Prediking en geestelijk leven (3)
Pastorale overwegingen
Uitspraken uit vroeger dagen
Voor mij ligt een ander schrijven, waarin verwezen wordt naar uitspraken en gezegden, die destijds werden gedaan en gehoord op catechisatie. Daar is blijkbaar wel het een en ander van achtergebleven en dat is een voorrecht. Er kan in het jonge hart en leven wel eens een zaadje vallen van het goede Woord van God, dat later ontkiemt en vrucht kan zetten. Het mag ons, dienaren van het Woord, er nog eens op wijzen, hoe belangrijk de catechese is en hoe vertroostend het kan zijn te bemerken, dat het onderwijs diepe indrukken nalaat en meer. Ik denk, dat er ook onder de lezers(essen) zijn, die zich nog wel wat vermogen te herinneren, soms van predikanten, die al zijn heengegaan, maar met eerbied nog worden genoemd. Begenadigde dienaren zijn het, die de gave kregen en hebben de jeugd aan te spreken en pakkend te benaderen met de bijbelse boodschap.
Ze worden niet meer genoemd
In de brief wordt de klacht geuit, dat de betreffende uitspraken ook in de prediking niet meer aan de orde komen. Mij is niet bekend of en waar de schrijver of schrijfster van de brief ter kerke gaat. Dat er een vervlakking in de prediking is opgetreden, is zeker. In de vijftiger jaren werd dat al gememoreerd door wijlen ouderling Klink uit Sirjansland in een schrijven aan wijlen prof. Edelkoort. Er is een soms zogenaamde actuele, soms populaire, soms verpolitiekte prediking die niets van doen heeft met de bijbelse boodschap, met een openleggen van De Schrift, Die aan het woord dient te zijn, waarbij de gemeente het laat afweten, en is dat een wonder? Maar er kan ook een prediking zijn, die vol oude termen en uitdrukkingen zit, waarin evenzeer de zeggingskracht van het Woord Zelf gemist wordt en het leven van de Geest ontbreekt. Het is echt niet zo, dat als er maar bepaalde termen worden gebezigd en gehoord, de prediking ook ouderwets en degelijk is. Daar kunnen zeer veel ketterijen onder schuil gaan. Iets anders is, dat bij de ontvouwing van de Schrift wel degelijk geloofsvragen en -worstelingen, geloofsnoden en -zekerheden aan de orde komen, belicht worden, zonder dat van de kansel wordt gezegd, wat onder de kansel graag vernomen wordt. Alle goedkope gemeentetheologie zij ons vreemd. Uiteraard gaat het taalgebruik voort, maar al spreken we niet meer de taal van de 15e, 16e en 17e eeuw, het Woord Zelf is en blijft niet-verouderd. Er zijn bijbelse grondwoorden, die we maar niet moeten vervangen, omdat ze onvervangbaar zijn, als roeping, wedergeboorte, bekering, rechtvaardiging, heiliging, geloof, verbond, verkiezing. Maar ze moeten wel bijbels worden toegelicht, aan het hart worden gelegd. Vooral in de leerdiensten hebben we zulk een goede gelegenheid om de gemeente bijbels te leren denken en spreken.
lk weet het niet meer
Uit de voor mij liggende brief blijkt, dat, ook al worden de uitdrukkingen niet meer genoemd, toch 'over de zaken van die dingen' getobd wordt. Niet alleen is er de vraag, heb ik het vroeger zo verkeerd geleerd, dat er nu niet meer over gesproken wordt, maar ook wat versta ik daar nu zelf van? Die eerste vraag komt nogal eens naar voren bij vele ouderen, die soms in hun geweten deerlijk verontrust zijn – 'was het vroeger dan allemaal zo verkeerd' – die tweede vraag lijkt mij eerlijk, nodig en met een stuk zelf-critiek geladen. Ik mag er op wijzen, dat in verschillende gemeenten ook kringen voor jongere en oudere lidmaten zijn, waarin ook de vragen over geloof en leer worden doorgesproken die niet altijd en alle in de prediking uitvoerig kunnen worden behandeld.
Hebbelijklieid en dadelijldieid
Mogelijk zien verschillende lezers wat of heel vreemd aan tegen deze beide woorden. Het kan zijn, dat u er nimmer van hoorde. Maar de vraag in de brief is 'wat is dat en is dat onderscheid reformatorisch?' Om te beginnen is met de term 'hebbelijkheid van het geloof' bedoeld het geloofsvermogen, dat de Heere door Zijn Woord en Geest werkt bij de wedergeboorte in het hart van een zondaar. Het geloof als gave Gods. Het geloof, als het wondere werk van de Heilige Geest. De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt zo schoon, dat 'de Heilige Geest het oprecht geloof ontsteekt in de harten', en ook, 'dat dit waarachtig geloof, dat in de mens gewrocht is door de Heilige Geest, hem tot een nieuwe mens maakt'
Dat geloof is gave Gods, wordt gewerkt, onderhouden en versterkt. Dit gaat nooit meer weg. Dit is gegeven en dit blijft gegeven. Maar de dadelijkheid des geloofs is de beoefening van het geloof, het betrouwen op God en Zijn Woord, de toeëigening van de belofte Gods, het aangrijpen van Christus en Zijn weldaden, het belijden van de Heere voor de mensen, genade ontvangen om te volbrengen wat God vraagt. Nooit neemt de Heere het geloof als gave meer weg uit de harten van Zijn kinderen, maar niet altijd is het geloof in de beoefening. Daarover ook een volgende keer.
W. Chr. Hovius, K. a. Z.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's