Uit de pers
Vrede in het Midden-Oosten?
De onderhandelingen inzake de vrede in het Midden-Oosten slepen zich nog steeds voort. De zaak ligt niet eenvoudig. Niet alleen Egypte en Israël zijn er bij betrokken, maar ook Jordanië en de Palestijnen. Met name de regeling voor de Westbank geeft problemen. Zo schrijft mr. R. A. Levisson in het maandblad Israël van november:
Voor Egypte gaat het erom, dat het steeds heeft gezegd geen afzonderlijk vredesverdrag met Israël te sluiten, maar een verdrag, dat tevens de basis legt voor een algehele regeling in het Midden-Oosten. Als de verwijzing naar een verdergaande regeling dan met Egypte alleen niet in de tekst van het verdrag komt te staan, verliest Egypte op dit stuk nóg meer geloofwaardigheid onder zijn arabische broeders. Dan zullen dezen allemaal roepen, dat Egypte 'arabische rechten heeft verkocht om zijn eigen gebied terug te krijgen'.
Voor Israël ligt de zaak bepaald ook niet gemakkelijk. Met de beste wil kan niemand volhouden, dat Egypte voor Israël de gesprekspartner is om over de Westoever te onderhandelen. Alles wat Israël nu met Egypte terzake afspreekt, moet het straks misschien (en dan zonder enige garantie van succes) opnieuw met Jordanië en de Palestijnen gaan bespreken. Bovendien liggen op dit gebied nu net de meest gevoelige problemen: Jeruzalem-nederzettingen - joodse historische rechten - onverdedigbare grenzen - enz. Als Israël zou moeten ondervinden, dat er met Jordanië en de Palestijnen niet tot een regeling is te komen en als de verplichting om tot zo'n regeling te komen vast zou liggen in het vredesverdrag met Egypte, dan zou de kans bestaan, dat daardoor het hele verdrag met Egypte op losse schroeven komt te staan. Dan zou Israël én geen vrede én geen Sinaï hebben.
Beide partijen schijnen nu met de hulp van Amerika naarstig naar een oplossing te zoeken. Daarbij zal de nadruk wel moeten vallen op de praktische maatregelen, die straks op de Westoever en in de Strook van Gaza moeten worden genomen.
Hier dreigt echter een ander struikelblok te voorschijn te komen. Jordanië's weigering om aan de onderhandelingen deel te nemen, het felle verzet van de PLO tegen de accoorden van Camp David en de traditionele passiviteit van de bewoners van de Westbank hebben een situatie geschapen, waardoor men niet kan verwachten, dat er zelfs met de beste bedoelingen op de Westoever en in Gaza veel tot stand gebracht kan worden. In dit verband doemen geruchten op, dat Sadat in maart van dit jaar in een van zijn gesprekken met Weizmann zou hebben gezegd, dat Egypte dan zelf de onderhandelingen over de Westoever voeren zou en bereid zou zijn eigen functionarissen in overheid en politie daar te stationeren. Zo kan men ook in Cairo wel horen, dat het jammer is, dat Egypte niet in de afgelopen maanden een nauw contact met Hoessein en de Palestijnen heeft onderhouden. Hoe , dit alles moet aflopen, is voorshands niet duidelijk. Wél duidelijk is, dat beide partijen nog steeds vrede willen. Dat zij daarbij allebei hard onderhandelen om de best mogelijke resultaten in de wacht te slepen, ligt wel voor de hand.
