De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een gebed voor ons allen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een gebed voor ons allen

7 minuten leestijd

Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen. En de lieflijkheid des Heeren onzes Gods zij over ons.Psalm 90 vers 16 en 17b

Aan het begin van het jaar spreken wij de wens van ons hart uit tot ieder die wij ontmoeten. Ook u, lezer, bidden wij Gods heil en zegen toe. Als het goed is doen wij dit niet alleen de eerste dagen van het jaar, maar alle dagen van ons leven. Maar dan onuitgesproken. Wie God heeft lief gekregen zal zelfs zijn vijanden zegenen in plaats van vloeken. Maar eenmaal in het jaar spreken wij die wensen van ons hart, die zegeningen uit. Niet ondoordacht, maar wel bewust. Want anders heeft het geen zin, zijn onze wensen ijdel. Een ondoordachte zegenwens is als een vloek zonder oorzaak uitgesproken. Beiden zullen als een mus wegzwerven en als een zwaluw vervliegen.
Bij al ons wensen moeten we ook bedenken wat de Heere sprak tot Abram: 'Wees een zegen.' Ons handelen en wandelen moet bewijzen dat wij meenden wat wij wensten. Zo dan, terwijl het tijd is, laat ons goed doen aan allen, maar het meest aan de huisgenoten des geloofs. Mogelijk zult u dan dit jaar onwetende engelen herbergen.
Bij ons wensen past ook het gebed. Dan pas kunnen we een zegen voor elkaar zijn als God ons Zijn zegen schenkt. Elke wens bewust uitgesproken, elke roeping van harte aanvaard, roept om 't gebed. Wij steunen dan niet op ons werk en verwachten het niet van ons goed doen. Wij doen een ootmoedig beroep op Gods werk in ons en onder ons. Wij steunen op Zijn beloften over ons. Hij is de Heere onze God, zingt de Kerk.
Zo staat ook Mozes te midden van zijn volk. Hij is zich bewust van het verloop van de tijd. Van het gaan en komen der jaren en dagen. Hij doet een beroep op de Heere, Die een Toevlucht is van geslacht tot geslacht. Hij stond boven het verleden. Hij staat boven het heden. Hij zal staan boven de toekomst. Altijd ziet Hij de mensen. Altijd ziet Hij neer op die Hem vrezen. Hij doet alle mensen wel. Maar bijzonder doet Hij wel aan de huisgenoten des geloofs. Dat zijn zij, die in Zijn huis wonen, geduriglijk. Zij dienen Hem dag en nacht. Mozes wist wat dit betekende. Hij was Gods knecht. En Gods knechten dienen niet zichzelf, maar de Heere. Het gaat om Gods werk. Een kostelijke zaak dit te bedenken als dienaren van Zijn Woord. Paulus noemt dit een dienen in het werk der verzoening. Als hij zijn wensen bekend maakt aan mensen dan zegt hij: 'Wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen.' Betere wensen zijn er niet. Een schoner werk ken ik niet. Want dat is niet ons werk, maar Gods werk. Dit is Christus arbeid. Het werk der Verlossing. In deze dienst en dan in het geloof in dit werk Gods, is het goed dienen. U behoeft dan niet tegen een nieuw werkjaar op te zien. Want het is een jaar waarin wij vol vertrouwen hopen op Gods werk. Dat is het heerlijke, de heerlijkheid. Aan ons werk kleven veel gebreken. Ze zitten vol met fouten. Ze zijn doortrokken van onze zonden. Maar Gods werk is volmaakt, zuiver als goud, helder als kristal. Daar ligt de glans en heerlijkheid over van Christus verzoeningswerk. Over dat werk ligt de heerlijkheid van Zijn eigen Woord: 'Het is volbracht.'
