De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

9 minuten leestijd

Kerkelijke en staatkundige voorlichting
Al eerder bood ik in deze kolommen ruimte aan beschouwingen van prof. mr. I. A. Diepenhorst. Mij treft altijd weer zijn heldere analyse van een situatie, zijn nuchter en evenwichtig oordeel. In het Centraal Weekblad van 13 januari constateert hij dat ondanks de voorlichting van de media als pers en t.v. het met de kennis van allerlei zaken op kerkelijk en staatkundig terrein slecht gesteld is. Van onpartijdige voorlichting is helaas vaak geen sprake.
Ten aanzien van de kerkelijke voorlichting signaleert deze hoogleraar het verschijnsel dat voor velen de voorlichting te moeilijk is, voor anderen de interesse wegebt, omdat het voor hen alleen maar aankomt op het christelijk handelen hier en nu en men direct vraagt: Wat doe ik er mee? Verschraling dreigt op deze manier ontontwijkbaar.
En de staatkundige pers? In dit verband gaat Diepenhorst met name in op het dagblad Trouw. Hij schrijft het volgende:

Trouw is echter van huis uit zeer beslist ook een staatkundig blad, nader een reformatorisch staatkundig blad. Was het lang geleden – in de jaren van de Standaard – aldus dat werd uitgegaan van het bestaansrecht der christelijke politiek en dus der christelijk politieke partijen, na 1945 wees Trouw op zijn beurt scherp de doorbraak af en verdedigde het goed recht der christelijke organisaties. Op een vooruitstrevende manier werd – ondanks een langdurig conservatieve houding terzake van het Indonesië-beleid – voor Europese eenwording, voor hervorming van maatschappelijke instellingen en voor nieuwe sociale inzichten van soms radicale aard het pleit gevoerd. Tegen socialisme en communisme durfde men, waar nodig, stelling te nemen. De geestverwantschap met wat antirevolutionairen en christelijk historischen wilden, de steun aan een brede christelijke politiek welke van een ruime samenwerking zich niet afkerig toonde, waren meestal duidelijk.
Er is echter in protestantse kring verschil van mening ontstaan over het opsmelten der bestaande confessionele partijen in het Christen Democratisch Appèl, en nu er, evenals in 1959 en in 1963, ook in 1977 is gekozen voor een samenwerking van confessionelen en liberalen, wordt met toenemende eenzijdigheid door Trouw deze ontwikkeling veroordeeld, ging men ook journalistiek minder kieskeurig te werk en lijkt er van een roze getinte, volgens sommige zeggen – en aan bewijzen ontbreekt het niet – van een hardroze krant te moeten worden gesproken.
Artikelen te over meten de nadelen verbonden aan een grote partij als het CDA wel heel breed uit, zonder veel bewijsvoering de indruk wekkend dat een grauwe 'middenbrij' zou ontstaan. Voortdurend wordt de nadruk op het bestaan van 'loyalisten' – het zijn er slechts enkelen – gevestigd. Wanneer er bedenkingen worden kenbaar gemaakt tegen het kabinet – zo van de zijde der Arjos, een bijzonder goed van partijsubsidie voorziene jeugdbeweging – dan is de plaatsruimte verzekerd. De vroegere minister van onderwijs, Van Kemenade, vindt voor zijn opinies onderdak. Met de politiek radicale leider der, gelet op de sterkte zijner partij grote Eerste Kamerfractie, dr. B. de Gaay Fortman, is hetzelfde het geval.
Wanneer men meent over de heren Lubbers of Schakel een zure opmerking te kunnen maken, dan wordt dit niet nagelaten. De huidige minister van onderwijs, dr. Pais, die zuinig met de middelen moet wezen, wordt telkens gebrek aan visie verweten en met eenzijdigheid haalt men het CDA Tweede Kamerlid Deetman aan om zulks nog eens nader te staven. Elke vermoede onenigheid in het kabinet wordt breed besproken. Minister Albeda zou eigenlijk voor de teleurstellende houding der vakbeweging verantwoordelijk zijn en minister Wiegel heeft nog nooit een goed woord gekregen.
Als een der weinige dagbladen neemt Trouw een bericht op dat Prins Bernhard om vrijlating van Menten zou hebben verzocht. Eerst wordt min of meer bij de oorspronkelijke lezing der feiten, ook als twijfel gerezen is, volhard. Wanneer dit desbetreffend feit door de commissie Schöffer wordt weerlegd, volgt een uiterst omslachtige, zo ingewikkeld opgezette terugneming van het lichtvaardig geschrevene, dat zelfs geoefende lezers nauwelijks weten wat nu wel en wat niet is herroepen, terwijl elke betuiging van spijt ontbreekt.
Ook indien niet de eis wordt gesteld van een hoofdzakelijk opbouwende politieke voorlichting, getuigt het niet van een te starre, kritische houding althans enigermate evenwichtige informatie te verlangen. De sensationele opschriften, de schampere oordeelvellingen, met name over liberalen, de anders dan in het Parool volstrekt eenzijdige commentaren op het politiek en sociaal gebeuren in Nederland, maken het blad niet representatief voor hen, die een verantwoorde, christelijke, niet in een ongebreidelde progressiviteit vluchten, christelijke politiek voorstaan.