Hoe moeilijk de problemen ook liggen, het lijkt me toe dat men achter de accoorden van Camp David niet terug kan en dat er dan toch een wending is ingetreden in die zin dat een vredesregeling voor het Midden-Oosten mogelijk wordt. Maar wat zou dat voor consequenties geven? In Woord en Dienst van 25 november gaat rfr. S. Gerssen op die vraagin:
Wat Israël betreft: de positie van dit land is sterk bepaald door het gevoel voortdurend bedreigd te zijn en in een isolement te verkeren. Het zwaarte-
punt van de aandacht is dan ook meer en meer komen te liggen op de vraag van het overleven. Ook voor de christenheid speelt de conflictsituatie een grote rol: welke pohtieke conclusies trek je uit de verbondenheid met het joodse volk en hoe stel je je op in het conflict tussen Israëli's en Palestijnen? Een polarisering van de standpunten was vaak nauwelijks te vermijden. Als het vrede zou worden zouden deze probleemstellingen veel van hun gewicht verliezen en zou er in elk geval een andere motivering nodig zijn om zich met de joodse staat verbonden te voelen. Voor Israël zou de vrede in elk geval een ingrijpende verandering betekenen. Men zou kunnen zeggen: het zionistisch experiment zou dan pas goed beginnen. Wat dat inhoudt kan ik in dit korte bestek nauwelijks uit de doeken doen. Zekpr is dat in deze eeuw het joodse volk een geestelijke revolutie ondergaat en ook, dat men nog nauwelijks een antwoord op deze gigantische uitdaging heeft gevonden. Met name in Israël is dat antwoord uitgesteld door een veelheid van externe problemen en buiten Israël is het verdrongen door de noodzaak daadwerkelijk het voortbestaan van de joodse staat te garanderen. Als men de huidige staat Israël een zionistische staat noemt maakt men zich schuldig aan overdrijving: men kan eerder zeggen, dat de staat Israël aan de realisering van het zionistische ideaal nog maar nauwelijks is toegekomen. Daaroni zal een Israël dat in vrede leeft een ander Israël zijn dan het huidige alleen zonder oorlogsdreiging. Als de vrede intreedt beginnen de problemen voor Israël pas goed. Dan wordt de vraag immers onontkoombaar: wat houdt het in om een joodse staat te vestigen? Het antwoordt op die vraag }igt niet zomaar gereed: daar zal om geworsteld moeten worden. Men kan zich die worsteling niet realistisch genoeg voorstellen. Ik zou mij kunnen indenken dat sommige joden hun hart vasthouden als zij denken aan een Israël in vrede: de meningen zullen dan nog feller tegenover elkaar staan dan toen het ging om veiligheidsproblemen.
En wat betekent een vredesregeling voor het Midden-Oosten voor de christenheid. Dr. Gerssen meent dat we dan inzake het gesprek met Israël een nieuwe fase intreden, en dat een nieuwe verhouding voor de deur staat. Voor hen die over de relatie tot Israël nadenken in het perspectief van de strijd van de eindtijd schept dat eigensoortige problemen:
Sommigen van ons hebben Israël zozeer gezien in het kader van de naderende eindtijd en eindstrijd, dat zij door opdoemende vredeskansen nogal wat in verwarring raken. Een Israël, dat in vrede met zijn buren leeft past niet in het scenario van de eindtijd; beschouwingen over een zich steeds meer toespitsend conflict in het Midden-Oosten als het voorspel van de wederkomst van Christus worden erdoor ondergraven.
Velen hebben hun verbondenheid met het joodse volk bijna uitsluitend tot uitdrukking gebracht in een krachtige support voor de belangen van de staat Israël en in een heftige verontwaardiging over het wangedrag van de vijanden ervan. Zal als het werkelijk vrede wordt blijken, dat daar nog diepere dingen achter zaten, namelijk een verbondenheid met wat ons in en met het joodse volk geschonken is, de betrokkenheid op dit volk als de partner in de verwachting van de toekomst des Heren en de noodzakelijke tegenspreker, opdat de christenheid niet van de waarheid Gods vervreemden zou. Of is men aan dit alles en nog zoveel meer, dat in het mysterie van het joodse volk temidden van de volkeren besloten ligt in alle actieve solidariteit nog nauwelijks toegekomen?
De dag waarop het vredesaccoord gesloten wordt zou wel eens voor de joden en nog veel meer voor de christenen het uur der waarheid kunnen zijn. Als het vrede wordt in het Midden-Oosten breken er boeiende tijden aan. Het jodendom krijgt dan de kans om de rijke oogst van het zionisme binnen te halen. En het christendom krijgt de gelegenheid om het echte jodendom als factor in de geschiedenis te leren kennen en zich open te stellen voor uitdagingen en verrassingen, die de God van Israël nog voor ons in petto heeft.