Lezer, laten wij het voor elkaar en met elkaar bidden: 'Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.' We mogen dat dan gerust wat uitbreiden. Laten dienaren van het Woord het bidden voor hun arbeid in de gemeente. Laten gemeenteleden het bidden voor hun dominees en hun gemeente. Laten ouders het bidden met hun kinderen. Mozes bad het voor het gehele volk. Dat was niet zijn volk. Het was des Heeren volk. Hij werpt het volk terug op de Heere. Hij geeft het een plaats in Gods werk. Uw werk en Uw heerlijkheid. Daar gaat het om. Niet om mijn werk of mijn eer. Ziet u het ook zó? Het is niet onze zaak, onze gemeente, onze kerk, ons volk. Het is niet ons zaad. Het zijn niet onze kinderen. Het is altijd nog zoals Gods Woord het noemt: 'Dat wat des Heeren is.' Het gaat om de Heere en Zijn werk. Om Zijn gemeente en Zijn kerk. Het gaat om het God geheiligd zaad. Wij mogen bezig zijn met Zijn Woord en Zijn dienst. Zo wil Hij dat wij het zien. Zo bidden wij: 'Heere laat zo Uw werk gezien worden.' Bewaar mij er voor dat ik het anders zou zien.
Uw werk en Uw knechten en Uw kinderen. Indien ik anders ben, en ik ben van mijzelf anders, maak mij het dan. Uw knecht. Geef ons de kinderzegen. Dat is Uw werk, o, Heere. Laat zó Uw werk gezien worden in onze handel en onze wandel. Heere laat ons zijn: knechten der genade en kinderen der genade. Laat ons zijn: knechten uit genade en kinderen uit genade. Uw werk, laat dat gezien worden in de kerk en in de gemeente en in de gezinnen. Laat Uw werk gezien worden in ons hart en in ons leven.
En de lieflijkheid des Heeren onzes Gods zij over ons. Dit mogen we ook bidden voor elkaar en met elkaar. Mozes bad het omdat het voor hem geen vanzelfsprekende zaak was dat de lieflijkheid des Heeren over het volk was. Hij had. het anders meegemaakt. Gods toorn moest vaak over het volk zijn. Daar riepen hun zonde om. Daar roepen ook onze zonden om. Weet u, lezer, wat het betekent: 'Door Uw toorn vergaat ons kwijnend leven?' Niet Gods lieflijkheid verdienen wij, maar Zijn verbolgenheid. Maar dan kunnen we niet verder.
O, Heere, indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken. Uw lieflijkheid zij over ons. Zie, daar kwam de wolkkolom des daags en de vuurkolom des 's nachts weer over het leger. Israëls Wachter was er weer met de tekenen van Zijn liefderijke bescherming. En in het midden van het leger was daar weer de wolk boven het verzoendeksel. De heerlijkheid des Heeren was in haar midden. De Heere, de God der legerscharen is met ons, hoedt ons in gevaren. O, ja, dan kunnen we verder. Zijn stok en Zijn staf vertroost ons in het dal van de schaduw van de dood. Ik behoef dan niet te weten hoe de weg verder gaat. Als Hij de weg maar wijst. En dan onder Zijn lieflijkheid. Hier worden bergen vlak en zeeën droog.
Zie, lezer, dat is nu Gods werk, Gods lieflijkheid in Jezus Christus door Zijn Geest. Dit is een leven uit genade, een leven van genade. Hij doet ons niet naar onze zonden. Er komt iets van die heflijkheid des Heeren onzes Gods Gods over Zijn volk. Zij overschaduwt haar. Gods lieflijkheid straalt af van een volk dat door Hem geweid en geleid voorttrekt door deze wereld. Een wereld, waarin het geweld en de goddeloosheid hand over hand toeneemt. Maar Hij bewaart haar in het midden der gevaren. Hij de Herder, de Goede Herder, hoedt Zijn kudde met de staf der lieflijkheid en samenbinding. En in dreigende gevaren schuilen zij als één kudde, dicht bij elkaar onder Zijn lieflijkheid.
Wij wensen u toe daar binnen een schuilplaats te vinden, ziende op de Overste Leidsman des geloofs. Die het kruis heeft verdragen en schande veracht en ook in 1979 is gezeten aan de rechterhand van de troon van God. En, weet het geloof, Die ook, voor ons bidt. Onder deze biddende handen is het gezegend werken, wonen en leven. En als het moet dit jaar, zelfs, getroost sterven.

C. v. d. B., R.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Een gebed voor ons allen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's