Me dunkt, dat liegt er niet om. Ik denk dat velen zich in deze kritiek op Trouw zullen herkennen. Diepenhorst blijft voorkeur geven aan Trouw, maar schrijft in het slot van zijn verhaal: 'Wil het blad aan de oorspronkelijke idealen door principiële en gebalanceerde staatkundige informatie voldoen, dan is een wijziging in het journalistiek beleid vereist."
Wie inzake de keus van een christelijk dagblad een andere weg gaat dan Diepenhorst, zal mogelijk van zijn ontboezemingen met een schouderophalen kennis nemen. Wie, zoals ondergetekende, met een kritisch oog Trouw leest en vaak evenals Diepenhorst gevoelens van onbehagen niet kan onderdrukken, niet alleen over de eenzijdige politieke, rnaar ook over de vaak eenzijdige kerkelijke voorlichting, zal dit artikel anders waarderen. Ik meen dat Diepenhorst dingen aanwijst waarvan het vurig te hopen is, dat de redactie van Trouw ze ter harte zal nemen. Zeker, er blijft, los van de binding aan een politieke partij, een eigen journalistieke verantwoordelijkheid. Goede kritiek, op de eigen kring, kan opbouwend zijn. Maar vanuit het verleden van Trouw is het tragisch dat dit blad in menig opzicht een koers vaart, tegengesteld aan die van de oprichters. Men kan zeggen: een christelijke politieke partij die regeringsverantwoordelijkheid draagt, of – in een andere politieke opstelling – oppositiepartij is, moet niet behoeven te leunen op de steun van een krant. Partijprogram en uitvoering daarvan, het staan voor wat men zegt te zijn, moeten de partij geloofwaardig maken. Dat is ongetwijfeld waar. Ieder heeft het recht het CDA op de C aan te spreken. En de praktijk laat zien dat dat geen eenvoudige zaak is in de praktische politiek, in onze zo veelvormige samenleving. Ongetwijfeld staan juist christen-politici menigmaal voor de vraag naar het recht van het compromis.
Er kan een moment komen dat dit compromis niet langer gewettigd is, en toegeven verloochening van het beginsel is. Dan kan men zich niet verschuilen achter de steun van media.
Maar er is ook een andere kant aan de zaak. Media blijken meningen soms diepgaand te beïnvloeden. Het image dat een partij of een politicus meekrijgt via t.v., radio, dagbladinterview of beschouwing, is geen onverschillige zaak. Pers en andere media hebben ook een zekere macht. En macht heeft zijn gevaarlijke kanten.
Wanneer het een dagblad, in dit geval Trouw, inderdaad ernst is, zoals men menigmaal zegt met de bijbels-geïnspireerde levensvisie – wat dat dan ook precies mag zijn – mogen juist geestverwanten, die dagelijks worstelen om in het ingewikkeld samenspel van politieke krachten de C klank en kleur te geven, van dit bladop zijn minst good-will en steun verwachten. Daarom is het appèl dat Diepenhorst in deze op Trouw doet, mij uit het hart gegrepen. Het is m.i. niet van belang ontbloot voor de toekomst van de christelijke politiek in ons vaderland, hoe de massamedia zich opstellen.

