De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Christus’ ware mensheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Christus’ ware mensheid

8 minuten leestijd

Strijd

In de geschiedenis der kerk is niet alleen over de godheid van Christus maar ook over zijn ware mensheid menigmaal een harde en felle strijd gevoerd.

Gaat het over het weerspreken of loochenen van Christus' godheid dan zal menigeen een naam-te binnen schieten. Wie hoorde nooit o^QvArius? Deze ketter uit de vierde eeuw na Christus heeft een naam g'ekregen die in elk kerkgeschiedenisboek, hoe beknopt ook, voorkomt. Voor hem was Christus een engelachtig wezen, in elk geval niet de wezensgelijke Zoon dtes Vaders.

Gaat het over het weerspreken of loochenen van de ware mensheid van Christus dan ligt de zaak heel anders. Dan schieten ons niet zornaar namen te binnen. Dan moet men al wat dieper in de kerkgeschiedenis zijn afgedaald wil men zich iets concreets kunnen voorstellen.

Daarom is het misschien wel goed om, vooral zo rond de kerstdagen, daar iets over te schrij­

ven, en tevens aan te tonen welk belang ge-• moeid is ook met het belijden van Christus' mensheid.

Cerinthus

In het begin van de 2e eeuw leefde en werkte in Klein-Azië een zekere Cerinthus. Het was dezelfde tijd waarin ook Polycarpus leefde, een man wiens naam als martelaar algemeen bekend is. Mogelijk heeft ook de apostel Johannes, die oud geworden is, en eveneens in Klein-Azië werkzaam Was, deze Cerinthus nog gekend. In ieder geval, de gedachten, beter gezegd: de dwalingen die Cerinthus erop nahield zijn hem niet onbekend geweest. Daar komen wij straks op terug.

De opvattingen van Cerinthus waren in het kort ongeveer de volgende: De wereld is niet geschapen door de hoogste God maar door een kracht die van Hem is uitgegaan, en die Zich van Hem heeft losgemaakt. Jezus is een natuurlijke zoon van Jozef en Maria; dus niet.

zoals in het Lukasevangelie staat, ontvangen van de Heilige Geest.

Cerinthus maakte scheiding tussen Jezus en Christus. Toen Jezus gedoopt werd in de Jordaan zond de hoogste God 'Christus' naar beneden, die vanaf dat ogenblik Jezus bekwaam maakte om de onbekende God te verkondigen en om wonderen te doen. Vóór het Lijden over Jezus kwam, verliet Christus hem. De mens Jezus stierf en stond op, maar Christus bleef verre van dit lijden.

Deze dwalingen klinken ons vreemd in de oren. Wij kunnen er moeilijk wat anders in zien dan dwaze fantasie.

En toch staan wij voor het feit dat deze en, soortgelijke opvattingen in de eerste eeuwen van de geschiedenis van de Christelijke kerk bij hele massa's ingang hebben gevonden. En in allerlei verschillende vorihen zijn zij ook nadien in de geschiedenis der kerk steeds weer opgedoken.

Johannes

Er zijn kerkvaders geweest die beweerd hebben dat Johannes zijn Evangelie en zijn Brieven geschreven heeft met het oog op Cerinthus en zijn dwalingen. Naar alle waarschijnlijkheid gaat deze veronderstelling te ver, maar ook al zou, in het andere uiterste geval, Johannes zelfs dé naam van Cerinthus nooit hebben gehoord, de ideeën die deze man verkondigd heeft waren er ook vóór hem en zónder hem; zij waren voor een deel gemeengoed in die tijd.

Dualisme

Wat zit er dan achter deze dwalingen? Het volgende: In de eerste plaats, de begeerte om hemel en aarde, God en het schepsel zo ver mogelijk van elkaar verwijderd te houden. Daarom sprak men in de kringen van Cerinthus over de 'hoogste God'. Men wilde er niet aan dat deze lage aarde, anders gezegd dat het stoffelijke het werk zou zijn van Hem die men wilde eren als de Allerhoogste. Zeer kritisch stond men in deze kringen tegenover het Oude Testament, dat ons immers verhaalt dat deze wereld het scheppingswerk van God is. Men verachtte het stoffelijke, het lichamelijke, het geschapene. Men trok zich terug op het geestelijke, het hogere, het innerlijke. Menigmaal ging men in deze of aanverwante kringen ervan uit dat er in de mens nog iets van het hogere, van het hemelse, van het edele, van het goddelijke is overgebleven. Verlossing is in dit geval dat dat edele, dat goddelijke 'bevrijd' wordt, dat wil zeggen: losgemaakt uit de kerker van het lichaam. Soms meent men daar zelfs geen Christus, geen Middelaar voor nodig te hebben. En ook wanneer wel een Christus aanvaard wordt, dan is Hij een Hemelwezen dat zich tijdelijk met Jezus van Nazareth verenigd heeft, maar is blijven staan buiten het stoffelijke, en dus.ook buiten het lijden.

