Het Magnificat: alsem of balsem?
De lofzang van Maria
Maria's lofzang - of: Magnificat, naar het eerste woord van de Latijnse tekst - wordt nogal eens geannexeerd door een maatschappij-kritische theologie. Bepaalde klanken in deze eerste N.T.-ische psalm zullen daar aanleiding toe geven. Te denken valt aan de tegenstelling machtigen-nederigen, en hongerigen-rijken. Voor wie door de huidige neo-marxistische indoctrinatie is beneveld, zijn deze tonen al voldoende om Maria's lied tot een rood manifest te dopen in de strijd van het proletariaat tegen de gevestigde orde. Men kan echter eigen politieke stellingnanie wel willen aflezen in de Bijbel, maar het moet ook kunnen! 't Gaat toch niet aan om de Heilige Schrift naar je hand te zetten, zó grof en forcerend zoals iemand zich dat met de eerste de beste tekst van een klassieke schrijver niet permitteert. Niemand heeft het recht om deze Lofzang te verklaren vanuit buiten-bijbelse vooronderstellingen. Wat Hgt er ter verklaring nu meer voor de hand dan de bijbelse context van Lukas alsook dié O.T.-ische passages waarin Maria's psalm zo gedrenkt is, t.w. Hanna's lofzang en de Psalmen! Wie zo luistert, klinkt Maria's lied heel anders in de oren. Van de alsem van oproerig geweld valt niets te bespeuren, 't Is veeleer balsem van verwonderd geloof. Op een drietal facetten wil ik wijzen.
Maria’a aanhankelijkheid
De toon heeft niets van een ophitsend strijdlied. Zeker, Maria's stem khnkt uitbundig.
Maar binnen de grenzen der ingetogenheid. Hier treffen wij het innige karakter van de bijbelse lofpsalmen. Zij ademen een geest van aanhankelijkheid en zijn van een eigen spiritualiteit. Zij ruien niet de massa's op de markten op, maar klinken omhoog vanuit de kleine ruimte van de enkelvoudige ziel, eventueel gemeenschappelijk binnen het schutsgebied van de tempelwanden... Niet wereldschokkend, maar met een draagkracht die de hemel beweegt. Men moet het commentaar van Luther en de cantate van Bach op het Magnificat maar horen, om de unieke verstrengeling van opgetogenheid en ingetogenheid te ondergaan.
Waaf klonk Maria's loflied eigenlijk? Het ligt in de rede, te denken aan Elizabeths woning. Nog maar net is Elizabeth uitgezegend en gezongen, of in één adem en in dezelfde Geest neemt Maria het woord. Zij zoekt niet de troebele publiciteit. Zij zingt voor de Heere. In huiselijke intifniteit en vrouwelijke tweezaamheid. Geen tempelgangers, geen tempelzangers zijn aanwezig. Alleen Elizabeth, de met de Heilige Geest vervulde. En Maria, de met Gods Heilige vervulde. En zij beiden* hangen de Heere aan. Hier past het ons eerbiedig toe te luisteren met het oor tegen het venster van dit vrouwenvertrek.
Ontvankelijkheid
Heel Maria's blijdschap is geconcentreerd rond één middelpunt: God, haar Zaligmaker. Zij werpt zich niet op als partijganger der misdeelden, propageert geen omwenteling van politieke verhoudingen. Haar lied stijgt óp. Haar ziel prijst Gód. Waar is zijzelf? Zij gaat schuil achter (de lofzegging van) God. Dat correspondeert met haar belijdenis: 'Zie, de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord'. Zó iemand kan geen eigen lof meer zingen. Wat had zij ook bijgedragen aan de ontvangenis van-Cod de Zoon? Luther: 'Zij is van zulk een Gast niet meer dan een vriendelijk herberg en gewillige gastvrouw geweest'. Zij ontvangt! Dit ontvankelijk geloof maakt haar groot in bescheidenheid en vergrendelt de poort van haar ziel voor de hoogmoed. Zij verblijdt zich in God, niet slechts in haar uitgelezen lot. Dat is, oordeelt.Luther, de echte bruid van Christus, die tot Hem zegt: Ik wil niet maar het Uwe, ik wil Uzelf hebben. Gij zijt mij niet dierbaarder omdat 't mij goed gaat en niet minder dierbaar als 't mij slecht gaat. Geen zweem van eigenmachtig zelfbewustzijn dat zich laat gelden en omhoog werkt. Maria is laag. God is hoog. Hij alleen. Maar Hij zag op haar neer, niet óm haar nederigheid. Alsof haar ootmoed de magnetische kwaliteit was die Gods blikken wel binden moest. Nee. God vond Maria niet als verkieslijk boven de rest. God verkiest niet het verkieslijke, maar wat verwerpelijk is als de rest!
Maatschappelijk kon zij zich niet meten met de dochters van de voorname priesters en raadsheren uit Jeruzalem. Kerkelijk kon zij niet wedijveren met de aanzienlijke vromen van die dagen. Maria is alleen maar onbeduidend. En dat heeft God op 't oog. Zo is de aard van Gods verkiezen (Deut. 7:7!). Er zou immers een rijsje voortkomen uit Ae afgehouwen tronk van Isaï. Maria moge dan afstammen van Isaï's zoon David, heel het Davidische huis was tot een dood blokhout verdord. Er valt niet te roemen dan in de Heere. Roem in haar laagheid of beroep op haar armoe past wel 't allerminst! 'Juist de allerhoogmoedigste beroemt zich op de deemoed. Maar God alleen kent de deemoed... Zodat een mens nooit minder besef heeft van deemoed dan wanneer hij echt deemoedig is... De ware deemoed is zo'n teer en kostbaar bezit dat zij haar eigen aanblik niet verdragen kan...' (Luther). De deemoed is bedelares, die roemt in wat zij ontvangt.