Zending in Nederland
Er is de laatste maanden heel wat geschreven over Zending in Nederland. Het gevoel van teleurstelling over de afloop van de combisynode was groot. Kritiek op het rapport van de buitenstaanders is door velen niet onder stoelen of banken gestoken. Een interkerkelijke groep deed een appèl uitgaan over de bijbelse grondslagen van de zending, uitgaande van Joh. 16 : 8-11, het werk van de Heilige Geest.
Hoewel ik er niet aan twijfel of dit appèl zal zijn invloed uitoefenen, had ik toch wat meer respons uit allerlei kringen van de kerk verwacht. Onwillekeurig ga je denken aan alles wat er rondom de verschijning van het Getuigenis gepubliceerd, gezegd en behandeld is. Is de aandacht voor zendingsvragen in brede kringen van de kerk toch aanzienlijk minder dan wanneer het vragen betreft die de gemeente intern raken? Was het draagvlak destijds breder, waardoor zo'n brede golf van instemming en kritiek de verschijning van het Getuigenis begeleidde? Of sprak de zaak meer aan?
Men kan hier lang en breed over discussiëren. Belangrijker lijkt me om er vooral op te wijzen dat het voor ieder onzer van levensbelang is zich bezig te houden met het getuigenis van Gods Woord aangaande de Geest en de zending. Daarom wijs ik graag op een kort artikel in Credo, waaruit blijkt dat de kritiek op Zending in Nederland geen zaak is van de GB alleen of de IZB, maar ook bij velen in de Geref. kerk gehoord wordt en dat het appèl ook daar weerklank vindt. Ik citeer uit Credo (dec. 78):

Er zijn – o.i. terecht – nogal wat bezwaren gekomen tegen het rapport van het internationale team 'Zending in Nederland'. Vier weken lang trokken een aantal buitenlandse gasten door Nederland. Ze luisterden en stelden vragen. Na afloop van hun bezoeken aan verschillende kerken in Nederland stelden zij in korte tijd hun indrukken op papier. Op een gemeenschappelijke vergadering van de Synodes der Hervormde en Gereformeerde kerken is hierover gediscussieerd op 22 en 23 november jl. Ik wil vooropstellen dat het een goed ding is om te luisteren naar de kritische stemmen van anderen, die ons de spiegel voorhouden. Maar dan is het wel belangrijk, hoe die spiegel eruit ziet. En dan blijkt, dat men in dit rapport de zending met name ziet als een meewerken aan de totstandkoming van een betere samenleving. De allereerste zin van het verslag wijst direct al in deze richting: 'Volgens ons is het niet mogelijk, dat de kerk haar missionaire opdracht goed kan vervullen zonder een voortdurende en diepgaande analyse van de samenleving'. Naar onze mening wordt in dit rapport te eenzijdig nadruk gelegd op de noodzaak van maatschappij-analyse en politieke bevrijding en niet op heil in Christus.
We achten het een goede zaak, dat er een interkerkelijk appèl is verschenen (exemplaren van dit manifest kunt u aanvragen bij: Zendingsappèl, Postbus 73, 3420 DB Oudewater), waarin grote aandacht wordt gevraagd voor het werk van de Heilige Geest. 'Alleen de Geest is bij machte het toenemend ongeloof te doorbreken. De Geest doet door middel van het woord en maakt daarbij gebruik van de gemeente, die van en naar dit Woord leeft', zo staat in 15 stellingen over zending te lezen.

Het zou tot grote schande zijn voor de 'Zending in Nederland', wanneer voor dit aspect, waarvoor het Appèl terecht de aandacht vraagt, geen oog zou zijn vanuit de Hervormde en Gereformeerde synoden. Anders verzandt ons hele bezig zijn in een tot hopeloosheid gedoemd activisme!

Het zou een goede zaak een als binnen de gemeenten, ook interkerkelijk rondom de 15 stellingen een gesprek op gang kwam rondom de vragen van de zending.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's