Met Gerssen ben ik van mening dat vrede in het Midden-Oosten aan velen die Israël steunen vanuit betuigingen van sympathie voor het verdrukte volk, en voor het overige nauwelijks willen weten van verbondenheid, een problematische zaak zal blijken. Denken we in de lijn van Romeinen 9-11 dan is de verboncleriheid theologisch van aard: e God van Israël is de God en Vader van Jezus Christus. En de apostel Paulus kan, wetend van het geheim der vervulling toch spreken van de voorrechten aan Israël geschonken (Rom. 9 : 4, 5). Toch bergt de uitdrukking 'partner in de verwachting van de toekomst des Heren' een probleem in zich. De toekomst die de christelijke kerk verwacht is toch de toekomst van de Gekomene. En de verwachting grondt zich op wat geschied is in kruis en opstanding. Dat geeft aan het conflict tussen kerk en synagoge zijn scherpte. Van welke aard is dat partnerschap, als wij niet alleen luisteren naar Rom. 9-11, maar ook het geheel van de Romeinenbrief erin betrekken en niet te vergeten de passages over het woord van het Kruis, dat de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid is.
Zeker, de kerk heeft Israël nodig om niet van de waarheid Gods te vervreemden, en bovenal om het heimwee naar de verlossing niet kwijt te raken. Heeft Israël ook het getuigenis van de kerk inzake kruis en opstanding nodig? Vanuit het centrale van het christelijk belijden • kunnen we niet anders zeggen dan: a. Maar of Israël in haar verstaan van zichzelf dat 'ja' mee zal spreken? Gerssen spreekt in zijn laatste zin over de verrassingen van de God van Israël. Dat is het eerste en het laatste waar we in de bezinning op Israël op moeten terugvallen. Ik schrijf dit in de adventstijd, waarop de Advents beloften ons spreken van Hem Die plaats neemt op de troon van David (Luc. 1 : 32). Wetend van die beloften mogen we inderdaad grote dingen verwachten. Lof zij de God van Israël!
De opvolging van prof. dr. K. Strijd
U hebt ook in dit blad kunnen lezen de verslagen inzake het synodedebat over de opvolging van prof. dr. K. Strijd waarbij met name dr. G. H. ter Schegget in het geding is, zodat velen spreken van de kwestie-Ter Schegget. Verwijten klinken over en weer. In een artikel in Folia Ciyitatis wordt door enkele scribenten de klacht geuit dat de faculteit de in de Gedragslijn aan de commissie Theol. Wetenschappelijk Onderzoek toegekende rechten negeert en op deze wijze voor buitenfacultaire instanties een onbetrouwbare gesprekspartner wordt. In het Herv. Weekblad van 30 november schrijft pro/, dr. G. P. van Itterzon onder het opschrift Pressiegroep het volgende:
1. Het heeft ons bevreemd, dat in diverse persberichten niet 'de vacature voor kerkelijk hoogleraar in de vacature prof. K. Strijd' stond, maar 'de kwestie-Ter Schegget'. Sinds wanneer is het gewoonte om, als er een vacature moet worden vervuld en de heer X. niet is voorgedragen of verkozen, ineens te gaan spreken over: 'de kwestie Dr. X.? '
2. Is het behoorlijk om protestvergaderingen te beleggen om bepaalde personen verkozen of benoemd te krijgen en is het gebruik, dat zo iemand daar dan zelf aanwezig is, het woord voert of namens zichzelf het woord laat voeren?
3. Liggen de zaken tussen Amsterdam en de synode inderdaad zoals het artikel in Folia Civitatis ze ons voorstelt? Zo ja, waarom houden we ons dan niet aan de afgesproken regels en wordt de procedure, zoals die behoorde te worden gevolgd, met voeten getreden?
4. Waarom liet het synodaal moderamen of zijn praeses toe, dat iemand van buiten de synode het woord voerde over een zaak, die geen punt van de agenda was? Juist als er spanningen zijn, behoort ook een moderamen zich aan de vaste orde te houden. Als er sprake is (zoals de praeses zelf zei) van 'een ernstig afwijken van de geschikte procedure' , waarom week men dan toch 'ernstig' af? Het excuus 'toestaan bij wijze van hoge uitzondering' is moeilijk houdbaar. Bij elke volgende gelegenheid kan men zich op dit antecedent beroepen. Men had lering kunnen trekken uit wat kort geleden in de Tweede Kamer gebeurde. Toen zat iemand, die veel over de tong ging, voor iedereen zichtbaar op de publieke tribune, maar aan de discussie mocht hij niet deelnemen. Zulk een dwaze gedachte kwam bij niemand op. Waarom deed de kerk wel zo iets vreemds? Alleen vanwege de emotie op de tribune? Blijkens het resultaat is dit 'toestaan bij wijze van hoge uitzondering' onze synode en kerk duur te staan gekomen.
