De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zal men ook de jonge kinderen dopen? (8)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zal men ook de jonge kinderen dopen? (8)

7 minuten leestijd

God gebruikt twee handen
In verband met de grote vraag of de doop, als zichtbaar teken en zegel van geestelijke goederen bij de beloften van God behoort, of bij het geloof van de mens zou men kunnen spreken van twee handen, waarmede God de zondaar tot Zich trekt. Er is één hand vóór ons, en één hand achter ons.
Die hand vóór ons is die van Zijn Woord, in het bijzonder van Zijn Evangelie, gegoten in de vaste, bestendige vorm van het verbond Zijner genade. Die hand is rijk gevuld met alle goederen des heils, die verworven zijn door de Heere Jezus Christus, in Hem zijn samengevat en aan alle hoorders des Woords worden aangeboden.
Maar wij mensen zien er eenvoudig de alles te bovengaande waarde niet van in. Wij zijn als blindgeborenen, die in het volle licht geplaatst, het toch niet aanschouwen.
Nu is dit het grote wonder, dat er ook die andere hand Gods is. De hand van de verborgen werking van Gods Geest. Met op de achtergrond Gods verkiezende liefde. Nu is in de Schrift die verkiezende liefde wel uitgangspunt van Gods handelen. Maar zij behoort (althans aanvankelijk) voor ons tot de verborgene dingen (Deut. 29 : 29). Zo werkt ook die andere hand Gods in het verborgene. Als Lydia's hart geopend wordt, wordt haar aandacht niet gevestigd op iets dat in haar hart gebeurt. Maar wat in haar hart geschiedt richt haar volle opmerkzaamheid op de boodschap Gods, door Paulus gebracht (Hand. 16 : 14). Daarom wijst de Heere Jezus Nicodemus op het onnaspeurlijke van het werk des Geestes. De Heilige Geest vraagt ook de aandacht niet voor Zichzelf. Hij is geen tweede Zaligmaker, en wil dit ook niet zijn. Hij opent alleen oog en hart voor de noodzakelijkheid, de heerlijkheid en de volkomenheid van die ons gepredikte en door die hand Gods vóór ons ons aangeboden Zaligmaker, in Wien al Gods beloften, bezegeld door het merkteken des verbonds, ja en amen zijn.
Die hand achter ons dringt en drijft ons a.h. w. naar die hand vóór ons toe. Door die hand achter ons gevoelen we de trekkende werking van die trouwe Verbondsgod. Het is die wonderlijke verborgen werking, die de verloren zoon thuis brengt. Niet met het bewustzijn van zijn armoede maakt Hij hem rijk. Integendeel. Maar Hij brengt hem de goedheid van dat Vaderhuis voor de geest, opdat hij (schuldbelijdend) tot de Vader zal gaan. Daar komt bij de één meer uiterlijk geweld aan te pas dan bij de ander. Het gebeurt soms reeds zeer vroeg, vooral binnen de kring van het verbond. Soms zeer laat en van zeer ver.
Maar de schuld van dat afdwalen van kinderen des verbonds ligt niet bij Hem, Die ons als klein kind al bij onze naam noemde en ons een op naam gestelde cheque meegaf. Het is eigen schuld, wanneer wij die cheque met een waarde, groot genoeg om alle schuld te voldoen en om er eeuwig van te leven, verwaarlozen.

Die twee handen werken samen
In het toebrengen van zondaren tot de gemeente die zalig wordt, grijpt God dus met twee handen de zondaar aan. Twee handen, die samenwerken. De zondaar die zichzelf voelt vastzitten en die zichzelf niet vrijmaken kan, leert de Heilige Geest lezen in het boek van Gods beloften, waarin staat, dat de Heilige Geest 'bij ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil'. En dat Hij ons wil toeeïgenen hetgeen wij in Christus hebben.
In Johannes 6 zegt Jezus tot een schare van grotendeels ongelovige en blinde Joden: 'Mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel' (vs. 32). Het is immers zo, dat, wanneer ik in ernst iemand iets aanbied, ik voortaan het recht mis het aangebodene te weigeren, wanneer deze persoon daar een ernstig beroep op doet.
Nu, in de leer van het genadeverbond geeft God aan dit aanbod van genade de vaste vorm van een verbond der genade van geslacht tot geslacht.
God laat immers ook aan degenen, die buiten zijn, het Evangelie verkondigen, niet op grond van bepaalde geestelijke hoedanigheden, die zij buiten het Evangelie om zouden verkregen hebben. Het Evangelie moet gebracht worden ook aan degenen, die in het duister wandelen en daar nog niet eens weet van hebben.
Zo doet God ook met de kleine kinderen, ofschoon zij van zonde en genade nog geen weet hebben. Hij wil hun zelfs tot een Vader zijn. Maar dat neemt niet weg, dat er in het hart van dat kind heel wat zal moeten gebeuren, wil het van harte en oprecht 'Abba, Vader' zeggen.

