonde. 'Hij heeft onze krankheden op Zich genomen. ' Hij kwam niet in de wereld, terwijl Hij Zichzelf vrijwaarde voor alle gevolgen van onze zonde. Hij kwam niet in de wereld, terwijl Hijzelf een status ophield, die hoger was dan die der gewone stervelingen. Hij girig in in de staat der vernedering, ja in onze staat van schuld, opdat Hij ons ervan zou kunnen verlossen. Hij vernederde Zich zó diep, dat Hij alleen zondaren ontving en rnet hen at, maar, wat misschien nog wonderlijker is, dat Hij zelfs brood at met een Farizeeër. Aan het kruis liet Hij Zichzelf tot een vloek maken voor ons, opdat Hij ons met Zijn zegeningen vervullen zou.

Duisternis is het zinnebeeld van onkunde. Weliswaar kan de mens in de natuurstaat uit de schepselen enige kennis opdoen omtrent het bestaan van een Goddelijk Wezen. Maar men trapt de ladder, waarop men omhoog geklommen is, weer omver. 'Omdat zij God kennende. Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt, maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen, en hun onverstandig hart is verduisterd geworden' (Rom. 1 : 21). Zonder het bezoek van Christus in de Schrift leeft dé mens in onkunde met betrekking tot God, met betrekking tot zichzelf, met betrekking tot de toekomst.

De Opgang uit de hoogte, voortgekornen uit de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, heeft ons in deze staat van onkunde bezocht. In Zijn Woord roept Hij ons, bezoekt Hij ons. De verkondiging van het evangelie in een volk of aan een mens persoonlijk, is een bezoek van Gods barmhartigheid. Elke keer als u naar Gods huis gaat om het Woord te horen, wees er dan verzekerd vari; of u het aanneemt of niet, het koninkrijk Gods is nabij u gekomen. God bezoekt u met innerlijke bewegingen van barmhartigheid. Want Hij vertelt u in Zijn Woord, dat er een weg der behoudenis is, en zegt: 'Dit is de weg, wandel daarin.’

Duisternis is het zinnebeeld van de zonde, van de onheiligheid. In ons hart en om ons heen is alles verduisterd door de zonde. Zelfs al zouden we geen openbare, roepende zonden bedrijven, dan ligt toch de schaduw des doods over ons hart en leven door de meer subtiele, verborgen zonde. Zij is als een mistige nevel, die het veld overdekt en weliswaar wit van kleur is, maar toch het doorbreken van het licht belemmert.

Doch het wonder van de Opgang uit de hoogte is, dat Hij met Zijn Geest zondaarsharten bezoekt en daarin binnenkomt. Hij verandert de koers van het leven en keert onze genegenheid toe naar datgene wat recht is. Hij brengt tot de belijdenis der zonde en het aannemen van Zijn barmhartigheid. Als de Opgang uit de hoogte schijnt Christus met het licht van Zijn Geest in de harten van zondaren, die Hij tot het geloof brengt. Hij komt niet alleen bij hen wonen, maar ook in hen, door Zijn Geest. De inwoning van de Geest van God is niet minder wonderlijk dan de vleeswording van de Zoon van God. De Heilige Geest neemt Zelf geen lichaam aan, maar Hij maakt ons lichaam tot Zijn tempel. En in tijden van geestelijke duisternis ervaren Gods kinderen, dat Hij hen menigmaal op bijzondere wijze bezoekt met het licht van Zijn troost en genade. Hun hoop beschaamt niet, omdat-de liefde Gods in hun harten is uitgestort door de Heilige Geest, Die hun is gegeven.

De Opgang uit de hoogte! Met het woord 'opgang' wordt het opgaan van de zon bedoeld, de dageraad, het aanbreken van de nieuwe dag. Christus zal opgaan als een rijzende zon. Hij is de Zon der gerechtigheid. Bij deze vergelijking van Christus met een opgaande zon zinspeelt Zacharias hier kennelijk op Maleachi 4 : 2: Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan.' In de woorden 'opgang uit de hoogte' ligt een paradox opgesloten. Immers: en opgang uit de laagte, dat verstaan wij. Maar wat is een opgang uit de hoogte? Ziehier het verschil tussen de natuur en de genade. Wanneer in het rijk der natuur de zon opgaat, komt zij als het ware aan de horizon vanuit de diepte naar omhoog. Maar in het rijk der genade daalt de Zon der gerechtigheid van omhoog naar omlaag. En toch blijkt de nedergang een op-

gang te zijn. Want geleidelijk neemt deze Zon' in kracht toe en zal op de volle middag blijven schijnen als op een eeuwige dag. Zij zal nooit meer ondergaan. Wat van beneden is, is uit de aarde aards en zal verdwijnen, hoe snel het ook opgekomen is. Allerlei ideologieën, die tegenwoordig opgeld doen, en het heil van de mens en van de aarde verwachten, zullen blijken ééndagsvliegen te zijn. 'Wat, uit stof is neemt een end, door de tijd die alles schendt.' En door het gericht van God. Maar Gods Koninkrijk is een eeuwig Koninkrijk.

Zonsopgang!, Eigenaardige combinatie van zachtheid en kracht. De bedeling der genade is een andere dan die der wet. Toen God nederdaalde op-de Sinaï met Zijn vurige wet, was Hij omringd van bliksemstralen. Maar met Zijn genade bezoekt Hij ons als een glimlachende morgen, die in zachtmoedige heerlijk­heid de wereld met vreugde overstroomt. Als er een bosbrand uitbreekt, zetten dé dieren het op een lopeti, maar als de zon opgaat, beginnen de vogels te zingen en de hanen te kraaien. Zonder lawaai begint de dag te gloren en het zonlicht neemt geleidelijk toe in kracht, tot uiteindelijk de zonneschijn zelf over de horizon komt gluren. Zó begint de nieuwe dag. Zó kwam de Heere Jezus te Bethlehem.

Maar zie ook de kracht. Weldra staat de zon op de middaghoogte. Het Kindeke in de kribbe zal weldra verschijnen als de Wereldkoning in de heerlijkheid des Vaders. Dit licht is niet uit te meten. Het is oifbeperkt en onbegrensd. De voeten van degenen, die in dit licht mogen wandelen, worden gericht op de weg des vre-, des. 'Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort, Zij wand'len, Heer, in 't licht van 't godd'lijk aanschijn voort' (Ps. 89).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1978

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Opgang uit de hoogte

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1978

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's