5. De emoties gingen hoog. Hysterisch gillen. Een tranenrijk betoog (men heeft het zelf via de radio kunnen horen). Een niet-üd der synode, dus iemand van de tribune, die tweemaal zwaar vloekte. Om van de rest maar te zwijgen. Het was zelfs een predikant. Om zich voor te schamen.
6. Dat het in wezen ging om de relatie tussen dogmatiek en ethiek wil er natuurlijk bij niemand in. De verhouding tussen die theologische vakken kan nooit een ooizaak zijn, waardoor de gemoederen zich zo zouden laten opzwepen. Wie zou de hoogleraren in de dogmatiek willen beletten colleges in de ethiek te geven? Als de Amsterdamse dogmaticus dat zou doen, behoefde er niet eens een collega voor de ethiek te worden benoemd! Wat ons betreft, mag hij zijn gang gaan. En welke waarde heeft zo'n protest inzake een gebrekkige relatie tussen dogmatiek en ethiek, als men zelf voor een afzonderlijk, van de dogmatiek gescheiden, professoraat in de ethiek met bewogenheid opkomt?
7. Het i s geen geringe aanklacht, die een kerkelijk hoogleraar tegen het moderamen inbracht. Het Persbureau onzer Kerk meldt: 'Waarom moet hier zoveel ellende om zijn? Mensen worden vernield, het onderwijs in Amsterdam wordt verpest. Doe er in Godsnaam wat aan!' Als het er in Amsterdam zo slecht voorstaat, zou men haast vragen om de kerkelijke opleiding aan een universiteit, waar het onderwijs wordt verpest, maar op te heffen. Waarom zouden we het dan niet liever naar de Vrije Universiteit proberen over te brengen?
8. Als mensen 'worden vernield', zouden actievoeders van de pressiegroep zich toch eens eerlijk moeten afvragen, of zij aan die vernieling geen werkzaam aandeel hebben gehad.
9. Als we in de kerk het moeten hebben van pressiegroepen en hun 'rumoer', moeten we even opletten . In de bezettingstijd zuchtten we onder dictatuur en terreur. We moeten onder dat juk niet opnieuw door. Ik hoop, dat de leden van de pressiegroep (ik denk niet alleen aan studenten!) het eens zullen zijn, dat het afgebakende overleg, zoals dat tussen Amsterdam en de synode is overeengekomen, moet worden voortgezet. Tussen de instanties, die van beide zijden hiervoor zijn aangewezen. Zonder dat de een de ander wil uitschakelen of gelijkschakelen. Met dwangmiddelen komen we er met elkaar nooit uit. Dan kan de zaak nog lange tijd slepen. En niemand kan toch in goeden gemoede wensen, dat de kerk zich andermaal door de andere partij laat pressen tot een benoeming (van wie dan ook), die ze in geen geval wil.
Het trieste en kwalijke in deze affaire is dat juist zij die zode mond vol hebben van gerechtigheid en rechtvaardigheid, democratie en gelijkheid met het geweld van een pressiegroep optreden. Het moet toch te denken geven dat men met zulke middelen die elk redelijk overleg bijna onmogelijk maken, optreedt ten gunste van de favoriete kandidaat. Of is een dergelijk optreden een uitvloeisel van de theologische modaliteit die men voorstaat? In dat geval is vurig te hopen dat de synode het er over
eens is, dat een dergelijk optreden de kerk onwaardig is.
Wat betreft de relatie tussen dogmatiek en ethiek, ben ik van mening dat die er naar gereformeerde opvatting hoort te zijn, zozeer als rechtvaardiging en heiliging verbonden zijn. Het ethos van de gemeente staat niet los van de leer des heils. Goede werken zijn vrucht van het geloof. Maar zou het niet kunnen zijn dat deze orde van rechtvaardiging en heiliging in de theologische visie van Ter Schegget en de zijnen precies wordt omgedraaid en dat de op de bevrijdingspraxis geo-riënteerde ethiek de dogmatiek verzwelgt? Zovaak ik beschouwingen lees van neomarxistische theologen treft me altijd weer hoe de bevrijdingspraxis tot fundament wordt van hun theologisch gebouw. Dat lijkt me een fundamenteel andere structuur dan de reformatorische. Ook daarom zal de kerk er goed aan doen de wacht te betrekken bij haar eigen belijdenis, en te weren wat het belijden weerspreekt. Met alle consequenties die dit heeft ook inzake benoemingen!
A. N.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's