In de mystiek komt men deze opvatting ook in later tijden meer dan eens tegen. Wij denken aan de bekende mysticus Eckhardt, die sprak van een goddelijke 'zielevonk' die in de mens is en verlost moet worden, en ook kan verlost worden, te weten uit de kerker van het lichaam,

Er is in deze opvatting een sterke tegenstelling dus tussen het stoffelijke en het geestelijke, tussen het innerlijke en het uiterlijke, tussen het vergankelijke en het onvergankelijke.'

In de tweede plaats zit achter deze dwaling, dat men niet beseft dat zonde en schuld de oorzaak van al onze menselijke ellendezijn en niet onze vergankelijkheid op zichzelf genomen. Dat wij moeten sterven is een gevolg van

deze zonde. Cerinthus heeft Jezus geen andere eer kunnen bewijzen dan die van een goed Meester, een verkondiger van de hoogste God, maar niet als de Brenger van het heil. Er was aan de Jezus van Cerinthus nauwelijks iets opvallends, en zeker niet iets goddelijks. Op het kritieke ogenblik, nl. toen het lijden over hem kwam, was hij van Christus verlaten, en stierf hij als een gewoon mens, gelijk hij ook als een gewoon mens uit Maria geboren was.

Jezus en Christus

De mensheid is door Cerinthus gereserveerd voor Jezus, de godheid voor Christus. En in de tijd tussen Jezus' doop en zijn lijden was er een Jezus die 'bekleed' was met Christus, anders gezegd: die noch God noch mens was. En dat laatste vooral is hier het opvallende. Aan de mensheid van Christus is door Cerinthus evenzeer tekort gedaan als aan zijn godheid, Jezus Christus was bij hem noch waarachtig God noch waarachtig mens.

Het is geen wonder dat de kerkvaders, en mogelijk zelfs al de apostel Johannes, in deze Cerinthus een zeer gevaarlijk man hebben gezien, en in ieder geval zijn dwalingen, die zoals wij al opmerkten, in allerlei vorm gemeengoed waren in die dagen, hebben gezien als ernstige ketterijen, die het bestaan zelf van de kerk bedreigden.

Gevaren

En toch zijn deze dwalingen nog niet uitgestorven, ook al zal niemand nog de oude Cerinthus geheel voor zijn rekening willen nemen.

Stel eens dat deze dwalingen zich in heel de kerk zouden hebben doorgezet. Het christendom zou ontaard zijn in een wonderlijke, grillige vorm van religiositeit. Haar leer, haar ambten, haar instellingen, ja zelfs haar Schrift zou zij na verloop van tijd hebben losgelaten. Zij zou een Jezus hebben overgehouden met wie zij niets beginnen kon, dan alleen hem navolgen in zijn goed leven. Haar 'Christus' zou zich opgelost hebben in ijdele bespiegeling. Zij zou misschien diepzinnig hebben kunnen spreken over 's mensen vergankelijkheid, en over de pogingen die dè mens moet ondernemen om zichzelf, wat zijn innerlijk leven betreft, daaruit te bevrijden, maar zij zou geen antwoord hebben kunnen geven op de allerdiepste vraag die er is, die naar een genadig God voor een schuldig zondaar en een schuldige zondares.

’t Woord werd vlees

Door Gods genade is de kerk gered, toen zij hier en daar in de oude wereld overhelde tot de dwalingen van die tijd. Zij kon het Oude Testament niet loslaten. Zij kon niet loslaten wat geschreven staat, nl.'dat het Woord vléés is geworden. Neen, Christus had niet slechts een schijnlichaam, maar een waar lichaam. Hij was volkomen en waarachtig mens. Daarmee staat de werkelijkheid van onze verlossing op het spel.

Met alleen maar een hemelachtig wezen waren wij niet gered. Hij moest afdalen in de diepste diepten van ons menselijk bestaan hier op aarde. Het vlees waarin wij gezondigd hebben, moest Hij aannemen.

En-Hij heeft het ook gedaan. Dat is de christelijke jubel van het Kerstfeest. Niets menselijks was Hem vreemd. Wij kunnen Hem niet menselijk genoeg ons voorstellen als wij denken aan zijn geboorte en zijn liggen in de kribbe. En tegelijk kunnen wij ons Hem niet goddelijk genoeg voorstellen. Het geheimenis aan Christus is dat Hij beide is: God en mens. En dat Hij beide volkomen en waarachtig is.

Allerlei woorden van Johannes, en dan denken wij vooral aan zijn Brieven, zullen ons des te treffender in de oren khnken nu wij iets weten van de dwaling van Cerinthus. Wij noemen er hier een paar: 'Alle geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God; en alle geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van de antichrist, welke geest gij gehoord hebt, dat hij komen zal, ert hij is nu reeds in de wereld' (1 Joh. 4, 2-3). 'Want er zijn vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Deze is de verleider en de antichrist' (2 Joh. 7). Wij besluiten met wat Johannes daarop laat volgen: 'Ziet toe voor uzelf, dat wij niet verliezen hetgeen wij gearbeid hebben, maar een vol loon mogen ontvangen' (2 Joh. 8).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1978

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Christus’ ware mensheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1978

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's