Voorwerp en onderwerp des geloofs
God de Heere moet dus de Geest Zijns Zoons uitzenden in onze harten. Hij doet dat dáár, wanneer en zoals het Hem behaagt. We zijn gewend dat te noemen het onderwerpelijke werk Gods. Maar dat onderwerpelijke heeft betrekking op en doet begerig zijn naar het zgn. voorwerpelijke werk Gods in Christus, gepredikt in het Evangelie. Zonder dat zouden we alleen honger krijgen zonder verzadiging. De honger verzadigt niet. Maar het brood. Niet het subject geeft het leven. Maar Christus. Daarom vermaant ons doopformulier ons terecht onze reinigmaking en zaligheid buiten onszelf in Christus Jezus te zoeken.
Alleen het voorwerp des geloofs heeft levendmakende kracht. Dat voorwerp is niet een verhandeling of beschouwing over God, maar God Zelf, zoals Hij Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft. Bij dat voorwerp des geloofs behoort het sacrament. Ook de doop. Daarin ligt m.i. het hele geschil tussen voor- en tegenstanders van het dopen van de kleine kinderen der gelovigen. De voorstanders (ook in onze belijdenis aan het woord) stellen dit sacrament aan de kant van het Voorwerp des geloofs. Dat is de kant van het Evangelie. Dat is de hand Gods naar ons uitgestrekt. Van onze prilste jeugd af aan. Met de boodschap: je bent een kind van een verloren geslacht, een kind des toorns. Maar als je tot Mij komt, ben je welkom!
De kleine kinderen der gemeente hebben dit vóór op de kinderen die buiten zijn. Ook aan die laatsten moet en kan het Evangelie gebracht worden. Hetzelfde Evangelie. Maar de eersten worden van jongsafaan geplaatst binnen de omtuining van het verbond der genade. Hier ligt een geweldige opdracht, die tegelijk een onmetelijk voorrecht is nl. de jonge kinderen bij het opwassen breder te onderwijzen in de beloften en de geboden van dit verbond Gods. Calvijn heeft reeds uitdrukkelijk gewezen op het belang van deze situatie van de kinderen der gemeente voor hun opvoeding tot persoonlijk geloof. Uitgaande van en pleitende op die vaste grond van Gods verbond, waarop het leven der gemeente de eeuwen door zich afspeelt. Niet het wisselende geloofsleven wordt bezegeld maar de belofte Gods. Als wij van bovenbedoelde opdracht vaak zo weinig terechtbrengen, dan is dat niet Gods schuld. Onze gebrekkige praktijk neemt de grondslag der genade niet weg, waarop het Hem belieft onze kinderen te doen opgroeien. Dit sluit het onderwerpelijke beleven en ontvangen in het hart van de gedoopte niet uit, maar het roept er om.
De beide handen Gods werken naar elkaar toe. De hand achter ons wijst ons op de hand vóór ons. De doop bezegelt en bekrachtigt immers het voorwerp des geloofs, de belofte, opdat het geloof in ons (in welke fase van ons leven ook verwekt) dáárdoor versterkt zal worden. Het geloof rust immers nimmer in zichzelf, maar in het woord. Tot in het zichtbare woord toe. Waarom Luther in aanvechting zich daarop beroepen mocht zeggende: baptizatus sum, 'ik ben gedoopt! Tenslotte grijpen zelfs de twee handen in elkaar, en getuigt de Geest in ons, dat de Geest (in het Woord) de waarheid is.
Als vruchten des Geestes noemt ons doopformulier: waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde. De vruchten zi]n belangrijker dan soms misschien meer opzienbarende gaven des Geestes, die in Pinksterkringen soms een zwaar accent krijgen. Maar deze zijn individueel en incidenteel. De vruchten zijn voor ieder noodwendig.

C. v. d. Wal, Hilversum

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Zal men ook de jonge kinderen dopen? (8)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's