Het zwaartepunt moeten we dus bepaald niet leggen in Maria's nederigheid, '.maar in het wonder van Gods nederzien. Nergens las ik daar verrassender over dan bij Luther: 'Omdat God de allerhoogste is en niets boven Hem bestaat, kan Hij niet omhoog zien, - ook niet om zich heen, want niemand is Hem gelijk. Daarom moet Hij wel naar zichzelf én naar beneden zien. En naarmate nu iemand onder
Hem zich meer in de diepte bevindt, ziet God hem beter’.
Daarom spreken wij Maria zalig. Niet vanwege haar deemoed of haar bezitloze staat. Maar omdat de verkiezende God op haar neerzag en om wat Hij aan haar. gaf. Zodat zij moeder des Heeren mocht zijn. Zalig die geloofd heeft en ontvangen (Lukas 1 : 45).
Afhankelijkheid
Geen spoor van activistische' dadendrang of protest. Er moet niets. God doet. God deed. Dat neemt ze waar met de gelovige blik van de profetie. Niet dat zij daarvan met het blote oog iets ziet. Zij heeft de Zaligmaker nog niet in haar armen. Verhuld ligt de vervulde belofte nog in het onzichtbare donker van' haar moederschoot. Maar in het geloof - niet met geweld-grijpt zij op de vervulling vooruit: God deed...
Wat deed de Heere dan? Dat gaat alle menselijke bevrijdings-beweging te boven. Hij was gedachtig aan zijn barmhartigheid! Dat is: aan de onverzettelijke trouw van zijn belofte. Zo ergens de alleenwerkzaamheid van God bezongen wordt, dan hier. Israël is geen partner. Maria geen medewerkster. Het herhaalde woord 'barmhartigheid' (tWee brandpunten, in de verzen 50 en 54) is omrankt van een tienvoudig Hij: Hij, Hij en nog eens Hij... De monotonie der genadige afhankelijkheid!
Waaruit blijkt nu Gods barmhartigheid? Ongetwijfeld in de schenking van zijn Zoon (vs. 49). Zó is God Zaligmaker. Zó bevrijdt Hij. Deze unieke verlossing maakt alle pseudoverlossing té schande. De hoogmoedigen worden immers verstrooid in de gedachten van hun hart. In het volgende hoofdstuk lezen wij soortgelijks uit Simeons niond: 'Deze wordt gezet tot... een teken dat wedersproken zal worden, opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden'. Machtigen worden onttroond, rijken ontledigd. Ook Hanna zong daar eenmaal van: De boog der sterken is gebroken..., de goddelozen zullen zwijgen... Wij behoeven in 't geheel niet te gissen, wie toch wel met deze machtige rijken zijn bedoeld. De Bijbel is daar erg duidelijk in. Het zijn allen, die niet van genade afhangen. Die niet van het gegeef leven. Goddelozen noemt Hanna ze. Hoogmoedigen heten ze bij Maria. Tegensprekers, zegt Simeon. Het zijn de waanwijze Godsrijkbouwers, wier beginsel niet het Woord is, maar de daad: ^Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen en een toren, welks opperste in de hemel zij en laat ons een naam voor ons maken...' (Gen. 11). Deze mensheid 'wil en kan niet langer geduldig wachten op de vervulling van de belofte... Zij verklaart dat als lijdelijkheid, als gelatenheid. Zij wil de geschiedenis in haar eigen handen nemen en zelf ombouwen tot heil. Zij wil zichzelf verlossen. De toekomst van het Godsrijk dwingen en forceren'. (W. Aalders). Het zijn de mondigen die met'befde benen op de aarde staan i.p.v. met beide armen aan de hemel hangen.
Dan weten we ook wie de nederigen en de hongerigen zijn. Het zijn dé geringen en nooddruftigen (Ps. 113), de struikelende gunstgenoten (1 Sam. 2), de ellgndigen en armen die niet zich een naam maken maar zich bergen in De Naam (Zef. 3); het is het onedele, verachte en hetgeen niets is... (1 Kor. 1). Zij hangen meer dan dat ze staan!
Hoe laag liggen deze nederigen? Zij weten het zelf niet te peilen. Maar zij geloven dat God het peilde. Hij bukte en nam zijn Israël op, door Christus in hun afgrond neer te leggen... Wat zij weten is: van Hem hangt alles af.
Hoe hongerig zijn deze anneri^Zij kunnen hun honger wegen noch stillen. Maar zij geloven dat God het beide vermocht. Ons brood ligt in het Brood-Huis. Straks deelt Hij zich uit: Neemt, eet... Met goederen vervuld! Goederen? De Goede! Onze spijs is Hij, wiens spijs het was te doen de wil van Hem die Hem gezonden had en Zijn werk te volbrengen... Zijn volbrengen. Zijn 'Volbracht' is ons genoegzaam. Nu is het Koninkrijk geworden van onze God en de macht van Zijn Christus (Openb. 12). Hier valt niets aan toe te voegen, 't Voegt ons alleen in tere afhankelijkheid tot Hem uit te gaan, zijn smaadheid dragend, en mét Maria het lofoffer te zingen: Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; Ik zal mij in de Heere verblijden. Dezondaars zullen van de aarde verdaan worden en de goddelozen niet meer zijn. Loof de Heere mijn ziel. Halleluja' (Ps. 104).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's